Bijbel:Numeri 35

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 53 · 59
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: Zacharia 12
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 8 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 3
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Numeri 35: 1 En Jhwh sprak tot Mozes, in de vlakke velden van de Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

2 Gebied de kinderen Israëls, dat zij van de erfenis van hun bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult ulieden aan de Levieten weidegronden geven, rondom de steden.

3 En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun weidegronden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun have, en voor al hun gedierte,

4 En de weidegronden der steden, die u aan de Levieten zult geven, zullen van de stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.

5 En u zult meten van buiten de stad, aan de hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan de hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan de hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan de hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot weidegronden van de steden.

6 De steden nu, die u aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die u geven zult, opdat de doodslager daarheen vlucht; en boven die zult u [hun] twee en veertig steden geven.

7 Al de steden die u aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar weidegronden.

8 De steden, die u van de bezitting der kinderen Israëls geven zult, zult u van dien, die vele heeft, vele nemen, en van dien, die weinig heeft, weinige nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven.

9 Voorts sprak Jhwh tot Mozes, zeggende:

10 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer u over de Jordaan gaat naar het land Kanaän.

11 Zo zult u maken, dat u steden tegemoet liggen, [die] u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de doodslager daarheen vlucht, die een ziel onwetend geslagen heeft.

12 En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor de [bloed] wreker; opdat de doodslager niet sterft, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan heeft.

13 En deze steden, die u geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn.

14 Drie van deze vrijsteden zult u geven op deze zijde van de Jordaan, en drie van deze steden zult u geven in het land Kanaän; vrijsteden zullen het zijn.

15 Die zes steden zullen voor de kinderen Israëls, en voor de vreemdeling, en de bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vlucht wie een ziel onvoorziens slaat.

16 Maar indien hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven is, een doodslager is hij; deze doodslager zal zeker gedood worden.

17 Of indien hij hem met een handsteen, waarvan met zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zeker gedood worden.

18 Of indien hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zou kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven is, een doodslager is hij; deze doodslager zal zeker gedood worden.

19 De wreker van het bloed, die zal de doodslager doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden.

20 Indien hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven is;

21 Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, zodat hij gestorven is; de slager zal zeker gedood worden, een doodslager is hij; de bloedwreker zal deze doodslager doden, als hij hem ontmoet.

22 Maar indien hij hem met der haast zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft;

23 Of onvoorziens met enige steen, waarvan men zou kunnen sterven, en hij die op hem heeft doen vallen, zodat hij gestorven is, terwijl hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekend;

24 Dan zal de vergadering richten tussen de slager en de bloedwreker, naar die rechten.

25 En de vergadering zal de doodslager redden uit de hand van de bloedwreker, en de vergadering zal hem doen weerkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was; en hij zal daarin blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.

26 Doch indien de doodslager enigszins zal gaan uit de grenzen van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was,

27 En de bloedwreker hem zal vinden buiten de grenzen van zijn vrijstad; als de bloedwreker de doodslager zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn.

28 Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot de dood van de hogepriester; maar na de dood van de hogepriester zal de doodslager weerkeren tot het land van zijn bezitting.

29 En deze dingen zullen ulieden zijn tot een inzetting van recht, bij uw geslachten, in al uw woonplaats.

30 Al wie de ziel slaat, naar de mond van de getuigen zal men de doodslager doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, zodat zij sterft.

31 En u zult geen verzoening nemen voor de ziel van de doodslager, die schuldig is te sterven; want hij zal zeker gedood worden.

32 Ook zult u geen verzoening nemen voor diegene die gevlucht is naar zijn vrijstad, opdat hij zou terugkeren om te wonen in het land, vóór de dood van [hoge]priester

33 Zo zult u niet ontheiligen het land, waarin u bent; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed dat daarin vergoten is, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.

34 Verontreinigt dan het land niet, waarin u gaat wonen, in welks midden Ik wonen zal; want Ik ben Jhwh, wonend in het midden der kinderen Israëls.