Bijbel:Markus 15

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 53 · 59
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: Zacharia 12
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 8 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 3
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Markus 15: 1 En terstond, ‘s morgens vroeg, beraadslaagden de overpriesters met de oudsten en schriftgeleerden en de hele Raad, en zij bonden Jezus en brachten Hem weg en leverden Hem over aan Pilatus.

2 En Pilatus ondervroeg Hem: Bent U de koning der Joden? Hij nu antwoordde hem en zei: U zegt het.

3 En de overpriesters beschuldigden Hem van veel dingen.

4 Pilatus nu ondervroeg Hem opnieuw en zei: Antwoordt U helemaal niets? Zie, van hoeveel zij U beschuldigen.

5 Jezus antwoordde echter helemaal niets meer, zodat Pilatus zich verwonderde.

6 Nu liet hij hun op [elk] feest een gevangene los, die zij begeerden.

7 Nu was er iemand, Barabbas geheten, gebonden met de oproermakers die in het oproer een moord hadden begaan.

8 En de menigte kwam naar voren en begon hem te vragen hun te doen zoals hij gewoon was.

9 Pilatus echter antwoordde hun en zei: Wilt u dat ik de koning der Joden voor u loslaat?

10 Want hij wist dat de overpriesters Hem uit afgunst hadden overgeleverd.

11 De overpriesters echter zetten de menigte op, dat hij liever Barabbas voor hen moest loslaten.

12 Pilatus nu antwoordde opnieuw en zei tot hen: Wat wilt u dan dat ik zal doen <met Hem die u> de koning der Joden <noemt>?

13 Zij nu riepen opnieuw: Kruisig Hem!

14 Pilatus nu zei tot hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Zij nu riepen des te meer: Kruisig Hem!

15 Pilatus nu wilde de menigte een genoegen doen en liet hun Barabbas los; en Jezus leverde hij, na Hem gegeseld te hebben, over om gekruisigd te worden.

16 De soldaten nu leidden Hem in de voorhof, dat is het pretorium, en zij riepen de hele legerafdeling samen.

17 En zij deden Hem een purperen mantel om en na een doornenkroon gevlochten te hebben zetten zij Hem die op

18 en begonnen Hem te begroeten: Gegroet, koning der Joden!

19 En zij sloegen zijn hoofd met een rietstok en bespuwden Hem, en zij vielen op hun knieen en huldigden Hem.

20 En toen zij Hem hadden bespot, deden zij Hem de purperen mantel af en deden Hem zijn kleren aan; en zij leidden Hem naar buiten om Hem te kruisigen.

21 En zij dwongen een voorbijganger, een zekere Simon van Cyrene die van het veld kwam, de vader van Alexander en Rufus, om zijn kruis te dragen.

22 En zij brachten Hem op de plaats Golgotha, dat is vertaald: Schedelplaats.

23 En zij gaven Hem met mirre gemengde wijn; maar Hij nam die niet.

24 En zij kruisigden Hem en verdeelden zijn kleren door het lot erover te werpen wat ieder mocht nemen.

25 Het was nu het derde uur toen zij Hem kruisigden.

26 En het opschrift met zijn beschuldiging luidde: De koning der Joden.

27 En met Hem kruisigden zij twee rovers, een aan zijn rechterhand en een aan zijn linkerhand.

28 29 En de voorbijgangers lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden en zeiden: Ha, U die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt,

29 En de voorbijgangers lasterden Hem, terwijl zij hun hoofden schudden en zeiden: Ha, U die het tempelhuis afbreekt en in drie dagen opbouwt,

30 verlos Uzelf en kom van het kruis af!

31 Evenzo spotten ook de overpriesters onder elkaar met de schriftgeleerden en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen.

32 Laat de Christus, de koning van Israel, nu van het kruis afkomen, opdat wij zien en geloven! Ook zij die met Hem gekruisigd waren, smaadden Hem.

33 En toen het zesde uur was gekomen, kwam er duisternis over het hele land tot het negende uur toe.

34 En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lemá sabachtháni? dat is vertaald: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

35 En sommigen van hen die daarbij stonden en dit hoorden, zeiden: Zie, Hij roept Elia.

36 Iemand nu liep snel, vulde een spons met zure wijn, stak ze op een rietstok en gaf Hem te drinken en zei: Wacht, laten wij zien of Elia komt om Hem eraf te nemen.

37 Jezus nu liet een luide schreeuw horen en stierf.

38 En het voorhangsel van het tempelhuis scheurde in tweeen, van boven naar beneden.

39 Toen nu de centurio die daarbij stond tegenover Hem, zag dat Hij zo roepend was gestorven, zei hij: Waarlijk, deze mens was Gods Zoon!

40 Nu stonden er ook vrouwen uit de verte toe te zien, onder wie ook Maria Magdalena was en Maria, de moeder van Jakobus de kleine en van Joses, en Salóme,

41 die, toen Hij in Galilea was, Hem volgden en Hem dienden, en vele andere [vrouwen] die met Hem naar Jeruzalem waren opgetrokken.

42 En toen het al avond was geworden, omdat het de voorbereiding was, dat is de voorsabbat,

43 kwam Jozef van Arimathéa, een aanzienlijk raadsheer, die ook zelf het koninkrijk van God verwachtte, en waagde het naar binnen te gaan naar Pilatus en het lichaam van Jezus te vragen.

44 Pilatus nu verwonderde zich dat Hij al gestorven was, en nadat hij de centurio bij zich had geroepen, ondervroeg hij hem of Hij al lang gestorven was.

45 En toen hij het van de centurio had vernomen, schonk hij Jozef het lichaam.

46 En na een stuk linnen gekocht te hebben nam hij Hem af, wikkelde Hem in het stuk linnen en legde Hem in een graf dat uit een rots was gehouwen, en hij wentelde een steen voor de ingang van het graf.

47 Maria Magdalena nu en Maria, de [moeder] van Joses, zagen waar Hij gelegd was.