Bijbel:Lukas 9

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 53 · 59
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: Zacharia 12
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 8 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 3
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Lukas 9: 1 Hij nu riep de twaalf samen en gaf hun kracht en macht over alle demonen en om ziekten te genezen.

2 En Hij zond hen uit om het koninkrijk van God te prediken en de zieken gezond te maken.

3 En Hij zei tot hen: Neemt niets mee voor onderweg, geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld; hebt ook niet elk twee onderklederen.

4 En welk huis u ook binnengaat, blijft daar en vertrekt vandaar.

5 En allen die u niet ontvangen-vertrekt uit die stad en schudt het stof van uw voeten af tot een getuigenis tegen hen.

6 Zij nu vertrokken en trokken de dorpen door, terwijl zij overal het evangelie verkondigden en genezingen verrichtten.

7 Herodes de viervorst nu hoorde alles wat er gebeurde; en hij was in verlegenheid, omdat door sommigen werd gezegd dat Johannes uit de doden was opgewekt,

8 en door sommigen dat Elia was verschenen, en door anderen dat een profeet, een van de ouden, was opgestaan.

9 Herodes nu zei: Johannes heb ik onthoofd, maar Wie is Deze van Wie ik zulke dingen hoor? En hij trachtte Hem te zien.

10 En toen de apostelen waren teruggekeerd, vertelden zij Hem alles wat zij hadden gedaan. En Hij nam hen mee en trok Zich met hen afzonderlijk terug naar en stad, Bethsaida geheten.

11 Toen nu de menigten dit merkten, volgden zij Hem; en Hij ontving hen en sprak tot hen over het koninkrijk van God; en hen die genezing nodig hadden, maakte Hij gezond.

12 De dag begon echter te dalen, en de twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden tot Hem: Stuur de menigte weg, opdat zij naar de omliggende dorpen en velden gaan om onderdak en proviand te vinden, want wij zijn hier in een woeste plaats.

13 Hij echter zei tot hen: Geeft u hun te eten. Zij echter zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, tenzij wij voedsel gaan kopen voor al dit volk;

14 want er waren ongeveer vijfduizend mannen. Hij echter zei tot zijn discipelen: Laat hen gaan zitten in eetgezelschappen, elk van ongeveer vijftig.

15 En zij deden aldus en lieten hen allen zitten.

16 Toen Hij nu de vijf broden en de twee vissen had genomen, keek Hij op naar de hemel, zegende ze, brak ze en gaf ze aan de discipelen om ze aan de menigte voor te zetten.

17 En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgeraapt wat hun aan brokken was overgeschoten, twaalf korven.

18 En het gebeurde, toen Hij alleen in gebed was, dat de discipelen bij Hem waren, en Hij vroeg hun aldus: Wie zeggen de menigten dat Ik ben?

19 Zij nu antwoordden en zeiden: Johannes de doper; en anderen: Elia; en anderen, dat een profeet, een van de ouden, is opgestaan.

20 Hij nu zei tot hen: U echter, Wie zegt u dat Ik ben? Petrus nu antwoordde en zei: De Christus van God.

21 Hij nu waarschuwde hen en beval dit niemand te zeggen,

22 en zei: De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.

23 Hij nu zei tot allen: Als iemand achter Mij wil komen, laat hij zichzelf verloochenen, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen.

24 Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest ter wille van Mij, die zal het behouden.

25 Want wat baat het een mens de hele wereld te winnen en zichzelf te verliezen of erbij in te boeten?

26 Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en van de heilige engelen.

27 Ik nu zeg u in waarheid: er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij het koninkrijk van God hebben gezien.

28 Het gebeurde nu ongeveer acht dagen na deze woorden, dat Hij Petrus, Johannes en Jakobus meenam en op de berg klom om te bidden.

29 En terwijl Hij bad, werd het uiterlijk van zijn gezicht anders en zijn kleding werd lichtend wit.

30 En zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elia,

31 die in heerlijkheid verschenen en over zijn uitgang spraken die Hij zou volbrengen in Jeruzalem.

32 Petrus nu en zij die bij Hem waren, waren door slaap overmand; toen zij nu ontwaakten, zagen zij zijn heerlijkheid, en de twee mannen die bij Hem stonden.

33 En het gebeurde, toen zij van Hem scheidden, dat Petrus tot Jezus zei: Meester, het is goed dat wij hier zijn, en laten wij drie tenten maken, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia-zonder te weten wat hij zei.

34 Toen hij nu dit zei, kwam er een wolk en overschaduwde hen, en zij werden bang toen zij de wolk ingingen.

35 En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Deze is mijn uitverkoren Zoon, hoort Hem.

36 En terwijl de stem kwam, werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen en vertelden niemand in die dagen iets van wat zij hadden gezien.

37 Het gebeurde nu de volgende dag toen zij de berg afdaalden, dat een grote menigte Hem tegemoet kwam.

38 En zie, een man uit de menigte riep de woorden uit: Meester, ik smeek U naar mijn zoon om te kijken, want hij is mijn eniggeborene.

39 En zie, een geest grijpt hem en plotseling schreeuwt hij en laat hem stuiptrekken en schuimen, en hij gaat ternauwernood bij hem vandaan als hij hem mishandelt.

40 En ik heb uw discipelen gesmeekt dat zij hem zouden uitdrijven en zij konden het niet.

41 Jezus nu antwoordde en zei: O ongelovig en verdraaid geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen? Breng uw zoon hier.

42 En nog terwijl hij naderbij kwam, rukte de demon aan hem en liet hem stuiptrekken. Jezus echter bestrafte de onreine geest, maakte het kind gezond en gaf het aan zijn vader terug.

43 En allen stonden versteld over de majesteit van God. Toen nu allen zich verwonderden over alles wat Hij deed, zei Hij tot zijn discipelen:

44 Legt u deze woorden in uw oren, want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in handen van mensen.

45 Zij verstonden dit woord echter niet en het was voor hen verborgen, zodat zij het niet begrepen; en zij waren bang om Hem naar dat woord te vragen.

46 Nu kwam er een overlegging bij hen op wie van hen de grootste was.

47 Jezus echter onderkende de overlegging van hun hart, nam een kind, plaatste het bij Zich

48 en zei tot hen: Wie dit kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij heeft gezonden. Want wie de geringste onder u allen is, die is groot.

49 Johannes nu antwoordde en zei: Meester, wij zagen iemand in uw naam demonen uitdrijven en wij hebben het hem verhinderd, omdat hij U niet met ons volgt.

50 Jezus echter zei tot hem: Verhindert het niet, want wie niet tegen u is, is voor u.

51 Het gebeurde nu, toen de dagen van zijn opneming in vervulling gingen, dat Hij zijn gezicht vastbesloten wendde om naar Jeruzalem te gaan.

52 En Hij zond boden voor Zich uit. En zij gingen heen en kwamen in een dorp van Samaritanen om voor Hem een verblijf in gereedheid te brengen.

53 En zij ontvingen Hem niet, omdat Hij op weg was naar Jeruzalem.

54 Toen nu zijn discipelen Jakobus en Johannes dit zagen, zeiden zij: Heer, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren zoals ook Elia heeft gedaan?

55 Hij echter keerde Zich om en bestrafte hen en zei: U weet niet van welke geest u bent.

56 Want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te verderven maar te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.

57 En toen zij op weg waren, zei iemand tot Hem: Ik zal U volgen, waar U ook heengaat.

58 En Jezus zei tot hem: De vossen hebben holen en de vogels van de hemel nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats waar Hij zijn hoofd kan neerleggen.

59 En Hij zei tot een ander: Volg Mij. Hij echter zei: Heer, sta mij toe eerst mijn vader te gaan begraven.

60 Hij echter zei tot hem: Laat de doden hun doden begraven, maar u, ga heen en verkondig het koninkrijk van God.

61 En weer een ander zei: Ik zal U volgen, Heer, maar sta mij toe eerst afscheid te nemen van hen die in mijn huis zijn.

62 Jezus echter zei tot hem: Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en achterom kijkt, is geschikt voor het koninkrijk van God.