Bijbel:Ezechiël 38

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 53 · 59
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: Zacharia 12
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 8 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 3
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Ezechiël 38: 1 Voorts geschiedde het woord van Jhwh tot mij, zeggende:

2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,

3 En zeg: Zo zegt mijn Heer(en) Jhwh: Zie, Ik [wil] aan u, o Gog, u hoofdvorst van Mesech en Tubal!

4 En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, benevens uw gehele leger, paarden en ruiters, die allemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, [met] rondas en schild, die allemaal zwaarden hanteren;

5 Perzen, Koesjieten en Puteërs met hen, die allemaal schild en helm [voeren];

6 Gomer en al zijn troepen, en het huis van Togarma, [aan] de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.

7 Weest bereid en maakt u gereed, u en uw gehele vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees u hun tot een wacht.

8 Na vele dagen zult u bezocht worden; in het laatste der jaren zult u komen in het land dat weergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als dat [land] uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen.

9 Dan zult u optrekken, u zult aankomen als een onstuimige verwoesting, u zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; u en al uw troepen, en vele volken met u.

10 Zo zegt mijn Heer(en) Jhwh: Te dien dage zal het ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en u zult een kwade gedachte denken,

11 En zult zeggen: Ik zal optrekken naar [dat] dorpland, ik zal komen tot degenen die in rust zijn, die zeker wonen, die allemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.

12 Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die [nu] bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonend in het midden van het land.

13 Scheba en Dedan en de kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt u om buit te buiten? hebt u uw vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een grote buit te buiten?

14 Daarom profeteer, o mensenkind! en zeg tot Gog: Zo zegt mijn Heer(en) Jhwh: Zult u het, te dien dage, als Mijn volk Israël zeker woont, niet gewaar worden?

15 U zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, u en vele volken met u; die allemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering, en een machtig leger;

16 En u zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.

17 Zo zegt mijn Heer(en) Jhwh: Bent u die, [van] wie Ik in verleden dagen gesproken heb, door de dienst van Mijn knechten, de profeten van Israël, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren [lang], dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?

18 Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog tegen het land Israëls zal aankomen, spreekt mijn Heer(en) Jhwh, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen.

19 Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid: Als er niet, te dien dage, een groot beven zal zijn in het land Israëls!

20 Zodat van Mijn aangezicht beven zullen de vissen van de zee, en het gevogelte van de hemelen, en het gedierte van het veld, en al het kruipend gedierte, dat op het aardrijk kruipt, en alle mensen, die op de aardbodem zijn; en de bergen zullen neergeworpen worden, en de steile plaatsen zullen neervallen, en alle muren zullen ter aarde neervallen.

21 Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt mijn Heer(en) Jhwh; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broeder zijn.

22 En Ik zal met hem in het gericht treden, door pest en door bloed; en Ik zal een overstelpende plasregen en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem en op zijn troepen en op de vele volken, die met hem zullen zijn.

23 Zo zal Ik Mij groot maken en Mij heiligen en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten dat Ik Jhwh ben.