Bijbel:Lukas 23

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 53 · 59
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: Zacharia 12
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 8 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 3
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Lukas 23: 1 En de hele massa van hen stond op en leidde Hem voor Pilatus.

2 Zij nu begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben bevonden dat Deze onze natie afkerig maakt en verbiedt de keizer belasting te betalen en van Zichzelf zegt dat Hij Christus is, een koning.

3 Pilatus nu vroeg Hem aldus: Bent U de koning der Joden? Hij nu antwoordde hem en zei: U zegt het.

4 Pilatus nu zei tot de overpriesters en de menigten: Ik vind geen schuld in deze mens.

5 Zij hielden echter aan en zeiden: Hij zet het volk op door zijn leren in heel Judea, waarmee Hij is begonnen van Galilea tot hiertoe.

6 Toen nu Pilatus dat hoorde, vroeg hij of die mens een Galileeer was.

7 En toen hij vernam dat Hij uit het gezagsgebied van Herodes was, zond hij Hem naar Herodes, die ook zelf in die dagen in Jeruzalem was.

8 Toen nu Herodes Jezus zag, was hij zeer verblijd, want hij wilde sinds geruime tijd Hem zien, omdat hij van Hem gehoord had, en hij hoopte een of ander teken door Hem te zien gebeuren.

9 Hij nu ondervroeg Hem met talloze woorden, maar Hij antwoordde hem niets.

10 De overpriesters en de schriftgeleerden nu stonden Hem heftig te beschuldigen.

11 Nadat nu ook Herodes met zijn soldaten Hem verachtelijk had behandeld en bespot, deed hij Hem een prachtig kleed om en zond Hem terug naar Pilatus.

12 Herodes en Pilatus nu werden op diezelfde dag vrienden met elkaar, want zij leefden tevoren in vijandschap jegens elkaar.

13 Pilatus nu riep de overpriesters, de oversten en het volk bijeen en zei tot hen:

14 U hebt deze mens bij mij gebracht als Iemand die het volk afvallig maakt; en zie, ik heb Hem in uw bijzijn verhoord en heb in deze mens geen schuld gevonden aan datgene waarvan u Hem beschuldigt.

15 Ja, ook Herodes niet; want hij heeft Hem naar ons teruggezonden, en zie, er is niets door Hem gedaan dat de dood waard is.

16 Ik zal Hem dus kastijden en loslaten.

17 Hij nu moest hun op het feest iemand loslaten.

18 Massaal echter schreeuwden zij het uit en zeiden: Weg met Hem, en laat ons Barabbas los!

19 Deze was wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden, en wegens moord in de gevangenis geworpen.

20 Pilatus nu riep hun opnieuw toe, daar hij Jezus wilde loslaten.

21 Zij echter riepen er tegenin en zeiden: Kruisig, kruisig Hem!

22 Hij echter zei voor de derde maal tot hen: Wat heeft Deze dan voor kwaad gedaan? Ik heb geen doodschuld in Hem gevonden. Ik zal Hem dus kastijden en loslaten.

23 Met luider stem echter hielden zij aan en eisten dat Hij zou worden gekruisigd; en hun stemmen en die van de overpriesters kregen de overhand.

24 En Pilatus besliste dat hun eis moest gebeuren.

25 Hij nu liet hem los die wegens oproer en moord in de gevangenis was geworpen, die zij eisten; Jezus echter leverde hij over aan hun wil.

26 En toen zij Hem wegleidden, hielden zij een zekere Simon van Cyrene aan, die van het veld kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen.

27 Nu volgde Hem een grote massa van het volk en van vrouwen die weeklaagden en klaagliederen over Hem zongen.

28 Jezus echter wendde Zich tot hen en zei: Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij; weent evenwel over uzelf en over uw kinderen.

29 Want zie, er komen dagen waarop men zal zeggen: Gelukkig de onvruchtbaren en de schoot die niet gebaard heeft en de borsten die niet gevoed hebben.

30 Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvels: Bedekt ons.

31 Want als men dit doet met het groene hout, wat zal er met het dorre gebeuren?

32 Ook anderen nu, twee boosdoeners, werden weggeleid om met Hem ter dood gebracht te worden.

33 En toen zij kwamen bij de plaats, Schedelplaats geheten, kruisigden zij Hem daar, en de boosdoeners, de een aan de rechter-en de ander aan de linkerzijde.

34 Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen. En om zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.

35 En het volk stond toe te zien. Ook de oversten beschimpten Hem en zeiden: Anderen heeft Hij verlost, laat Hij Zichzelf verlossen als Deze de Christus van God is, de Uitverkorene.

36 Ook de soldaten nu bespotten Hem, terwijl zij naderbij kwamen en Hem zure wijn aanboden,

37 en zeiden: Als U de koning der Joden bent, verlos Uzelf!

38 Nu was er ook een opschrift boven Hem: Deze is de koning der Joden.

39 Een van de gehangen boosdoeners nu lasterde Hem: Bent U niet de Christus? Verlos Uzelf en ons.

40 De andere echter antwoordde en bestrafte hem en zei: Vrees jij ook God niet, daar jij in hetzelfde oordeel bent?

41 En wij toch terecht, want wij ontvangen wat onze daden waard zijn. Deze echter heeft niets onbehoorlijks gedaan.

42 En hij zei: Jezus, denk aan mij, wanneer U in uw koninkrijk komt.

43 En Hij zei tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: vandaag zult u met Mij in het paradijs zijn.

44 En het was al ongeveer het zesde uur, en er kwam duisternis over het hele land tot het negende uur toe,

45 daar de zon ophield te schijnen. Het voorhangsel van het tempelhuis nu scheurde doormidden.

46 En Jezus riep met luider stem de woorden: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dit gezegd had, stierf Hij.

47 Toen nu de hoofdman zag wat er was gebeurd, verheerlijkte hij God en zei: Werkelijk, deze mens was rechtvaardig.

48 En al de menigten die waren samengekomen voor dit schouwspel, keerden terug toen zij hadden aanschouwd wat er was gebeurd, en sloegen zich op de borst.

49 Al zijn bekenden nu stonden op een afstand, ook de vrouwen die Hem waren gevolgd van Galilea, en zagen dit aan.

50 En zie, een man genaamd Jozef, die raadsheer was en een goed en rechtvaardig man

51 (deze had niet ingestemd met hun raad en handelwijze), van Arimathea, een stad van de Joden, die het koninkrijk van God verwachtte,

52 deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.

53 En toen hij het had afgenomen, wikkelde hij het in een stuk linnen en legde Hem in een uitgehouwen graf waarin nog nooit iemand was gelegd.

54 En het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan.

55 De vrouwen nu die met Hem waren meegekomen uit Galilea, volgden en bezagen het graf en hoe zijn lichaam werd gelegd.

56 Na hun terugkeer nu bereidden zij specerijen en balsems. En op de sabbat rustten zij naar het gebod.