Bijbel:Markus 8

Uit Christipedia
De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'hetwelk' → 'dat'; sommige woorden zijn anders vertaald.
Genesis (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 24 · 25
Exodus (inleiding), hoofdstuk: 19
Leviticus (inleiding), hoofdstuk: 21
Numeri (inleiding), hoofdstuk: 10 · 11 · 28 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36
Deuteronomium (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 30
Richteren (inleiding), hoofdstuk: 5
1 Samuël (inleiding), hoofdstuk: 1 · 20 · 29
Job (inleiding), hoofdstuk: 7
Psalmen (inleiding), hoofdstuk: 8 · 14 · 22 · 116 · 144
Spreuken (inleiding), hoofdstuk: 3 · 16
Jesaja (inleiding), hoofdstuk: 53 · 59
Ezechiël (inleiding), hoofdstuk: 31 · 32 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40
Daniël (inleiding), hoofdstuk: 7
Joël (inleiding), hoofdstuk: 2
Haggaï (inleiding), hoofdstuk: 2
Zacharia (inleiding), hoofdstuk: Zacharia 12
Mattheüs (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 12 · 16 · 17 · 18 · 24 · 25 · 26
Markus (inleiding), hoofdstuk: 8 · 12 · 14 · 15 · 16
Lukas (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 4 · 7 · 9 · 12 · 19 · 20 · 22 · 23
Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 7 · 8 · 10 · 11 · 12 · 13 · 19
Handelingen (inleiding), hoofdstuk: 6 · 7 · 16 · 17
Romeinen (inleiding), hoofdstuk: 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16
1 Korinthiërs (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 13 · 14 · 15
Galaten (inleiding), hoofdstuk: 3 · 6
Efeziërs (inleiding), hoofdstuk: 4
Filippenzen (inleiding), hoofdstuk: 3
Kolossenzen (inleiding), hoofdstuk: 2 · 3
1 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 5
2 Thessalonicenzen (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2
1 Timotheüs (inleiding), hoofdstuk: 2
Filemon (inleiding), hoofdstuk: tekst (er is geen hoofdstuk)
Hebreeën (inleiding), hoofdstuk: 1 · 2 · 10 · 11 · 13
Jakobus (inleiding), hoofdstuk: 2
1 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1
2 Petrus (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
1 Johannes (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3
Openbaring (inleiding), hoofdstuk: 1 · 3 · 5 · 6 · 7 · 8 · 12 · 13 · 16 · 19 · 21 · 22
Uit de Bijbelboeken, door de tabs aangegeven, worden elders op Christipedia geautomatiseerd citaten ontleend. De Bijbelboeken en hun hoofdstukken zijn hier nog niet alle opgenomen. De verzen zijn ontleend aan de Statenvertaling (Oude Testament) of de Telos-vertaling (Nieuwe Testament). De verzen uit de Statenvertaling zijn deels 'hertaald'; voorbeelden: 'Hij zeide' → 'Hij zei'; 'op denzelven' → 'daarop'; 'op den zevenden dag' → 'op de zevende dag'; enz.

Markus 8: 1 In die dagen, toen er opnieuw een grote menigte was en zij niets te eten hadden, riep Hij zijn discipelen bij Zich en zei tot hen:

2 Ik ben met ontferming bewogen over de menigte, want zij zijn al drie dagen bij Mij gebleven en hebben niets te eten;

3 en als Ik hen nuchter naar hun huis stuur, zullen zij onderweg bezwijken, en sommigen van hen komen van ver.

4 En zijn discipelen antwoordden Hem: Waarvandaan zal iemand dezen met broden kunnen verzadigen hier in een woestijn?

5 En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt u? Zij nu zeiden: Zeven.

6 En Hij beval de menigte te gaan zitten op de grond. En Hij nam de zeven broden, en nadat Hij had gedankt, brak Hij ze en gaf ze aan zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorzetten; en zij zetten ze de menigte voor.

7 En zij hadden enkele visjes; en nadat Hij had gezegend, zei Hij dat zij ook die moesten voorzetten.

8 En zij aten en werden verzadigd; en zij namen de overgeschoten brokken op, zeven manden.

9 Het waren er nu ongeveer vierduizend; en Hij stuurde hen weg.

10 En terstond ging Hij aan boord van het schip met zijn discipelen en kwam in de streek van Dalmanutha.

11 En de farizeeen liepen uit en begonnen met Hem te redetwisten en verlangden van Hem een teken uit de hemel, om Hem te verzoeken.

12 En Hij zuchtte diep in zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: aan dit geslacht zal zeker geen teken worden gegeven.

13 En Hij verliet hen, ging weer aan boord van het schip en ging weg naar de overkant.

14 En zij hadden vergeten broden mee te nemen, en behalve een brood hadden zij niets bij zich in het schip.

15 En Hij gebood hun en zei: Let op en kijkt uit voor het zuurdeeg van de farizeeen en voor het zuurdeeg van Herodes.

16 En zij overlegden onder elkaar en zeiden dat zij geen broden hadden.

17 En Hij merkte dit en zei tot hen: Waarom overlegt u dat u geen broden hebt? Begrijpt u nog niet en beseft u niet? Hebt u nog uw verharde hart?

18 Hebt u ogen en kijkt u niet, en hebt u oren en hoort u niet?

19 En herinnert u zich niet, toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend, hoeveel volle korven met brokken u opnam? Zij zeiden tot Hem: Twaalf.

20 En toen Ik de zeven brak voor de vierduizend, hoeveel volle manden met brokken u opnam? En zij zeiden tot Hem: Zeven.

21 En Hij zei tot hen: Beseft u nog niet?

22 En zij kwamen in Bethsaida; en zij brachten een blinde bij Hem en smeekten Hem deze aan te raken.

23 En Hij nam de blinde bij de hand en bracht hem buiten het dorp; en Hij spuwde op zijn ogen, legde zijn handen op hem en vroeg hem: Ziet u iets?

24 En hij keek op en zei: Ik zie de mensen, want ik zie ze als bomen wandelen.

25 Daarna legde Hij opnieuw zijn handen op zijn ogen en hij zag scherp. En hij was hersteld en zag alles duidelijk.

26 En Hij zond hem naar zijn huis en zei: Ga het dorp zelfs niet in.

27 En Jezus vertrok met zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea-Filippi. En onderweg vroeg Hij zijn discipelen en zei tot hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?

28 Zij nu zeiden Hem aldus: Johannes de doper; en anderen: Elia; en anderen: een van de profeten.

29 En Hij vroeg hun: U echter, Wie zegt u dat Ik ben? Petrus antwoordde en zei tot Hem: U bent de Christus.

30 En Hij waarschuwde hen dat zij het niemand zouden zeggen over Hem.

31 En Hij begon hun te leren dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten, de overpriesters en de schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.

32 En Hij sprak dit woord vrijuit; en Petrus nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen.

33 Hij keerde Zich echter om en terwijl Hij naar zijn discipelen keek, bestrafte Hij Petrus en zei: Ga weg, achter Mij, satan; want je bedenkt niet de dingen van God, maar de dingen van de mensen.

34 En Hij riep de menigte met zijn discipelen bij Zich en zei tot hen: Als iemand Mij wil navolgen, laat hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.

35 Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven zal verliezen ter wille van Mij en het evangelie, zal het behouden.

36 Want wat baat het een mens de hele wereld te winnen en zijn ziel erbij in te boeten?

37 Want wat zou een mens geven in ruil voor zijn ziel?

38 Want wie zich voor Mij en mijn woorden schaamt onder dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal ook de Zoon des mensen Zich schamen wanneer Hij komt in de heerlijkheid van zijn Vader, met de heilige engelen.