Job (boek)/Hoofdstuk 42

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Job (boek):


Hoofdstuk 42 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Job 42:1-2

Job 42:1  Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:  Job 42:2  Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. (SV)

Job 42:4

Job 42:4  Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

Vergelijk ook vers 3, waarin Job zijn onwetendheid beleed.

Job 42:3  Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

Eerder had God aan Job gevraagd Hem te onderrichten.

Job 42:5

Job 42:5  Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. (SV)

Nu ziet U mijn oog. Job zag God, dat is het Beeld van God, onze Heer Jezus Christus. Over het zien van God, zie God#God zien.

Job 42:10

Job 42:10  En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel. (SV)

Tot dubbel zoveel. Dat blijkt uit vers 12.

Job 42:11

Job 42:11  Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel. (SV)

Al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht hand. Dat de satan over hem gebracht had, onder Gods toelating en regering en beperking. Job aanvaardde het kwaad uit Gods hand.

Job 2:10  Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet. (SV)

Job 42:12

Job 42:12  En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen. (SV)

Toen het onheil hem en zijn huis trof, had jij (Job 1:3):

Zijn veestapel was dus verdubbeld (42:10 zegt 'dubbel zoveel')

Job 42:13

Job 42:13  Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren. (SV)

Een gelijk aantal en verdeling als in het eerst.

Job 42:14

Job 42:14  En hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Keren-happuch. (SV)

En hij noemde. Bij de geboorte dan wel, misschien, later, toen hun uitzonderlijke schoonheid (vers 15) uitkwam.

Jemima. Betekenis: "dag" of "duif".

Kezia. Betekenis: "kassie". Haar naam is ontleend aan de kassiastruik/boom. Zij is de enige vrouw in de Bijbel met deze naam. Kassie is een kostbare, welriekende specerij. De kleding van de messiaanse koning heeft onder andere de geur van kassie (Ps. 45:9).

Keren-happuch. Betekenis: "Make-uphoorn". Keren-Happuch is eigenlijk het doosje met make-up voor de ogen, een doosje dat van hoorn was en zwarte make-up bevatte, waarmee de Oosterse vrouwen de rand van de oogleden en de wenkbrauwen pleegden te beschilderen[1].

Job 42:15

Job 42:15  En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen. (SV)

Schone vrouwen. Uitwendige schoonheid van een mens is zeker niet het hoogste goed, deugdzaamheid is belangrijker, maar uitwendige schoonheid is wel een zegen van de Allerhoogste.

Job 42:15

Job 42:16  En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten. (SV)

Hij zag zijn kinderen. Het antitype van Job, onze Heer Jezus Christus, zou na zijn lijden zaad (geestelijke nakomelingen) zien en zijn dagen verlengen.

Jes 53:10  Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. (SV)

Voetnoot


  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).