Moab, Moabieten

Uit Christipedia
(Doorverwezen vanaf Moab)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Moab verwijst in de Bijbel naar de zoon van Lot of naar zijn nakomelingen, het volk van de Moabieten, hun land of rijk ten oosten van de Dode Zee.

Naam. De naam Moab betekent 'water van vader', in de zin van 'water, d.i. zaad, nakomelingschap van vader', van mo voor mai, 'water', en ab, 'vader'[1]; of 'uit vader (voortgekomen)'[2].

Moab, zoon van Lot

Moab was de zoon van Lot en zijn oudste dochter.

Ge 19:36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader. Ge 19:37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag. Ge 19:38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag. (SV)

Nageslacht van Sem

Van de man Moab wordt ons verder niets persoonlijks meegedeeld in de Bijbel.

Hij is de stamvader van de Moabieten, Gen. 19:37.

Moab (volk, land)

Moab is ook de naam van het volk der Moabieten, de nakomeling van Lots zoon Moab, hun land en rijk ten oosten van de Dode Zee. Num. 21: 10v, 29; 2 Kon. 3:21; Ps. 60:10; Jer. 48:4, 11,13v.

De Moabieten woonden ten oosten van de Dode Zee

De Moabieten behoren evenals de Israëlieten, Ismaëlieten, Edomieten, Midianieten en Ammonieten tot het nageslacht van Terah, de vader van Abraham.

Ammonieten zijn nageslacht van Abrahams vader Terah.

Goden. De voornaamste van hun goden was Kamos (of Kemos). 

Moab Wolters.jpg

Grondgebied. Het land van de Moabieten lang aan de oostzijde van de Jordaan. Het eigenlijke grondgebied strekte zich uit tot de beek Arnon, Num. 21:13, Richt. 11:18. Dit gebied valt tegenwoordig binnen de grenzen van de staat Jordanië. Toen de stam van Ruben zijn bezitting in het beloofde land verkreeg, was de natuurlijke stamgrens in het zuiden de Arnon, welke rivier de noordelijke grens van de Moabieten was, want zij waren naar het zuiden gedreven door de Amorieten vóór de komst van Israël.

Nu 21:13 ... de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten. (...) Nu 21:26 Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon. (...) Nu 21:28 Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, [en] de heren der hoogten van de Arnon. (SV)

De Israelieten namen niet de gebruikelijke hoofdweg door Moab, maar trokken om Moab heen.

Erfenis van Godswege. Toen de Israëlieten het beloofde land naderden, mochten ze Moab niet beangstigen noch bestrijden (Deut. 2:9). Mozes getuigde:

De 2:9 Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb. (SV)

Daarom trokken de Israeliëten oostelijk om het land Moab heen.

De vele ruïnes in het land van de Moabieten laten zien dat het land ooit volkrijk was. Het moet welvarend zijn geweest om jaarlijks de schatting van 100.000 lammeren en 100.000 rammen met de wol voor Israël op te brengen.

Godsspraken tegen Moab. Moab wordt door de profeten aan de kaak gesteld. Jes. 15-16, Jer. 48 en Zef. 2 bevatten profetieën tegen Moab.

Steden in Moab

De hoofdstad van Moab was Ar, ook genoemd Ar-Moab en Ar-Moabs. Het schijnt dat Ar een grensstad was, die aan de rivier Arnon lag.

De 2:18 heden trekt gij langs het gebied van Moab, te weten Ar (NBG51)

Een andere belangrijke stad was Kir-Haréseth (=schervenmuur), ook genoemd Kir in Moab, Kir-Moab (Jes. 15:1) of Kir-héres.

Andere steden der Moabieten zijn onder meer Dibon (= 'treurende'), Aroër (= 'heide'), Bozra (= 'Sterkte') en Horonaïm (= 'Dubbelholen').

Geschiedenis van Moab

Hieronder volgt de geschiedenis van Moab en van zijn betrekking tot Israël.

Verbod. De Moabieten noch de Ammonieten mochten komen in de gemeente van God (Deut. 23:3; Neh. 13:1).

Ne 13:1  Op die dag werd er voorgelezen uit het boek van Mozes voor de oren van het volk. Daarin werd voorgeschreven bevonden dat een Ammoniet of een Moabiet tot in eeuwigheid niet in de gemeente van God mocht komen, Ne 13:2 omdat zij de Israëlieten niet met brood en water tegemoetgekomen waren, en men Bileam tegen hen had ingehuurd om hen te vervloeken; onze God had de vloek echter veranderd in zegen. (HSV)

Balak en Bileam. De Moabieten waren echter vervuld met schrik toen ze hoorden dat de Amorieten waren geslagen door Israël. Balak, de koning van Moab, huurde Bileam in om Israël te vervloeken. Bileam werd gedwongen door God om Israël te zegenen in plaats van te vervloeken, maar hij gaf aan de Moabitische koning het advies om Israël te verzwakken door vermenging, wat lukte. Het laatste Bijbelboek herinnert aan deze valstrik:

Opb 2:14 Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israel een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren. (TELOS)

Graf van Mozes. Het was in een vallei in het land van Moab, dat Mozes in het geheim werd begraven (Deut. 34:6):

De 34:5 Alzo stierf Mozes, de knecht des HEEREN, aldaar in het land van Moab, naar des HEEREN mond. De 34:6 En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag. (SV)

Eglon. In de tijd van de richteren (rechters) gebruikt God koning Eglon van Moab om Israël te straffen, en zij dienden de Moabieten achttien jaar, maar toen riepen ze tot de Heer, verloste Hij ze door Ehud. De linkshandige Ehud doodde de zeer dikke koning Eglon met een tweesnijdend scherp zwaard, dat hij in diens buik liet zitten. Tienduizend van de Moabieten werden gedood (Richt. 3:12-30).

Ruth, de Moabitische, was de overgrootmoeder van koning David. 

Verschillend. De betrekkingen van Israël met de Moabieten waren verschillend. In de profetie van Jes. 16 is Moab is kenmerkend voor de wereld waarin het verworpen Israël wordt verborgen: Elimelech en Naomi vluchtten uit de hongersnood daarheen, en David, toen Saul hem vervolgde, vertrouwde zijn vader en moeder aan de koning van Moab toe (1 Sam. 22:3-4). Tijdens zijn latere bewind versloeg David de Moabieten en maakte hen schatplichtig (2 Sam 8:2; 1 Kron. 18:2)).

Salomo. Koning Salomo van Juda had enkele Moabietische vrouwen, voor wie hij in Jeruzalem de dienst van Kemos invoerde, de afgod van Moab (2 Koningen 23:13).

Nadat het land der Moabieten 60-70 jaren lang aan de scepter van het huis van David onderworpen geweest was, viel het bij de scheuring van het rijk in de 2e helft van de 10e eeuw v.C. de koningen van het Tienstammenrijk ten deel, en gaf het schatting van zijn kudden aan Samaria.

Aan deze cijnsplichtigheid onttrok zich echter de Moabitische koning Mesa bij de dood van Achab in het jaar 853 v.C. De veldtocht van de beide verbonden koningen Joram van Israël en Josafat van Juda tegen de Moabieten, welke in het daarop volgende jaar valt, had geen gewenst gevolg (2 Kon. 1:1; 3:4 vv.). Uit wanhoop offerde de koning van Moab zijn oudste zoon als brandoffer (2 Koningen 3:4-27).

Aanval op Juda ten tijde van Josafat. Enige jaren later, in de tijd van Josafat, koning van Juda, vielen de kinderen van Moab, Ammon en de bewoners van de berg Seir Juda aan, waarbij zij niets minder bedoelden dan een verdrijving van Gods volk. Hun aanval mislukte geheel: God trad tussenbeide, maakte de strijd tot de Zijne en deed Israëls vijanden elkaar aanvallen (2 Kron. 20:1-23).

Later maakten de eindeloze gevechten met de Syriërs voor het noordelijk rijk (Tienstammenrijk) het in bedwang houden van Moab en in ‘t algemeen van het gehele land ten oosten van den Jordaan onmogelijk. De daar aanwezige volken, waaronder Moab, verdrukten de Israëlitische bevolking en wreekten aan het verzwakte rijk Israël het verlies van hun zelfstandigheid (2 Kon. 10:32 v.; 13:20).

Eerst Jerobeam II (1e helft van de 8e eeuw v.C.) heroverde, gelijk de profeet Jona voorspeld had, het gehele gebied, van Haurath in het noorden tot aan de Dode Zee in het zuiden (2 Kon. 14:25 vv.), en de Moabieten bleven naar alle schijn rustig, totdat in de dagen van Pekah (2e helft 8e eeuw v.C.), koning van Israël, Israëls tweeënhalve stammen ten oosten van de Jordaan door de Assyrische koning Pul (Tiglath-Pilezer III) in ballingschap werden vervoerd (2 Kon. 15:29). De Moabieten maakten van de gelegenheid gebruik, om hun vroegere bezitting (Num. 21:30) terug te nemen. Ze zetelden zich in al de steden ten noorden van de rivier Arnon, die tot die tijd door de stammen van Ruben en Gad waren bevolkt geweest.

Deze is de stand van zaken, die wij bij de profetie van Jesaja tegen Moab (Jes. 15-16) aantreffen. In deze profetie toch is van Hesbon, Eléale, Jaëzer, enz. als Moabitische steden sprake, terwijl zij in Joz. 13:15 vv. (vgl. Num. 32:3 vv.) als steden der kinderen van Ruben en Gad voorkomen. Het ongeluk over deze nu Moabitische steden en over het eigenlijke gebied van Moab zuidelijk daarvan, aan gene zijde van de Arnon gelegen land, komt van het noorden, d.i. zonder twijfel van Assyrië en eindigt met een volkomen verdelging van die steden. De profetie eindigt met de woorden:

Jes 16:13  Dit is het woord, dat de HEERE tegen Moab gesproken heeft, van toen af.  Jes 16:14  Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen. (SV)

Wij weten niet wanneer de rekening van drie jaren in vs. 14 begint. Daarom kunnen wij ook niet zeggen, welke Assyrische koning (Salmaneser, Sargon II of Sanherib), die de Moabieten zozeer gestraft heeft. Als de profetie tegen Moab evenals de profetie tegen Filistea (die aan de profetie tegen Moab voorafgaat) in het sterfjaar van Achaz plaatsvond, dan eindigt de periode van 3 jaar kort voor de ondergang van Samaria en het Tienstammenrijk in 722 v.C. De katastrofe, die nog onder Jesaja volgde, was niet de gehele vervulling van zijn voorzegging. Later neemt Jeremia (2e helft 7e eeuw - 1e helft 6e eeuw v.C.) in hoofdstuk 48 van zijn Boek de profetie van Jesaja weer op. De profeet Zefanja (2e helft 7e eeuw v.C.) kondigde de verwoesting van Moab aan:

Sef 2:8 Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden der kinderen Ammons, waarmede zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale. Sef 2:9 Daarom, [zo] [waarachtig] [als] Ik leef, spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten. (SV)

De voorname volvoering van Jesaja's bedreiging bleef later voor de Chaldeeën bewaard; de volkomen vervulling van de bedreiging vindt Jesaja's profetie in Jeremia's tijd.

De Chaldeeën stonden de Moabieten eerst bij hun ondernemingen tegen Jeruzalem bij (2 Kon. 24:2 [{2Kon 24.2 }]). Later zochten de Moabieten de Judese koning Zedekia afkerig van de Chaldese koning Nebukadnezar te maken (Jer. 27:1 vv., vgl. 2 Kon. 24:20). Als met Zedekia verbondenen komen zij weer bij de verwoesting van Jeruzalem voor (Ezech. 25:8 vv.; Zef. 2:8 vv.). In het vijfde jaar daarna, zo verhaalt in de 2e helft van de 1e eeuw n.C. de Joodse geschiedschrijver Jozefus[3], beoorloogde Nebukadnezar de Moabieten en onderwierp ze geheel, waarna hun naam slechts zelden voorkomt en ten laatste geheel in die van de Arabieren verdwijnt.

De stele van Mesha

In 1868 werd een interessante gedenksteen (stele) ontdekt in Dibon (het tegenwoordige Dhiban in Jordanië). De steen bevat een inscriptie van 34 regels in Phoenicisch schrift. Toen de Arabieren bemerkten dat twee of drie naties de steen begeerden, dachten ze er meer voor te moeten krijgen door de steen in stukken aan te bieden. Daarom staken ze onder de steen een vuur aan en toen de steen verhit was, goten ze er koud water over, waardoor de steen brak. Tweederde van de brokstukken werd verworven en deze zijn te bezichtigen in Museum het Louvre te Parijs. Een papieren afdruk van de steen was genomen voordat de steen werd gebroken; de papieren afdruk is in het Brits Museum. 

De steen is door koning Mesa (of Mesha) van Moab gewijd aan Kemos, de god van Moab. De koning geeft toe dat Kemos boos was op zijn land, en dat Omri, de koning van Israël, het nam, en Omri en zijn zoon onderdrukte de Moabieten veertig jaar. Toen had Kemos medelijden met Moab, en de koning Mesa was in staat om enkele van de steden te redden, de mensen te doden en de buit te nemen. Hij bouwde andere steden, waarvan Mesa de namen geeft.

Zonder twijfel is de Mesa genoemd op de steen dezelfde als de Mesa genoemd in de Bijbel. De zoon van Omri is Achab.

2 Kon 3:4 Mesa nu, de koning der Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan den koning van Israël honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol. 2Kon 3:5 Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israël afviel. (SV)

Achab werd opgevolgd door Ahazia, maar deze viel Moab niet aan. Ahazia's bewind van twee jaar en het begin van de regeerperiode van Joram zou Mesa tijd gegeven hebben om zich te versterken tegen Israël en enkele van de perifere steden aan te vallen. De Schrift wordt dus bevestigd door dit interessante monument.

Toekomst

In het laatste der dagen zal Jahweh Moabs gevangenis wenden (Jer. 48:47).

Jer 48:47 Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe is Moabs oordeel. (SV)

In de toekomst zal de koning van het noorden in het land Israel binnenvallen en Moab, dat tegenwoordig binnen de landsgrenzen van Jordanië valt, zal ontkomen.

Da 11:40 En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken. Da 11:41 En hij zal komen in het land des sieraads, en vele [landen] zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons. (SV)

Moab, Edom en Ammon - tegenwoordig behorend tot Jordanië - zullen door Israël worden gestraft (Jes 11:14).

Jes 11:12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks. Jes 11:13 En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. Jes 11:14 Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen, [en] zij zullen te zamen die van het oosten beroven; [aan] Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. (SV)

Moab zal met zijn hoogmoed en listen (lagen) diep vernederd worden.

Jes 25:7  En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natiën bedekt zijn. Jes 25:8  Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.  Jes 25:9 En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. Jes 25:10  Want de hand des HEEREN zal op dezen berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest. Jes 25:11  En Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als een zwemmer [die] uitbreidt om te zwemmen, en Hij zal hun hoogmoed vernederen met de lagen hunner handen. Jes 25:12  En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, [ja], Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken. (SV)

Moab zal zich onderwerpen aan de regering van de Vredevorst, de zoon van David, onze Heer Jezus Christus. In Jesaja's profetie tegen Moab heet het:

Jes 16:4 Laat bij u vertoeven mijn verdrevenen, [van] Moab, wees u hun een schuilplaats voor het aangezicht van de verwoester; totdat de onderdrukker een einde heeft, de verwoesting is geëindigd, de vertreders zijn verdaan van de aarde. Jes 16:5 Want er zal een troon gevestigd worden in goedertierenheid, en daarop zal bestendig een zitten in de tent van David, een, die oordeelt en het recht zoekt, en snel is ter gerechtigheid. (CP[4])

Meer informatie

Over de stele van Mesha, zie artikel The Stela of Mesha, op Livius.org

Bronnen

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899). Tekst hieruit is vertaald en verwerkt.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 16:14. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 20 april 2020.

Voetnoten

  1. S.J. van Ronkel, Woordenboek der eigennamen, naar hunne eerste spelling en oorspronkelijke uitspraak met eene korte beschrijving de personen, landen en plaatsen, in het Oude Testament voorkomende, en voor het grootste gedeelte ook etymologisch behandeld. (Groningen: M. Smit, 1835) s.v. Moab. Van Ronkel was destijds hoofdonderwijzer aan een Joodse school en beëdigd vertaler.
  2. De voetnoot van de Herziene Statenvertaling bij Gen. 19: 37 zegt: "Moab betekent Moab iets als 'uit vader (voortgekomen". 
  3. Joodse Oudheden, 10:9,7.
  4. Vertaling of hertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling