Exodus 4

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Exodus zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Exodus: 1234524

Exodus 4 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

God laat Mozes wondertekenen doen, opdat de Israëlieten Mozes geloven: Mozes staf veranderd in een slang, die daarna weer een staf wordt (1-5). Mozes steekt zijn hand in zijn boezem en zij wordt melaats, hij steekt de melaatse hand terug in de boezem en zij wordt weer gezond (6-8). Water uit de rivier wordt bloed op het droge (9). Mozes zegt niet goed te kunnen spreken, waarop God zijn broer Aäron tot woordvoerder aanwijst (10-17). Mozes vertrekt met zijn vrouw en beide zonen naar Egypte (18-20). God vertelt hem wat hij tegen Farao moet zeggen (21-23). God dreigt Mozes te doden, waarop Zippora haar onbesneden zoon besnijdt (24-26). Aäron, door God geroepen, gaat naar Mozes en ontmoet hem aan de berg Horeb (27-28). Mozes en Aäron spreken tot de kinderen Israëls en doen de bevolen tekenen. De Israëlieten geloven en aanbidden God (29-31).

3

Ex 4:3  En Hij zeide: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vluchtte van haar. (CP[1])

De staf heeft een rol gespeeld in de verlossing van Israël uit Egypte. De staf misschien spreekt van Christus als de koning der Joden die leed aan het kruishout. Hij werd vernederd en veroordeeld tot de kruisdood (neerwerping van de staf), terwijl hij aan het kruishout tot zonde werd gemaakt (staf veranderd in een slang).

Mozes vluchtte van haar. Zo zal eens (het gelovige overblijfsel van) Israël vluchten voor de draak.

4

Ex 4:4  Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand. (SV)

De staf wordt hersteld, de slang verdwijnt.

Heb 2:14  Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, (Telos)

5

Ex 4:5  Opdat zij geloven, dat u verschenen is de HEERE, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob. (SV)

Dat u verschenen is.... Zie vers 1.

6

Ex 4:6  En de HEERE zeide verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, [wit] als sneeuw. (SV)

Melaatsheid is een zinnebeeld van de uitslag van een zondig hart.

Mt 12:34  Adderengebroed, hoe kunt u goede dingen spreken, terwijl u boos bent? Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond. (Telos)

Mt 15:19  Want uit het hart komen voort boze overleggingen, moorden, overspel, hoererijen, diefstallen, valse getuigenissen, lasteringen. (Telos)

Lu 6:45  De goede mens brengt uit de goede schat van zijn hart het goede voort, en de boze brengt uit de boze schat het boze voort; want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond. (Telos)

Israël zal eens verstaan dat de dood van de Messias een gevolg was hun zondig hart en nodig was om hun zondig hart.

Hnd 2:23  Hem, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt u door de hand van wettelozen aan het kruis gehecht en gedood. (Telos)

7

Ex 4:7  En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weder als zijn [ander] vlees. (SV)

De hand der zonde wordt bij het hart gebracht. Dit spreekt van diepgevoeld zondebesef, van hartelijk berouw. Ook dit zal Israël eens beleven, wanneer zij zullen beseffen dat door hun raad en daad, door hun 'handelen' de Messias is vernederd en gekruisigd. Zij zullen zich bekeren en in Jezus geloven. Dit zal hen rein maken voor God. De melaatsheid zal verdwijnen.

Jes 60:21  En uw volk zullen allen te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde. (SV)

9

Ex 4:9  En het zal geschieden, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren der rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, diezelve zullen tot bloed worden op het droge. (SV)

Jezus bood water des levens aan, maar wij mensen vergoten zijn bloed.

Joh 4:14  maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven. (SV)

Joh 6:35  Jezus zei tot hen: Ik ben het brood van het leven; wie tot Mij komt, zal nooit meer honger hebben; en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben. (SV)

Joh 7:37  En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken! (SV)

10

Ex 4:10  Toen zeide Mozes tot den HEERE: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen Gij tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong. (SV)

Mozes zegt dat hij nooit goed heeft kunnen spreken, ook niet nadat God tot Hem gesproken heeft.

17

Ex 4:17  Neem dan deze staf in uw hand, waarmee u die tekenen doen zult. (CP[1])

Deze staf. Die genoemd zal worden "de staf Gods" (20).

18

Ex 4:18  Toen ging Mozes heen, en keerde weder tot Jethro, zijn schoonvader, en zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broederen, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede! (SV)

Mozes verzwijgt, naar het schijnt, zijn ontmoeting met God, die hem zond naar Egypte.

Of zij nog leven. Mozes wist dat Aäron leefde, maar van het overige van zijn familie wist hij waarschijnlijk niets.

19

Ex 4:19  Ook zeide de HEERE tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weder in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten. (SV)

Deze openbaring doet denken aan de openbaring die Jozef, de (pleeg)vader van Jezus, ontving:

Mt 2:19   Toen nu Herodes was gestorven, zie, een engel van de Heer verscheen in een droom aan Jozef in Egypte Mt 2:20  en zei: Sta op, neem het kind en zijn moeder mee en ga naar het land Israel; want zij die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven.  Mt 2:21  En hij stond op, nam het kind en zijn moeder mee en kwam in het land Israël. (Telos)

20

Ex 4:20  Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland; en Mozes nam de staf Gods in zijn hand. (CP[1])

Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weer in Egypteland. Dit doet denken aan de tocht van Jozef en Maria naar Egypte.

Mt 2:13  Toen zij nu waren vertrokken, zie, een engel van de Heer verscheen in een droom aan Jozef en zei: Sta op, neem het kind en zijn moeder mee en vlucht naar Egypte, en wees daar totdat ik het u zeg; want Herodes zal het kind zoeken om het om te brengen. Mt 2:14  En hij stond op, nam het kind en zijn moeder ‘s nachts mee en vertrok naar Egypte. Mt 2:15  En hij was daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld werd wat door de Heer gesproken is door middel van de profeet, die zei’: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen’. (Telos)

De staf Gods. Waarmee Mozes de wondertekenen van God zou doen (17).

21

Ex 4:21  En de HEERE zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. (SV)

Al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb. Niet slechts die drie (vs.2-9), maar ook alle andere, die God hem verder bevelen zal.

Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan. Tienmaal heet het: "God heeft farao verstokt (Ex.4:21; 7:4; 9:12; 10:1, 20, 27; 11:10; 14:4,8,17); even zo dikwijls wordt ook gezegd, dat farao zijn hart verstokte (Ex.7:13,14,22; 8:15,19,32; 9:7,34,35; 13:15).

22

Ex 4:22  Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. (SV)

Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël. Zie ook vers 23. Wat een verheven plaats geeft God aan het kleine, zwakke en gebrekkige volk Israël! De woorden "Mijn zoon, Mijn eerstgeborene" zijn op het hoogst, volmaakt belichaamd door onze Heer Jezus Christus.

24

Ex 4:24  En het geschiedde op de weg, in de herberg, dat de HEERE op hem aanviel, en zocht hem te doden. (CP[1])

Na het doodsdreigement aan Farao blijkt dat ook Mozes gevaar loopt door God gedood te worden. Uit het vervolg blijkt dat dit doodsgevaar samenhing met de onbesnedenheid van Mozes' eerste of tweede zoon. Daar lag de oorzaak[2]. In het voorafgaande had God het voor Farao bestemde doodsdreigement aangaande diens eerstgeborene meegegeven aan Mozes.

Op hem aanviel. Statenvertaling: hem tegenkwam. In het Hebreeuws staat: "viel op hem aan"[3]. Op welke wijze is niet bekend. We weten uit vers 26 ("En Hij liet van hem af") dat het een korte tijd duurde. Waarschijnlijk werd het Mozes in zijn benauwdheid duidelijk dat de onbesnedenheid van zijn zoon Gersom de oorzaak was. Als nakomeling van Abraham had hij de godsdienstige plicht om zijn zoon te besneden, hem het teken van het verbond te geven (Gen. 17:9v).

Ge 17:9  Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten.  Ge 17:10  Dit [is] Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk [is], u besneden worde. (...) Ge 17:12  Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk [is] in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad; (...)  Ge 17:14  En wat mannelijk [is], de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken. (SV)

Voordat Mozes Farao kon wijzen op diens plicht ten aanzien van Gods zoon, moest hij eerst zijn eigen plicht jegens zijn eigen zoon vervullen. De besnijdenisplicht werd later veronachtzaamd door het volk Israël tijdens de woestijntocht. Voordat Jozua het land Kanaän kon veroveren, moesten de mannen van Israël besneden worden, hetgeen in Gilgal plaatsvond.

Merk op dat God niet op Eliëzer (of Gersom) aanvalt (vgl. Gen. 17:14), maar op hun vader aanvalt, die blijkbaar aansprakelijk wordt gehouden.

25

Ex 4:25  Toen nam Zippora een stenen [mes] en besneed de voorhuid van haar zoon, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Voorwaar, u bent mij een bloedbruidegom! (CP[1])

Haar zoon. Wellicht de tweede zoon, Eliëzer. Een uitlegger verklaart: "Uit toegevendheid aan zijn Midianitische vrouw, had hij de besnijdenis van zijn zoon, wellicht van zijn tweede, nagelaten. En de besnijdenis was het teken van het Verbond. Uit kracht van dat Verbond zou Israël verlost worden. Op dit verbond zou Mozes het volk van Israël wijzen. Maar dan moest hij zelf niet iemand zijn, die omtrent de tekenen van dat Verbond in zijn eigen huis nalatig was geweest."[4]

Bloedbruidegom! Ook in vs. 26. Daaruit klinkt ons afschuw tegemoet. Waarschijnlijk verrichtte zij met grote tegenzin de besnijdenis, omdat Mozes dat eiste.

30

Ex 4:30  En Aäron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks. (SV)

Hij. Niet Aäron, maar Mozes.

De tekenen. Deze waren 1. de verandering van zijn staf in een slang, en de slang weer in een staf; 2. zijn hand in en uit zijn boezem, die melaats werd en weer gezond; 3. water uit de rivier in bloed veranderen.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op Ex. 4:21 is onder wijziging verwerkt op 3 apr. 2021.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. "De oorzaak is uit het verband duidelijk," zegt Van Griethuijsen, in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  4. Van Griethuijsen, in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Ex. 4:24