Exodus 15

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Exodus 15 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd. De volgende hoofdstukken van Exodus zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Exodus: 1234567891011121314151617181920212224

Samenvatting

De lofzang van Mozes en van de kinderen Israëls, voor hun verlossing en Farao's ondergang in de Schelfzee (1-19). Mirjam en de Israëlitische vrouwen antwoorden hierop, ook God lovend voor deze verlossing (20-21). De Israëlieten komen in de woestijn Sur en vinden geen drinkbaar water; te Mara is het water bitter (22-23). Het volk mort (24). Mozes wordt een hout aangewezen, dat het water zoet maakt (25). God geeft hun wetten, en doet hun vaderlijke beloften (26). Te Elim vinden zij twaalf waterputten en zeventig palmbomen (27).

1

Ex 15:1  Toen zong Mozes en de kinderen Israëls de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal de HEERE zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. (CP[1])

Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. Zie 14:27. De Egyptenaars hadden de nieuwgeboren jongetjes van Israël in het water van de Nijl geworpen, maar de God der wrake heeft het leger van Egypte in het water van de Schelfzee geworpen.

Hij is Hoog verheven. Zie vzn. 21, 7.

Mirjam zal antwoorden:

Ex 15:21  Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! (SV)

2

Ex 15:2  De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem verheerlijken; Hij is mijns vaders God, daarom zal ik Hem verheffen! (CP[1])

De HEERE is mijn Kracht. Het Egyptische leger was overwonnen, niet door de kracht van Israël of van Mozes. Immers, God had gestreden.

Ex 14:14  De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. (SV)

Hij is mij tot een Heil geweest.

Ex 14:13  Doch Mozes zei tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil van Jahweh, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die u heden gezien hebt, zult u niet weer zien in eeuwigheid. (CP[1])

Daarom zal ik Hem verheerlijken. In het Hebreeuws ואנוה, weanweehoe. Onze Statenvertalers hebben vertaald: "Daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken". Beter is de vertaling: "Ik zal Hem verheerlijken". Het werkwoord heeft de hifil-vervoeging[2] en betekent dan: mooi maken, verfraaien, versieren. "Ik zal Hem verheerlijken" vertalen de LXX, de Vulgata, Piscator en Calvijn. Anderen houden zich aan de vertaling van "woning maken." NBG51-vertaling, HSV: "Hem verheerlijk ik".

Deze is mijn God... Hij is mijns vaders God. Onder alle goden van Egypte was er geen waarvan Mozes dat kon zeggen. De God van zijn vader Amram was zijn God.

Daarom zal ik Hem verheffen. God - Hem, die reeds hoog verheven is (vs. 1) - groot maken, zijn heerlijkheid doen uitkomen.

3

Ex 15:3  De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam! (SV)

Krijgsman. In het Hebreeuws een uitdrukking met twee woorden: "man" en "krijg (oorlog, strijd)", dus "man van krijg", "krijgsman", "man van strijd", "man van oorlog". De Deze combinatie komt hier voor het eerst in de Schrift voor. De NBG51-vertaling heeft "krijgsheld"; de Herziene Statenvertaling: "Strijder"; Het Boek: "oorlogsheld".

Mozes had tevoren geweten: God zal voor ons strijden tegen de Egyptenaren en hen overwinnen.

Ex 14:14  De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. (SV)

Tijdens de strijd kwamen de Egyptenaren tot het besef dat de God van Israël tegen hen streed:

Ex 14:25  En Hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht van Israël, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. (SV)

De combinatie van de Hebreeuwse woorden komt ook later in de Bijbelse geschiedenis voor. David was een krijgsman:

1Sa 16:18  Toen antwoordde een van de jongelingen, en zeide: Zie, ik heb gezien een zoon van Isaï, den Bethlehemiet, die spelen kan en hij is een dapper held, en een krijgsman en verstandig in zaken, en een schoon man, en de HEERE is met hem. (SV)

Koning Saul zei tot David dat Goliath een krijgsman was van kindsbeen af.

1Sa 17:33  Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af. (SV)

In het laatste Bijbelboek komt de Heer Jezus terug als krijgsman, de aanvoerder van de hemelse legermacht (Opb. 19). En de laatste opstand, aan het eind van het 1000-jarig vrederijk, wordt door God neergeslagen met vuur uit hemel.

6

Ex 15:6  O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken! (SV)

Uw rechterhand. Zie vzn. 12 en 16. Mozes moest op Gods aanwijzing zijn rechterhand gebruiken.

Ex 14:16  En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge. (...) Ex 14:21  Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. (...) Ex 14:26  En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters. (SV)

Maar Mozes roemde niet in zijn eigen hand, maar roemde Gods rechterhand.

7

Ex 15:7  En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandende toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel. (CP)

Uw grote hoogheid. Zie vzn. 1 en 21: "Hij is hogelijk verheven".

Uw brandende toorn, die hen verteerd heeft... Een ander beeld, dat van vuur. Onze God is een verterend vuur. God leidde het volk in een wolk- en vuurkolom (13:22; 14:24).

Heb 12:28  Laten wij dus, daar wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, de genade vasthouden, en laten wij daardoor God dienen op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag. Heb 12:29  Immers onze God is een verterend vuur. (Telos)

8

Ex 15:8  En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stijf geworden in het hart der zee. (SV)

Door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden. Hoewel Mozes gemerkt had een oostenwind de wateren had gekliefd, weet hij dat deze wind door God gezonden is, van God afkomstig is, alsof God door zijn neus geblazen had. De wind is Gods wind: "U hebt met Uw wind geblazen" (vs. 10)

Naturalisten beperken zich helaas tot de oostenwind en missen het zicht op het werk van God.

10

Ex 15:10  U hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren! (CP[1])

U hebt met Uw wind geblazen. De wind door God gezonden en bestuurd. Zie vs. 8.

11

Ex 15:11  O HEERE! wie is als U onder de goden? wie is als U, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder? (CP[1])

Wie is als U onder de goden? Hij is groter dan de goden van Egypte.

12

Ex 15:12  U hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden! (CP[1])

U hebt uw rechterhand uitgestrekt. Zie vs. 6 en vs 16 ("de grootheid van Uw arm").

13

Ex 15:13  U leidde door Uw weldadigheid dit volk, dat U verlost hebt; U voert hen zachtjes door Uw sterkte naar uw heilige woning. (CP[1])

Naar uw heilige woning. Er was nog geen tentwoning van God (tabernakel) in de woestijn noch een huis van God in Jeruzalem. Jakob had in Kanaän de hemel geopend gezien, en de plaats waar hij geslapen had en het hemelse gezicht had gezien, had hij genoemd 'poort van de hemel' en 'huis van God' (Bethel) (Gen. 28). Het is of Mozes verlangen uitstijgt boven de aardse verwachting van terugkeer naar het land Kanaän. Mozes heeft later het land Kanaän alleen van verre gezien, zonder er ooit een voet op te zetten. God nam hem in de hemel op.

Abraham verwachtte een stad waarvan God ontwerper en bouwmeester is (Hebr. 11:10). Van oudtestamentische gelovigen wordt gezegd dat zij naar een hemels vaderland verlangden.

Heb 11:16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid. (Telos)

14

Ex 15:14  De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Filistea bevangen. (CP[1])

Mozes voorziet de reactie van de omringende volken, wanneer zij de uitredding van Israël en de vernietiging van het Egyptische leger vernemen.

De volken hebben het gehoord. Zie ook volgende verzen. Deze vreeswekkende gebeurtenis is gegrift in het geheugen van de Kanaänieten. De hoer Rachab te Jericho wist er veertig jaar later, bij de intocht door het volk Israël in het beloofde land, ook van.

Joz 2:9  En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn. Joz 2:10  Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt. Joz 2:11  Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de HEERE, ulieder God, is een God boven in den hemel, en beneden op de aarde. (SV)

16

Ex 15:16  Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat uw volk, HEERE! voorbijtrekt; totdat het volk voorbijtrekt dat U verworven hebt. (CP[1])

De grootheid van Uw arm. Zie ook vzn. 6 en 12. En 14 vers 31 ("grote hand"):

Ex 14:31  Ook zag Israël de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht. (SV)

Totdat het volk voorbijtrekt. De gedachte is misschien: voorbijtrekt op weg naar Kanaän.

Verworven hebt. Het gebruikte Hebreeuwse werkwoord wordt meestal vertaald door 'kopen'. Bijvoorbeeld in de NBG51-vertaling: 48x 'kopen', 13x 'verwerven'.

17

Ex 15:17  Die zult U inbrengen, en planten hen op de berg van Uw erfenis, ter plaatse, welke U, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o HEERE! (SV)

Die zult u inbrengen. Ter plaatse waar God woont. Zie vers 13.

Op de berg van Uw erfenis. De berg is een zinnebeeld van een verheven plaats. God Zelf is "hoog verheven", zingen Mozes (vs. 1) en Mirjam (vs. 21).

Merk op dat aarde (de berg Sion) en hemel (het hemelse Jeruzalem) bij elkaar komen in dit nieuwtestamentische vers:

Heb 12:22  maar u bent genaderd tot de berg Sion; en tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem; en tot tienduizenden van engelen, (Telos)

Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben. Paulus zei tot mannen van Athene:

Hnd 17:24  De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat daarin is, Hij die Heer is van hemel en aarde, woont niet in met handen gemaakte tempels, (Telos)

2Co 5:1  Want wij weten, dat als onze aardse tent waarin wij wonen, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, een eeuwig huis, in de hemelen. (Telos)

Heb 9:11  Maar Christus, gekomen als hogepriester van de komende goederen, door de grotere en volmaaktere tabernakel, niet met handen gemaakt (dat is niet van deze schepping), (Telos)

Heb 11:16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels vaderland. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid. (Telos)

18

Ex 15:18  De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren! (SV)

De Heer Jezus zal zijn heerschappij aanvaarden tijdens de zevende jaarweek van Daniël en bij zijn wederkomst op aarde zijn koninkrijk vestigen. Aan zijn heerschappij zal geen einde komen.

Ons vers schijnt de laatste regel van het lied te zijn, zie vers 19.

19

Ex 15:19  Want Farao’s paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israëls zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. 

Dit vers schijnt buiten het lied te vallen en de aanleiding tot het lied te herhalen. Indien dit het geval is, eindigt het lied met vers 18.

21

Ex 15:21  Toen antwoordde Mirjam hun: Zingt de HEERE; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! (CP[1])

Vgl. vers 1:

Ex 15:1  Toen zong Mozes en de kinderen Israëls de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal de HEERE zingen; want Hij is hoog verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. (CP[1])

25

Ex 15:25  Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het [volk] een inzetting en recht, en aldaar stelde Hij het op de proef, (CP[1])

Aldaar stelde Hij het [volk] een inzetting en recht. Nadat God Zijn volk door gebrek aan water had beproefd, liet Hij hen tegelijk door Zijn woord vermanen, om in het vervolg meer gewillig en gehoorzaam zich aan Zijn heerschappij te onderwerpen. Zoals de Heere tot Abraham kwam, na de geschiedenis met Hagar, om hem te vermanen oprecht voor Hem te wandelen, alzo komt de Heere hier ook tot zijn volk, om het te bepalen bij hun dure roeping, om de Heere te gehoorzamen, en om hen erop te wijzen, dat de Heere met hen zal handelen in een weg van wonderbare bewaring en van wonderbare uitredding.

Aldaar stelde Hij het op de proef. Waren de Israëlieten, nu zij zich van het juk van de Egyptische dienstbaarheid verlost zagen, geneigd om Hem te dienen, en zich te enenmale op Zijn voorzienigheid te verlaten, of waren zij anders gezind?

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Ex. 15:25. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 16 juli 2021.

Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Ex. 15 is onder wijziging verwerkt op 7 aug. 2021.

Voetnoot

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 1,11 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Zie https://en.wikipedia.org/wiki/Modern_Hebrew_verbs#Stems