Richteren 14

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Richteren zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Richteren, hoofdstuk: 12345678910111213141516171821

Hoofdstuk Richteren 14 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Simson wil een Filistijnse uit Timna huwen (1-4), verscheurt op weg daarheen een leeuw, verlooft zich met het meisje, neemt, als hij ter bruiloft gaat, uit het dode lichaam honing en ontleent daaraan een raadsel, dat hij dertig mannelijke gasten opgeeft (5-14). Als zij dit met behulp van zijn vrouw geraden hebben, slaat hij dertig Filistijnen dood, om met hun kleren de inzet te betalen, en verlaat zijn vrouw, die daarna aan een andere man wordt gegeven (15-20).

1

Ri 14:1  En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen, (SV)

Thimnath. Of Timna, zie Timna (plaats). Een stad in het erfdeel van Dan. Deze stad was door Filistijnen bewoond, hetzij dat de Danieten haar nimmer ingenomen, hetzij dat de Filistijnen haar weer bemachtigd hadden.

Richteren-Access Foundation.jpg
Ligging van Timna (Engels: Timnah).

2

Ri 14:2  Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neem mij die tot een vrouw. (SV)

Ging hij opwaarts. Terug, naar de hoger gelegen stad Zorah, de stad van zijn woning, waar ook zijn ouders woonden.

Neem mij die tot een vrouw. Ook in vs. 3: "Neem mij die". Daarvoor moesten de ouders (of vader) van Simson onderhandelen met de ouders van de Filistijnse vrouw.

4

Ri 14:4  Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van de HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël. (CP[1])

Dat dit van de HEERE was. Zij wisten niet dat er behalve liefde nog een tweede bedoeling bij hun zoon was, namelijk, dat hij gelegenheid zocht van of, wegens de Filistijnen, gelegenheid om met hen in persoonlijke aanraking te komen; hij liet toch altijd zijn daden voorkomen als gevolg van persoonlijke wraakzucht, misschien opdat zijn volk daarvoor niet zou moeten boeten. Die aanleiding zocht hij, de verdrukking van de zijnen moe.

Want de Filistijnen heersten in die tijd over Israël. Reeds 18 jaar.

6

Ri 14:6  Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem van een scheurde, gelijk men een bokje van een scheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had. (SV)

De leeuw viel hem aan en Simson versloeg hem. De verleiding die hem noodlottig zou worden haakte aan bij de begeerte van zijn ogen en van zijn vlees. Hij had afstand moeten houden tegenover de Filistijnse vrouwen. Simson is bezweken onder de emotionele druk van het huilend aandringen door Filistijnse vrouwen.

7

Ri 14:7  En hij kwam af, en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen. (SV)

Zij beviel in Simsons ogen. Ook volgens vs. 3. Nu hij haar iets meer had leren kennen, beviel zij hem nog steeds.

9

Ri 14:9  En hij nam die in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun [daarvan], en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij de honig uit het lichaam van de leeuw genomen had. (CP[1])

Doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij het lichaam van de leeuw genomen had. Een Nazireeër mocht geen dood lichaam aanraken. Mogelijk heeft Simson dat vermeden door alleen de honing(raat) aan te raken. Maar ook is mogelijk dat hij wel het karkas heeft aangeraakt en daarom het voorval aan zijn ouders heeft verzwegen.

10

Ri 14:10  Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo bereidde Simson aldaar een feestmaal, want alzo plachten de jongelingen te doen. (CP[1])

Een feestmaal. Statenvertaling: 'bruiloft'. Het Hebreeuwse naamwoord is משׁתה, misjteh = 'feest, drinkgelag, feestmaal'[2], van het werkwoord שׁתה, sjathah = 'drinken of dronken worden'. Wellicht heeft Simson zelf zich onthouden van de wijn of sterke drank.

14

Ri 14:14  En hij zei tot hen: Spijze ging uit van de eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. En zij konden dat raadsel in drie dagen niet verklaren. (CP[1])

De eter. De leeuw, zinnebeeld van satan die als een leeuw zoekt wie hij zou kunnen verslinden.

1Pe 5:8  Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden. (Telos)

15

Ri 14:15  Daarna geschiedde het op de zevende dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklaart, opdat wij niet misschien u, en het huis van uw vader, met vuur verbranden. Hebben jullie ons genodigd, om het onze te bezitten; is het niet zo? (CP[1])

U, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hetgeen zij later zullen doen om een andere oorzaak.

18

Ri 14:18  Toen zeiden de mannen der stad tot hem, op de zevende dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honig? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zeide tot hen: Als u met mijn kalf niet had geploegd, zoudt u mijn raadsel niet hebben uitgevonden. (CP[1])

Als u met mijn kalf niet had geploegd. Dit is beeldspraak. Ploegend doorsnijdt men de aarde, en zodoende ziet men wat onder de oppervlakte verborgen is. Dit deed men oudtijds met kalveren of jonge runderen. Simsons metgezellen hadden met zijn kalf geploegd: zij hadden jonge vrouw gebruikt om, met tranen en vleierijen‚ als het ware, bij aanhoudendheid, op zijn gemoed te ploegen, en daardoor was hun het verborgene van zijn hart openbaar geworden.

19

Ri 14:19  Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis. (SV)

Askelonieten. De bewoners van Askelon, een stad behorend tot het erfdeel van Juda, maar welke de Filistijnen blijkbaar naderhand weer bemachtigd hadden.

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt. 14:4. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 4 juni 2021.

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Richt. 14 is onder wijziging verwerkt op 8 juni 2021.

J. van Nuys Klinkenberg, De Bijbel, door beknopte uitbreidingen en ophelderende aanmerkingen, verklaerd. Vijfde deel. Amsterdam, 1782. Commentaar bij Richt. 14: 1-2, 18-19. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 19 juli 2021.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Hebreeuws-Nederlands Lexicon; op basis van Strong-coderingen. Onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia. Het is gebaseerd op het Engelstalige Online Bible Hebrew-Englisch Lexicon van Larry Pierce.