Richteren 1

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Richteren zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Richteren: 12345671516

Hoofdstuk Richteren 1 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Na de dood van Jozua vragen de Israëlieten aan God welke stam het eerst tegen de Kanaänieten moet strijden. Het antwoord is: Juda. (1-2). De Judeeërs, met de Simeonieten verbonden, verslaan de Kanaänieten bij Bezek verslaan (3-4); zij nemen Adoni-bezek gevangen, verminken hem naardat hijzelf zijn vijanden gedaan had, en nemen hem naar Jeruzalem mee, van welke stad zij zich meester maken (5-8). Zij beoorlogen daarna de Kanaänieten in verschillende delen van Zuid-Kanaän, en trekken op tegen Hebron en Debir (9-11). De laatste plaats wordt ingenomen door Othniël, Kalebs neef, die tot loon Kalebs dochter tot vrouw krijgt; deze vraagt en verkrijgt van haar vader een bruidschat (12-15). De Kenieten trekken met Juda mee en vestigen zich bij Harad. Juda en Simeon veroveren Zefat; Juda het land van Gath, Askelon en Ekron; het is wel in staat het gebergte in bezit te nemen, maar niet, de bewoners der vlakke streken te overwinnen; Hebron wordt aan Kaleb gegeven (16-20). De Benjaminieten verdrijven de Jebuzieten niet (21). Het huis Jozef neemt Bethel in (22-26). Opgave der steden die niet veroverd zijn door Manasse (27-28), Efraïm (29), Zebulon (30), Aser (31-32) en Naftali (33). De Amorieten dringen de Danieten in het gebergte terug, maar worden zelf door het huis Jozef onderworpen (34-35.). Hoe het gebied der Amorieten begrensd is (36).

3

Ri 1:3  Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaänieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem. (SV)

Lot. Erfenis die door werping van het lot ten deel is gevallen.

16

Ri 1:16  De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk. (SV)

Met het volk. Van de Judeeërs.

18

Ri 1:18  Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale. (SV)

Gaza, Askelon, Ekron. Dit zijn steden van de Filistijnen.

19

Ri 1:19  En de HEERE was met Juda, dat hij [de] [inwoners] van het gebergte verdreef; maar hij [ging] niet [voort] om de inwoners van het dal te verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden. (CP[1])

Het dal. Of: "de vlakte" (NBG51), "de laagte", "de laagvlakte" (NBV2004), "de vallei" (NaB), "de lager gelegen kuststrook" (GNB).

25

Ri 1:25  En als hij hun de ingang van de stad gewezen had, sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar die man en zijn hele huis lieten zij gaan. (CP)

Maar die man en zijn hele huis lieten zij gaan. Vergelijk het lot van Rachab in Jericho, die eveneens met haar familie gespaard bleef.

Bron

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Richteren 1 is onder wijziging verwerkt op 15 april 2021.

Voetnoot

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.