Richteren 8

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

De volgende hoofdstukken van Richteren zijn op Christipedia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd:

Richteren, hoofdstuk: 12345678910111213141516

Hoofdstuk Richteren 8 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De Efraïmieten murmureren tegen Gideon, maar worden door hem gestild (1-3). Hij vervolgt de twee koningen der Midianieten over de Jordaan, waar de inwoners van Sukkoth en Pnuël smadelijk weigeren zijn leger te spijzigen (4-10). Hij overvalt en vangt de twee koningen der Midianieten en verstrooit hun overige manschappen (11-12). Teruggekomen straft hij de oudsten van Sukkoth en doodt de inwoners van Pnuël (11-17). Hij doodt de twee koningen, Zeba en Tsalmuna (18-21). Gideon weigert heer te zijn over de noordelijke stammen (22-23). Hij eist een geschenk van de roof, en maakt daarvan een ergerlijke Efod, en stelt die te Ofra (24-27). Het land heeft 40 jaren rust (28-29). Gideons zonen, vrouwen, dood en begrafenis (30-32). Israël wordt weer afvallig van God, en is ondankbaar tegenover Gideons huis (33-35).

1

Ri 8:1  Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. (SV)

Hetzelfde verwijt van de Efraïmieten zal later de richter Jefta treffen, na diens overwinning over de Ammonieten.

2

Ri 8:2  Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? (SV)

Abiëzer. Gideon was een Abiëzriet.

4

Ri 8:4  Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende. (SV)

Ging hij over. Naar de oostelijke oever van de Jordaan. De route wordt aangeduid door de gele lijn hieronder.

Gideon strijd Midian-Access Foundation.jpg

7

Ri 8:7  Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen. (SV)

Uw vlees dorsen. Pijnigen.

10

Ri 8:10  Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. (SV)

Omtrent vijftien duizend. Waarschijnlijk, gezien het feit dat Zebah en Tsalmanu Midianieten waren (vs. 12), waren hier ook Midianieten bij.

Het ganse leger der kinderen van het oosten. Dit was een deel van het multi-etnische leger.

Ri 6:33  Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël. (SV)

Het gehele leger van de kinderen van het oosten was te voren 120.000 + 15.000 = 135.000 man sterk was.

De gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen. Zo velen waren er gedood, zowel in de verwarring (Richt. 7:22) als bij de nederlagen, die de Efraïmieten hun hadden aangedaan (Richt. 7:25 ).

16

Ri 8:16  En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan. (SV)

Door dezelve verstaan. Door de doornen en distelen. Door hun lichaam ermee te prikken.

Ri 8:7  Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen. (SV)

Hoe gebeurde dat dorsen? Een mening zegt: door geselen; Gideon "laat de (militaire) leiders en oudsten van Sukkoth (77 man) geselen met woestijndorens en distelen"[1].

20

Ri 8:20  En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was. (SV)

Jether, zijn eerstgeborene.

Geslachtslijn
Jozef
 
 
 
 
 
Manasse
 
 
 
...
 
 
 
Abiëzer
 
 
 
...
 
 
 
Joas
 
 
 
 
Gideon
 
 
 
 
 
 
 
Jether
 
 
 
 
Abimelech
 
 
 
 
Jotham
 
 
 
 
overige zonen
 

21

Ri 8:21  Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren. (CP[2])

En nam de maantjes, die aan de halzen van hun kamelen waren. Deze maantjes waren maanvormige sieraden van zilver en goud, die aan de halzen van hun kamelen waren en hem als buit ten deel vielen. Gideon neemt de maantjes af, waaruit blijkt dat Zebah en Tsalmuna tot zo lang als koninklijke gevangenen behandeld zijn en dat de maantjes hier bijzondere tekenen van de koninklijke waardigheid waren (vgl. vs. 26)[3]. Wellicht hielden ze verband met de verering van de maan.

23

Ri 8:23  Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. (SV)

Mijn zoon. Misschien heeft Gideon aan Jether, zijn eerstgeborene (vs. 20), gedacht, maar hij heeft veel meer zonen gehad.

24

Ri 8:24  Voorts zei Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar eenieder een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, daar zij Ismaëlieten waren. (CP[2])

Daar zij Ismaëlieten waren. Ismaëlieten is de algemene naam voor de nomadische volken, die in de woestijn van Arabië woonden. Tot hen behoorden ook de Midianieten[3].

26

Ri 8:26  En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd [sikkelen] gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. (SV)

Maantjes. Zie vs. 21.

27

Ri 8:27  En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israël hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. (SV)

Efod. Hogepriesterlijke lijfrok, zie Efod.

28

Ri 8:28  Alzo werden de Midianieten te ondergebracht voor het aangezicht der kinderen Israëls, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. (SV)

Het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.

1544 - 1347 v.C. < Israël 1340 - 1042 v.C.[4] > 1050 - 950 v.C.
SamuëlSimsonAbdonElonEbzanJeftaJaïrTolaAbimelechGideonSiseraEhudOthniël

29

Ri 8:29  En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis. (SV)

Jerubbaäl. Andere naam van Gideon (zie vs. 35).

30

Ri 8:30  Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heup voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. (CP[2])

Zeventig zonen. De namen van de zonen worden niet genoemd, behalve Jether en Abimelech met het oog op hetgeen aangaande dezen wordt bericht.

31

Ri 8:31  En zijn bijvrouw, die te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. (CP[2])

Zijn bijvrouw, die te Sichem was. Een dienstmaagd die hij tot bijvrouw aangenomen had (Richt. 9:18).

Ri 9:18  Maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis mijns vaders, en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op een steen gedood; en gij hebt Abimelech, een zoon zijner dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broeder is); (SV)

Zij was te Sichem, woonde er, mogelijk in het huis van haar vader. Volgens de historicus Josefus heette zij Duma. Vermoedelijk lag Ofra, waar Gideon woonde (vgl. 9:5), ten noordoosten van Sichem, zie Ofra. Abimelech zei later tegen de inwoners van Sichem: Ik ben uw been en uw vlees (9:2). In Sichem woonden ook de broers van Gideon.

Ri 9:1  Abimelech nu, de zoon van Jerubbaal, ging henen naar Sichem, tot de broeders zijner moeder; en hij sprak tot hen, en tot het ganse geslacht van het huis van den vader zijner moeder, zeggende: (SV)

Baarde hem ook een zoon. Boven (vgl. 9:2) de genoemde 70 zonen uit zijn wettige vrouwen. Zij was blijkbaar geen wettige vrouw, aangezien zij niet bij hem in Ofra woonde en Abimelech zich later (9:2) zal onderscheiden van de zeventig zonen van Gideon.

Hij noemde zijn naam Abimelech. Men kan ook vertalen: "men noemde zijn naam Abimelech". In het laatste geval is de moeder waarschijnlijk de naamgeefster geweest. De naam betekent "Mijn vader is koning".

33

Ri 8:33  En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israëls zich omkeerden, en de Baäls nahoereerden; en zij stelden zich Baäl-berith tot een God. (SV)

Baäl-berith. De naam betekent 'Heer van het verbond'. Baäl is de afgod van de Kanaänieten, die in Sichem vereerd werd.

Ri 9:4  En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baäl-berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden. (SV)

Ri 9:46  Als alle burgers des torens van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de sterkte, in het huis van den god Berith. (SV)

Baäl wordt hier zo genoemd, misschien omdat hij in de plaats kwam van Jahweh, aan wie het volk zich plechtig verbonden had. Zie ook Afgodendienst. De verering van Baäl werd nu een navolging (nabootsing) van de verering van Jahweh. Israël bedacht kennelijk niet dat het daardoor zijn ware Verbondsgod bespotte.

Bronnen

Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Richt. 8 is onder wijziging verwerkt op 17 mei 2021.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt. 8:10, 21, 31. Enige tekst hiervan is verwerkt op 13 mei 2021.

Voetnoten

  1. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  3. 3,0 3,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Richt. 8.
  4. De jaartallen zijn merendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009). Ze zijn onzeker.