Jozua (boek)/22

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 22 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In 't kort: terugkeer van de Overjordaanse stammen, die bij het huiswaarts gaan een altaar oprichten. Jozua laat de twee-en-een-halve stammen, onder lofspraak en vermaning, met een deel van de behaalde buit, naar hun erfdeel terugkeren (1-8). Op hun terugtocht bouwen zij een groot altaar (9-10). Als de overige stammen dit horen, rusten zij zich tegen hen ten strijde en vaardigen zij gezanten naar hen af. Dezen vragen opheldering over hun ongeoorloofde daad (11-20). De Overjordaanse stammen verzekeren, dat het altaar niet voor offers bestemd is en alleen dienen moet tot een getuigenis; terwijl zij God aan de wettige plaats willen vereren (21-29). De gezanten nemen met die verzekering genoegen, desgelijks de vergadering van Israël (30-33). De naam van het altaar (34).

Inleiding

Herinneren wij ons nog eens de geschiedenis. De kinderen van Ruben, van Gad en van de halve stam van Manasse, bekoord door de mooie en grasrijke velden van het Overjordaanse, kwamen tot Mozes, en vroegen hem om dat land tot hun erfelijke bezitting te mogen ontvangen. Mozes was hierover zeer vertoornd; want wat zij ten erfdeel vroegen, was niet het land, dat God aan Abraham, Izak en Jakob beloofd had, hun te zullen geven. Terecht was hij vertoornd, want voor een mooie, grasrijke vlakte wilden zij het land des Heeren, waar Zijn altaar en Zijn woning staan zou, prijsgeven.

Toen hij evenwel God vraagde omtrent deze zaak, gaf Deze aan hun verlangen toe, niet omdat Hij dit goedkeurde, maar om Zijn eigen plannen daar­mee te volvoeren. Echter op voorwaarde, dat hun strijdbare mannen mee over de Jordaan voor het aangezicht van hun broeders trekken en aan de verovering van Kanaän deelnemen zouden. Toen zij deze voorwaarde hadden aan­genomen, werd hun het gebergte van Gilead als erfelijke bezitting geschonken. Maar hierdoor waren zij dan ook voor altijd buiten het land van de bezitting van de Here God gesloten. Hoor slechts, wat Pinehas in dit hoofdstuk zegt: „Indien het land van uw bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting van de Heer, waar de Taber­nakel van de Heer woont, en neemt bezitting in het midden van ons.” (vs. 19.) Hun land was dus niet het land van de be­zitting des Heeren.

In Jozua 22 keren zij naar „hun” land terug. Zij waren de hun gestelde voorwaarde getrouw nagekomen. Vijf jaren lang hadden zij met en voor Israël gestreden om Kanaän in te nemen.

12

Joz 22:12  Als de kinderen Israëls [dit] hoorden, zo verzamelde de ganse vergadering der kinderen Israëls te Silo, dat zij tegen hen optrokken met een leger. (CP[1])

Dat zij tegen hen optrokken met een leger. Om het erfdeel van de twee-en-een-halve stam zwaar te beschadigen.

Joz 22:33  Het antwoord nu was goed in de ogen van de kinderen Israëls, en de kinderen Israëls loofden God, en zeiden niet [meer] van tegen hen op te trekken met een heir, om het land te verderven, waarin de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden. (SV)

13

Joz 22:13  En de kinderen Israëls zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan den halven stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas, den zoon van Eleazar, den priester; (SV)

Pinehas. Zij kozen daartoe wel de meest geschikte man. Ware het gebleken, dat de twee-en-een-halve stam zich van God had­den losgescheurd en tot afgoderij vervallen waren, dan zou hij evenmin geschroomd hebben zijn zwaard tegen zijn broeders te keren, als toen hij in de zaak van Peor die man en die vrouw doorstak, en daardoor de plaag van God deed ophouden en geheel Israël van de ondergang redde.

17

Joz 22:17  Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plaag in de vergadering des HEEREN geweest is? (SV)

Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig. Heugt ons die ongerechtigheid niet meer, die wij weleer bedreven hebben in de dienst van de Moabitisch-Midianitische afgod Baäl-Peor? Wij kennen de geschiedenis. Toen de duivel zijn plan, om door Bileam Israël te vloeken, had zien mis­lukken, trachtte hij het volk te verderven door vermenging met de afgodische Moabieten. En dit was, helaas! maar al te wel gelukt.

Nu 25:2  En zij nodigden het volk tot de slachtofferen harer goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. (SV)

De 4:3  Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan. (SV)

Moeten wij nog meer ongerechtigheid doen, hoewel de plaag voor die zonde in de vergadering van Jahweh geweest is, en 24.000 man weggeraapt heeft? Men moet toch letten op zulke kastijdingen!

Van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op deze dag. De betekenis is natuurlijk niet, dat Israël nog niet van die misdaad gezuiverd was, dat die misdaad nog niet was vergeven. Pinehas moest getuigen: wij zuchten nog altijd onder deze vermenging; nog altijd zijn wij die Moabieten niet kwijt; wij lijden nog aan de gevolgen van dit schrikkelijke kwaad.

Calvijn verklaart het, alsof hij wilde zeggen, dat de herinnering nog niet geheel was begraven in het binnenste, of dat die straf nog niet was vergeten. Anderen zijn van mening, dat Pinehas hier het oog heeft op de schande, die daardoor op Israël was gekomen en nog niet geheel was uitgewist bij de heidense volken, terwijl weer anderen van mening zijn dat de bedoeling van deze woorden is, dat bij Israël nog maar al te zeer een verborgen neiging gevonden werd, om zich van God af te keren en de afgoden aan te hangen.

31

Joz 22:31  En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat Jahweh in het midden van ons is, daar u deze overtreding tegen de HEERE niet begaan hebt; toen hebt ulieden de kinderen Israëls verlost uit de hand van Jahweh. (CP[1])

Toen hebt ulieden de kinderen Israëls verlost uit de hand van Jahweh. Toen hebt u - omdat veeleer aan uw handelen een goede gedachte ten grondslag ligt - de kinderen van Israël verlost uit de straffende hand van Jahweh, omdat Hij nu niet het kwaad, door enkelen bedreven, aan de gehele vergadering behoeft te straffen.

Nabeschouwing

Hoewel een scheur in Gods volk voorkomen werd door Gods genade, hoe­wel de twee-en-een-halve stam dus tot het Israëlitische volk bleef behoren, zo woonden zij toch niet in het land van de bezitting des Heeren, en waren van de zegeningen, aan het wonen in dat land verbonden, verstoken.

Hoeveel gelukkiger zouden zij geweest zijn, als zij in het midden van hun broeders hadden gewoond! Al wat er in dit hoofdstuk verhaald wordt, de bouw van het altaar en de commotie daarover, en wat er later plaats vond, zou dan niet gebeurd zijn. Hoeveel onrust en verdriet en ellende zouden zij zich hebben bespaard. Voorwaar, het is een treurige aanblik, deze dappere krijgslieden, die zo trouw gestreden hadden, hun rug te zien keren naar het land van de bezitting des Heeren, om in hun eigen gekozen erfdeel te gaan wonen!

Lessen

Er valt veel voor ons te leren. Het land van de twee-en-een-halve stam was niet het land van de be­zitting des Heeren. Hoe goed ook bedoeld, zo scheidden zij zich toch in zeker opzicht van het overige volk af. Zij woonden in een land, dat zij voor zichzelf hadden uitgekozen, en waartoe zij ge­dreven werden door de schoonheid en vrucht­baarheid der streek. De gevolgen bleven dan ook niet uit. En straks kwamen ze het eerst onder het juk van andere volken en werden het eerst van Israël losgescheurd.

Nu zij naar hun eigen wil in het Overjordaanse hun woon­plaats hadden gezocht, moesten zij ook, om te voorkomen, dat zij geheel van hun broeders zouden gescheiden worden, naar hun eigen gedachten een altaar bouwen. Zo gaat het altijd. Wanneer men eenmaal iets gedaan heeft, wat de schijn van kwaad tegen zich heeft, wanneer men eenmaal de rechte positie heeft verlaten, dan moet men allerlei dingen doen en allerlei wegen inslaan om zich staande te houden, en men ver­oorzaakt daardoor onrust onder de broeders.

Typologie

Gelijk Israëls gehele geschiedenis een voorbeeld is van de weg der verlossing en van het heil in Christus Jezus, zo is ook hetgeen wij lezen in Jozua 22 een voorbeeld van wat in de Gemeente van de Heer Jezus plaats gevonden heeft en plaats vindt. Het Israëlitische volk in Kanaän is een voorbeeld van de verlosten, gezet in de hemelse gewesten.

Maar, helaas! hoevele christenen zijn gelijk aan de twee-en-een-halve stam. Wij zouden het wel haast kunnen omkeren, en moeten zeggen: 'de meeste christenen bevinden zich praktisch aan de overzijde van de Jordaan, en slechts een klein getal bevindt zich in het land. De Gemeente van de Heer heeft hier beneden rust en vreugde ge­zocht, in plaats van de dingen te zoeken die Boven zijn en geestelijke zegeningen te genieten. Wie een weinig hierover heeft nagedacht en verlichte ogen van het verstand gekregen heeft, zal dit toestemmen. De twee-en-een-halve stam hadden geen behoefte om te wonen in het land van de bezitting des Heeren. Zij verlaten het eigenlijke land des Heeren, om in het land, dat zij zich verkoren had­den, te gaan wonen. Zij stellen zulke gelovigen voor, die hun hemelse zegeningen niet genieten, omdat zij op aarde rust en genot zoeken te vinden. Aardsgezindheid trok een deel van het volk van God buiten het eigenlijke land, en verhinderde het deel te nemen aan de zege­ningen van het land van Jahweh!

Bronnen

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van de samenvatting van Joz. 22 is onder wijziging verwerkt op 14 dec. 2020.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Joz. 22:17, 31. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 15 feb. 2021.

H.C. Voorhoeve, De strijd des geloofs. Beschouwing over het boek Jozua. 's Gravenhage: J.N. Voorhoeve, 1926. Enige tekst hiervan betreffende Joz. 22 is onder wijziging verwerkt.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.