Jozua (boek)/4

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 4 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Nadat het volk door de Jordaan is getrokken (Joz. 3) worden op Gods bevel twaalf stenen uit de Jordaan als gedenkstenen opgericht. Jozua stelt ze op in het legerkamp te Gilgal. Hij richt ook twaalf stenen op in het midden van de Jordaan, ter plaatse waar de priesters met de ark gestaan hebben.

Joz. 4:2

Joz 4:2  Neemt gijlieden u twaalf mannen uit het volk, uit elken stam een man. (SV)

Zie ook 3:12, waar Jozua het volk gebiedt twaalf mannen aan te wijzen. Nu krijgen zij de taak, die zij op des Heeren bevel hadden te verrichten.

Joz. 4:7

Joz 4:7 Zo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark des verbonds des HEEREN; als zij toog door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen den kinderen Israëls ter gedachtenis zijn tot in eeuwigheid. (SV)

De ark des verbonds, niet het volk, hield de wateren van de Jordaan tegen. Niet wij, maar de Heer zelf draagt zorg dat de poorten van het dodenrijk Zijn gemeente niet zullen overweldigen (Matth. 16:18).

Ook de hoop soldaten en tempeldienaren kwam tot stilstand en wel toen zij de Heer Jezus in de hof van Gethsemané tegenkwamen. Op het woord 'Ik ben het' deinsden zij terug en vielen zelfs op de grond. De leerlingen konden vrij, onaangetast heengaan.

Joh 18:6 Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond. (...) Joh 18:8  Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben; als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; (Telos)

Joz. 4:8

Joz 4:8  De kinderen Israëls nu deden alzo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, gelijk als de HEERE tot Jozua gesproken had, naar het getal der stammen van de kinderen Israëls en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar. (SV)

Twaalf stenen. Ze zullen te Gilgal worden opgericht (4:20).

Joz. 4:9

Joz 4:9  Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten der priesters, die de ark des verbonds droegen; en zij zijn daar tot op deze dag. (CP[1])

Jozua richtte ook twaalf stenen op. Op eigen initiatief, zo lijkt het, want we lezen niet van een gebod van de Here God. De eerste twaalf stenen spraken van de twaalf stammen van Israël. Vgl. de 2x keer twaalf in het nieuwe Jeruzalem: twaalf poorten (= de twaalf stammen van Israël) èn twaalf fundamenten (= de twaalf apostelen):

Opb 21:12  Zij had een grote en hoge muur, zij had twaalf poorten en aan de poorten twaalf engelen en daarop namen geschreven, welke de namen van de twaalf stammen van de zonen van Israel zijn.  Opb 21:13  Aan de oostkant drie poorten, aan de noordkant drie poorten, aan de zuidkant drie poorten en aan de westkant drie poorten.  Opb 21:14  En de muur van de stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam. (Telos)

Jozua's tweede groep van twaalf stenen, die naderhand waarschijnlijk door het water van de Jordaan bedekt werden, spreken misschien van de twaalf apostelen van de Heer Jezus, wier toekomstig optreden 1500 jaren later nog onbekend (bedekt) was voor de Israëlieten[2].

Volgens een mening werd de Heer Jezus gedoopt op deze plaats in de Jordaan (Joh. 1:28)[2], die Bethábara (Huis van overtocht) of Bethanië heette. Deze plaats wordt geloofd, ook in de dagen van Jezus[2], de plaats te wezen waar de Israëlieten de Jordaan overtrokken.

Zij zijn daar tot op deze dag. De schrijver, die ons deze gebeurtenis meedeelt, heeft korte of lange tijd na gebeurtenis geleefd.

Joz. 4:11

Joz 4:11  En het geschiedde, als al het volk geëindigd had over te gaan, toen ging de ark des HEEREN over, en de priesters voor het aangezicht des volks. (SV)

Het volk had aan de oever gewacht totdat de ark van het verbond aankwam. Nu werd deze weer, gelijk altijd, aan de spits van het leger geplaatst.

Joz. 4:13

Joz 4:13  Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho. (SV)

Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen. Van de stammen aan de oostzijde van de Jordaan.

Joz. 4:14

Joz 4:14  Te dienzelven dage maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israël; en zij vreesden hem, gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen van zijn levens. (CP[1])

Maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israël.

Joz 3:7  Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben. (SV)

Gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen van zijn leven. God had Mozes groot gemaakt door wonderen en door hoorbaar met Mozes te spreken.

Ex 19:9  En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want Mozes had den HEERE de woorden des volks verkondigd. (SV)

Joz. 4:17

Joz 4:17  Toen gebood Jozua de priesters, zeggende: Klimt op uit de Jordaan. (CP[1])

Als het volk is overgestoken, mogen de dragers van de ark opkomen de bedding van de Jordaan.

Jozua's bevel moest bepaald aan de priesters gegeven worden, opdat het wonderteken des te meer in het oog zou vallen. Toen de ark, op Jozua's bevel, de Jordaan verlaten had, vloeide het water weer verder.

Johannes mocht ten hemel opkomen nadat de laatste gemeente, Laodicéa, als het ware de revue was gepasseerd.

Opb 4:1 Hierna zag ik, en zie, een deur was geopend in de hemel, en de eerste stem die ik gehoord had als van een bazuin, die met mij sprak, zei: Kom hier op en Ik zal u tonen wat hierna moet gebeuren. (Telos)

Joz. 4:19

Joz 4:19  Het volk nu was de tiende der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho. (CP[1])

De tiende der eerste maand. De eerste maand van de Hebreeuwse kalender is de maand Abib of Nisan. De tiende dag is dezelfde dag waarop de afzondering van het Paaslam had plaatsgevonden (Exod.12:1vv.). Volgens een uitlegger hield Jezus op de tiende dag van de eerste maand, zo'n 1500 jaren na de doortocht door de Jordaan, zijn intocht in Jeruzalem[3], waarna hij gelijk het paaslam werd 'geïnspecteerd'.

Zie Gilgal.

Excursie: Gelegerd te Gilgal

Israël heeft zijn legerkamp opgeslagen in Gilgal, dicht bij de oostelijke grens van het gebied van Jericho. Het is nu voorjaar, onze aprilmaand, de tijd van de „late regen", die het opschietende koren de nodige voch­tigheid moet geven en de korrel moet doen zwellen in de aar; de „late regen", welks uitblijven voor Ka­naäns bewoners niet minder is dan een ramp, omdat dan de oogst mislukt en hongersnood gaat dreigen (vgl. Deut. 11 :14, Jer. 5 : 24, Hoz. 6 :3, Joël 2 : 23).

De „pronk van de Jordaan" met zijn welig houtgewas, waarin allerlei gedierte schuilplaats vindt en zelfs de leeuw ronddoolt (vgl. Jer. 12 : 5; 49 : 14; 50 : 44; Zach. 11 :3), schittert nu in volle pracht. Jericho's palmen verheffen groenend hun brede kruin boven velden, bezaaid met geurende bloemen. Alles spreekt hier van volheid van leven, van zomerwarmte en bodemrijk­dom.

Voor Israël is de vlakte, waarin het nu zijn leger heeft betrokken, een blijde profetie van wat straks het land zijn zal, „vloeiend van melk en honig", en reeds hunkeren Israëls strijdlieden, vervuld als ze nog zijn van de gemakkelijke overwinningen, in het Oost-Jordaanland behaald, naar nieuwe lauweren. Altijd weer gaat hun blik naar Jericho, de koningin der vlakte, die de wegen beheerst, welke opvoeren naar Kanaäns bergland.

Reeds zijn de woorden van de beide verspieders, die Je­richo in ogenschouw hadden genomen en hun verde­digingsmiddelen van dichtbij hadden bezien, alge­meen eigendom geworden en hun verzekering: „de Heere geeft heel het land in onze hand; ja, alle inwo­ners van het land vergaan voor ons van angst" is voor alle weerbare mannen een prikkel te meer om te verlangen naar het uur waarop Jozua's bevel weer­klinken zal, om Jericho Israëls onweerstaanbare macht aan den lijve te doen gevoelen.

Maar het bevel wordt niet gehoord. Het kan nog niet weerklinken, want het volk, dat op de drem­pel van Kanaän staat, is niet een van die vele, die in de loop der eeuwen van uit de vlakten der Ara­bische woestijnen getracht hebben het cultuurland tussen Jordaan en zeekust binnen te dringen en zich een plaats te veroveren op de landstrook, die als een druk begane brug de beide cultuurcentra der oud­heid: het Nijldal en de Eufraat-Tigris-vlakte met el­kaar verbindt. Israël staat hier als „des Heeren legerschaar". Het is geleid uit Egypte door de God van Abraham, Izak en Jakob, die het verdrukken van Zijn volks heeft gezien, hun schreien heeft gehoord (Exod. 3:7), die Farao's tegenstand heeft gebroken door tekenen en wonderen in het veld van Zoan (Ps. 78 : 43) en Egypte's beheerser en zijn volk dwong om Israël, dat zij tot een volk van slaven hadden willen maken, als het ware te smeken om toch weg te gaan (Exod. 12 :31—33). Israël zelf was bij de minste tegenslag in de woestijn altijd weer graag bereid om naar Egypte terug te keren en alleen Mozes' dringend vermaan en 's Heeren altijd weer vernieuwde uitredding hebben het volk tot aan en over de Jordaan gebracht. Israël heeft Kanaän niet gezocht, maar het is daarheen gevoerd, omdat dit het land was, waarvan de Heere op een ogenblik, dat Israël nog niet bestond, gezegd had, dat Hij het aan Abrahams zaad geven zou. Het heeft in zijn midden de drijfkracht ervaren van Hem, die zich door geen mensenkind laat weerhouden van de realisering van zijn heilige Raad, die dit volk in dit land wilde hebben, opdat vandaar „het licht" zou opgaan over een donkere wereld. Niet door eigen kracht, maar door 's Heeren onweerstaanbaar ver­mogen is Israël gekomen waar het nu is. En wanneer er straks een wondere kracht van Israël zal uitgaan, waardoor het voorgoed zijn stempel op Kanaän zetten zal, dan is dit niet, omdat die kracht uit Israël zelf is opgekomen, maar omdat ze in Israël is ingedragen door Hem, die in zeer bijzondere zin dit volk had doen geboren worden, opdat het Zijn volk zou zijn, de bakermat van Zijn heil.

Daarom moet, voordat Jozua's bevel kan weerklinken om met het leger van Gilgal tegen Jericho op te trekken, eerst tweeërlei gebeuren: de bondswijding van de besnijdenis moet in ere worden hersteld en het Paasfeest moet worden gevierd.

Joz. 4:24

Joz 4:24  Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den HEERE, uw God, vrezet te allen dage. (SV)

Opdat gijlieden. De Israëlieten. In plaats van 'gijlieden' hebben de NBG51-vertaling en de Het Boek-vertaling 'zij', verwijzend naar alle volken. Het Hebreeuws heeft echter 'ulieden' ('gijlieden', 'gij', 'u', 'jullie'), tweede persoon meervoud. Andere Nederlandse vertalingen geven het Hebreeuws wel juist weer.

Bronnen

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Tekst van blz. 12-14 is onder wijziging verwerkt op 30 okt. 2020.

Otto van Gerlach, Het Oude Testament volgens de overzettint van Dr. Martinus Lutherus, met inleidingen en aanteekeningen. Tweede stuk: Jozua - Esther. Amsterdam: P.M. van der Made, 1857. Tekst van het commentaar op Joz. 4 is onder wijziging verwerkt op 30 okt. 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 2,2 Prophecies Of Jericho. Youtube.com: Prophecy in the News, 15 juli 2020. Vanaf 3 min. 20 sec.
  3. Crossing Jordan To Reach Jericho! Youtube.com: Prophecy in the News, 9 juli 2020. Vanaf 26 min 22 sec.