Jozua (boek)/11

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 11 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Slag bij de wateren van Merom (1-9). Hazor en andere steden ingenomen en verbannen (10-15). Overige inneming van het land en uitroeiing van de Enakieten (16-23).

Inleiding

Na de beschrijving van de strijd tegen koningen van Zuid-Kanaän (hoofdstuk 10) volgt in dit hoofdstuk een verslag van de strijd tegen koningen van Noord-Kanaän.

De vernietigende slag bij Gibeon en de onmiddellijk daarop volgende onderwerping van zovele steden van Zuid-Kanaän, heb­ben de krachten van Jozua en zijn legerscharen tot het uiterste gespannen. Jozua mag dan ook niet meer van zijn leger vergen. Daarom wordt afgezien zowel van de belegering van het buitengewoon sterke Jeru­zalem als van de verdere tuchtiging van de bij Lachis verslagen, maar in zijn vestingstad Gezer veilig teruggetrokken koning Horam. Beide steden hebben dan ook nog tot de tijd van Israëls eerste koningen hun onafhankelijkheid behouden (2 Sam. 5 : 7, 1 Kon. 9 : 16).

In het legerkamp van Gilgal, waarheen „Jozua met geheel Israël" zich weer heeft teruggetrokken (Joz. 10:43), kan echter niet lang van de rust worden genoten. Uit Noord-Kanaän komen verontrustende berichten. On­der leiding van de koning van Hazor zou een grote coalitie in wording zijn, die geheel het land ten noorden van Sichem zou omvatten. Jozua's zegevierende tocht naar Midden- en Zuid-Kanaän zou de bewoners van het Noorden er van overtuigd hebben, dat het nu de hoogste tijd was om onderlinge veten te ver­geten en zich nauw aaneen te sluiten[1].

Mocht dit gerucht waarheid bevatten, dan zou hier een gevaar rijzen, dat onmiddellijk onder ogen moet worden gezien. Anders zou ernstig rekening moeten worden gehouden met de mogelijkheid, dat de nauwelijks onderworpen Kanaänieten van Midden-en Zuid-Kanaän op het horen daarvan wederom moed zouden vatten en zich gereed zouden maken om bij de eerste de beste tegenslag van Israël Jozua en de zijnen in de rug aan te vallen, waardoor niet alleen de vruchten van de overwinning bij Gibeon en van de daarop volgende zegetocht in het Zuiden ver­loren zouden gaan, maar tevens Israël genoodzaakt zou zijn zich weer over de Jordaan terug te trekken. Een geweldige coalitie!

De oproep van de koning van Hazor, de belangrijkste stad in Galilea, om met hem een verbond te sluiten ten einde gemeenschappelijk Israël van uit het noorden aan te vallen, daardoor in Midden- en Zuid-Kanaän de hoop te doen geboren worden om het Israëlitische juk af te schudden en Jozua's legerscharen tussen twee vuren te nemen, die oproep bleef niet onbeantwoord. De koningen van Madon, Simron en Achsaf geven onmiddellijk daar­ aan gehoor.

Weergave van de troepenbewegingen
Jozua's noordelijke veldtocht. De rode lijn geeft de route van Jozua's leger aan, de gele lijnen duiden de routes van de vijandelijke legers aan.

Joz. 11:1

Joz 11:1  Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf, (SV)

Hazor was het hoofd van de koninkrijken die met Jabin een bondgenootschap vormden.

Joz 11:10  En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. (SV)

Joz. 11:5

Joz 11:5  Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen. (SV)

De wateren van Merom. De ligging van deze wateren (bronnen) is niet met zekerheid aan te wijzen. De heersende mening is dat de wateren bij het dorp Maroen al-Ras waren[2], een dorp dat thans in Zuid-Libanon ligt, aan de grens met Israël. Zie verder bij Merom.

Hier verzamelen zich de bondgenoten van de ko­ning van Hazor, wellicht met de bedoeling om straks zuidwaarts te trekken en slag te leveren in de vlakte van Jizreël, waar hun paarden en wagens zich vrij kunnen ontplooien. Maar Jozua laat hun daartoe geen gelegenheid.

Joz. 11:6

Joz 11:6  En de HEERE zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen allemaal verslagen geven voor het aangezicht van Israël; hun paarden zult u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. (CP[3])

En de HEERE zei tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten. De noordelijke coalitie vormde een geduchte overmacht (vers 4). Daarom wordt Jozua bemoedigd, door God verzekerd van de overwinning.

Flp 1:27 ... dat u vast staat in een geest, terwijl u een van ziel meestrijdt met het geloof van het evangelie Flp 1:28  en u in geen enkel opzicht door de tegenstanders laat afschrikken. Voor hen is dit een bewijs van verderf, maar voor u van behoudenis, en dat van Godswege. (Telos)

Hun paarden zult u verlammen, en hun wagens met vuur verbranden. En dat gebeurd ook, vers 9. De strijdmiddelen van de vijand moeten onklaar gemaakt of vernietigd worden. Zodoende wordt hergebruik door de vijand of door Israël belet.

Dezen [vertrouwen] op strijdwagens en die op paarden, maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen. (HSV)

Geestelijke toepassing. Gelovigen hebben geen strijd te strijden met vleselijke wapens, maar met geestelijke gevechtsmiddelen.

2Co 10:3  Want al wandelen wij in het vlees, wij voeren geen strijd naar het vlees; 2Co 10:4  want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;  2Co 10:5  daar wij de overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangen nemen tot de gehoorzaamheid van Christus, 2Co 10:6  en gereed staan elke ongehoorzaamheid te wreken, wanneer uw gehoorzaamheid vervuld zal zijn. (Telos)

Daarbij hebben wij op God te vertrouwen, die de overwinning geeft.

Joz. 11:7

Joz 11:7  En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen. (SV)

Sommigen[4] zien de slag bij Merom een schaduwbeeld van de strijd te Harmagedon in het dal van Jizreël. Ook die slag grijpt plaats in het noorden van Israël.

Opb 16:13  En ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten komen als kikkers; Opb 16:14  want het zijn geesten van demonen die tekenen doen en die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige. Opb 16:15  Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet.  Opb 16:16  En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet. (Telos)

Zij overvielen hen. Ook nu gesterkt door het woord des Heeren om toch niet te vrezen, past Jozua op zijn vijanden dezelfde taktiek toe, die Adoni-Zedek en de zijnen in de slag bij Gibeon zo noodlottig was geworden. Voordat de koning van Hazor en zijn bond­genoten erop verdacht zijn, komt Jozua uit het zuiden oprukken en overvalt hij hen met zijn gehele krijgsmacht. Waarschijnlijk geschiedde dit ook nu in de vroege morgen, wanneer de vijand nog rust neemt in het le­gerkamp (vgl. Richt. 7 :19). Daardoor wordt deze beroofd van de mogelijkheid gebruik te maken van zijn voornaamste wapen: zijn paarden en wagens, die nu veeleer in het kamp de bewegingsvrijheid van de voet­knechten belemmeren.

Joz. 11:8

Joz 11:8  En de HEERE gaf hen in de hand van Israël, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maïm, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten. (SV)

Jozua en zijn mannen kunnen ten volle van de verrassing gebruik ma­ken. Gemakkelijk worden de met ijzeren platen ver­sterkte houten wagens in brand gestoken en de paar­den losgemaakt, die nu door het kamp draven en de verwarring vermeerderen. Aan tegenstand in het kamp zelf valt dan ook niet te denken. Alleen snelle vlucht kan hier redding brengen. Natuurlijk is de weg naar het zuiden afgesneden. Maar die naar het noorden, het eesten en het oosten liggen open. Zo vluchten de vijanden naar Sidon, naar Misrefot-Majim en naar de vallei van Mizpa (of Mispe), achtervolgd door Israëls krijgers, die nergens kwartier geven en niet rusten, voordat allen uiteen zijn geslagen.

Joz. 11:9

Joz 11:9  Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur. (SV)

Zie de opdracht van God in vers 6. De buit gemaakte paarden worden alle waardeloos gemaakt, doordat de pezen van de achterpoten worden doorgesneden, waar­door ze ongeschikt worden voor ieder zwaar werk.

Joz. 11:10

Joz 11:10  En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken. (SV)

Na de overwinning ligt geheel Noord-Kanaän aan de voeten van de overwinnaar, die nu de laatsten tegenstand kan breken door — evenals hij na de slag bij Gibeon had gedaan — de steden, wier koningen aan het hoofd van de coalitie hadden gestaan, met de ban te treffen, waar­ bij echter alleen Hazor zelf met vuur wordt verbrand (vers 11).

Joz. 11:11

Joz 11:11  En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur. (SV)

Er bleef niets over, dat adem had. Zie ook vers 14.

Hazor verbrandde hij met vuur. Later is de stad weer opgebouwd en kwam er een tweede koning genaamd Jabin, die Israël 20 jaren onderdrukte met grote overmacht. Deze onderdrukking was een gevolg van de ontrouw van het volk Israël aan hun God.

Joz. 11:13

Joz 11:13  Alleenlijk verbrandden de Israëlieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua. (SV)

Mozes had gezegd dat God de Israëlieten een land zou geven met "grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt, huizen, vol van allerlei kostbare [dingen], waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt" (Deut. 6:10-11). De Israëlieten mochten de vruchtbomen van een stad niet omhakken, omdat ze een bron van voedsel zijn. Andere bomen mochten wel geveld worden. (Deut. 20:19-20).

Joz. 11:14

Joz 11:14  En al de roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israëls voor zich; alleen sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had. (CP[3])

Al de roof. Een ontzaglijke buit valt Israël ten deel, zowel uit de steden als van het platteland, waarbij vooral het vele vee van grote waarde is.

Zij lieten niets overblijven wat adem had. Zie vers 11.

Joz. 11:15

Joz 11:15  Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had. (SV)

Vgl. vers 23.

Joz. 11:16

Joz 11:16  Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israëls, en zijn laagte. (SV)

Vgl. vers 23. Jozua kon het land innemen omdat hij gehoorzaamde aan hetgeen God door de dienst van Mozes geboden had (vers 15).

Joz. 11:18

Joz 11:18  Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen. (SV)

Vele dagen. De vele dagen zijn zeven jaren. Want Kaleb was 40 jaren oud, toen hij met anderen werd uitgezonden om Kanaän te verspieden.

Joz 14:7  Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was. Joz 14:8  Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen. Joz 14:9  Toen zwoer Mozes te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen. Joz 14:10  En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud. (SV)

Na de volbrachte overwinningsstrijd door Israël in Kanaän zegt Kaleb dat het 45 jaren later is. Israël heeft 40 jaren in de woestijn doorgebracht, van de verspieding van het land af 38 jaren. Uit deze gegevens valt af te leiden dat de strijd tegen de Kanaänitische volkeren 45 - 38 = 7 jaren heeft geduurd.

Dat de verovering niet in één jaar tijd plaats vond, was ook Gods bedoeling.

Ex. 23: 29-30. Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de [wilde] dieren van het veld u te talrijk. 30 Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u [zo in aantal] toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen. (HSV)

Deut. 7:22 De HEERE, uw God, zal deze volken van voor uw [ogen] verdrijven, [maar] geleidelijk: u zult hen niet onmiddellijk kunnen vernietigen, anders zouden de dieren van het veld talrijker worden dan u (HSV)

Joz. 11:20

Joz 11:20  Want het was van de HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israël met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had. (CP[3])

Het was van de HEERE, hun harten te verstokken. Nadat zij in de zonde gehard en hun harten verhard waren en de maat van hun zonden vol was geworden.

Verbannen ... geen genade. Zie ook 10:40, 11:11, 14. De overwonnen volken moesten met de ban worden geslagen (Deut. 7:2) en hun afgodische altaren, palen en beelden moesten worden vernietigd (Deut. 7: 5).

De 20:16  Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten.  De 20:17  Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, De 20:18  opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen. (HSV)

God is, behalve liefdevol, ook heilig en rechtvaardig[5]. Hij "is een verterend vuur" (Hebr. 12:29). Israël voerde zijn vonnis over de zedelijk verdorven Kanaänieten uit.

Dat aan het oordeel te ontkomen was, bewijzen de geschiedenissen van Rachab en de Gibeonieten. Zij maakten vrede met Israël, zij het op verschillende manieren.

Joz 11:19  Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israëls, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; ... (SV).

Joz. 11:21

Joz 11:21  Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israël; Jozua verbande hen met hun steden. (SV)

De Enakieten. Bij de verspieding van Kanaän waren de Israëlieten onder de indruk gekomen van de versterkte steden en de reusachtige Enakieten. Zij boezemden Israël vrees in. Nu wordt op het eind van het verslag van de overwinningen vermeld dat ook de Enakieten werden uitgeroeid. Een klein aantal Enakieten onder de Filistijnen bleven over (vers 22), uit wie later de reus Goliath zou opstaan. Mét God worden de Enakieten overwonnen; zónder goddelijke hulp is zelfs een dwergstadje als Ai sterker.

Joz. 11:23

Joz 11:23  Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van de oorlog. (CP[3])

Naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had. Zie vers 15-16.

Het land rustte van de oorlog. Na een 7-jarige tijd van oorlog breekt er een tijd van rust aan. Van een dergelijke rust is ook sprake in Joz. 14:15 en 21:44. Gehoorzaamheid → overwinning → rust.

Niet alle vijanden zijn verslagen; de stad Jebus (Jeruzalem) bijvoorbeeld is nog niet ingenomen. Maar ze bedreigen Israël niet meer. Er blijft nog land over om te veroveren.

De rust mag niet tot zorgeloosheid leiden. Na alles volbracht te hebben, moeten we vasthouden en standhouden.

Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden (Ef. 6:13)

Zolang we nog in het vlees zijn, zal bij de rust waakzaamheid geboden zijn.

1Pe 5:8  Weest nuchter, waakt; uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden. (Telos)

Bronnen

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Tekst van blz. 46, 49 is onder wijziging verwerkt in dec. en jan. 2020.

Ger de Koning, Commentaar op Jozua 11, op KingComments.com.

Voetnoten

  1. Vergelijk het ontstaan van vrienschap tussen Herodes en Pilatus: Lu 23:11  Nadat nu ook Herodes met zijn soldaten Hem verachtelijk had behandeld en bespot, deed hij Hem een prachtig kleed om en zond Hem terug naar Pilatus. Lu 23:12  Herodes en Pilatus nu werden op diezelfde dag vrienden met elkaar, want zij leefden tevoren in vijandschap jegens elkaar. (Telos)
  2. Zie het artikel op de Hebreeuwse wikipedia:https://he.wikipedia.org/wiki/%D7%9E%D7%90%D7%A8%D7%95%D7%9F_%D7%90-%D7%A8%D7%90%D7%A1
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  4. Zo Ger de Koning in zijn commentaar op Joz. 11. Geraadpleegd 2 jan. 2020.
  5. Ger de Koning noemt in zijn commentaar op Joz. 11 enkele redenen waarom God niet onrechtvaardig is in zijn oordeel over de Kanaänieten.