Jozua (boek)/7

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 7 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Achans overtreding (1). Israël wordt geslagen voor de stad Ai (2-5). Gods aangezicht gezocht over de nederlaag (6-15). Achan en zijn gezin met de dood gestraft (16-26).

Joz. 7:2

Joz 7:2  Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.

Jozua mannen zond. Als een voorzichtig aanvoerder begint Jozua met het zenden van enige mannen met de opdracht „ver­spiedt het land".

Naar Ai.

Andere mogelijke bestemmingen. Waarheen zal Jozua zich nu wenden? Twee wegen staan voor hem open. De ene voert naar Jeruzalem, de andere naar Sichem. Maar de weg naar Jeruzalem is zeer zwaar (zie Jericho). Bovendien staat men daarna voor een buitengewoon sterke bergvesting (zie Geschiedenis van Jeruzalem). En tenslotte: Jeruzalem heeft in Jozua's dagen nog niet de staatkundige betekenis, die het na Davids inname heeft gehad.[1]

Niet Jebus (jeruzalem), maar Sichem is in Jozua's dagen de koningin van het West-Jordaanland (zie Sichem). Na de wondere inneming van Jericho, welks rokende puinhopen nog spreken van de onbegrensde macht van Israëls God, richt Jozua dan ook zijn oog op Sichem, ten einde door het bezit van deze centrale plaats een wig te drijven in de falanx van de be­woners van het gebergte.[1]

Van Jericho naar Sichem. Wie van Jericho naar Sichem wil kan langs twee wegen gaan. Hij kan óf (1) door de pas van Michmas hetzij (1a) over Beëröt (het huidige El-Bire?) hetzij (1b) over Ai, het huidige Et-Tell, de oude karavaanweg trach­ten te bereiken, die over de kam van het gebergte Jeruzalem met Bethel en vandaar met Sichem ver­bindt. Hij kon echter ook (2) langs de Dsjebel Karantal trekken, vandaar door de Wadi er-Rummarnan en de Wadi Moeheisin naar Bethel gaan. Beide wegen (1) en (2) heb­ben hun eigenaardige moeilijkheden. De eerste, hoe­wel de kortste, voert door het défilé van de beide, steile rotswanden, waarvan 1 Sam. 14 :4 v.v. spreekt, en vraagt in zijn laatste gedeelte, dat ruw en kron­kelend is, veel inspanning, omdat men over de laat­ste 8 km niet minder dan 330 meter stijgen moet. De tweede is iets langer (bijna 13 km). Zijn eerste gedeelte is steil, een klim van ongeveer 450 meter. Dan wordt de weg gemakkelijker en voert over de noor­delijke hellingen van de Wadi Moeheisin. Hij heeft echter tegen, dat grote stukken daarvan heel goed van uit Ai zichtbaar zijn. Een derde weg echter, die tussen de beide eerstgenoemde naar Bethel voert, is die, welke over de Dsjebel Karantal langs de noordelijke helling van de Ras et-Tawil ten zuiden van Der Diwan en ten westen van Ai naar Bethel voert. Deze weg heeft niet alleen het voordeel de kortste te zijn (ruim 17 km), maar tevens over de bergrug door eenzame plaatsen te voeren en van Ai uit niet zichtbaar te zijn. [1] Intussen, wie van Jericho naar Sichem wil, moet, welken van de drie bovengenoemde wegen hij ook kiezen moge, zich meester maken van Ai.

Joz. 7:3

Joz 7:3  Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinige. (SV)

Inschatting. De mannen komen terug met de mededeling, dat twee a drie duizend man wel voldoende zul­len zijn om Ai in te nemen. Door dit advies geven ze intussen blijk noch oog te hebben voor het verschil in positie tussen Jericho en Ai noch ook voor de diepe zin van wat voor Jericho is geschied. Jericho ligt afgezonderd, ligt eenzaam in het Jordaandal. Het is bijna geheel op zichzelf aangewezen en heeft geen buren, die snel te hulp kunnen komen. Maar zo staat het met Ai niet. Bethel en Beëröt liggen vlak bij en kunnen in enkele uren hulp bieden. Bovendien, een vlucht in de vlakte is nog heel wat anders dan een vlucht in een bergland, waar men omsingeld is voor men het weet. En eindelijk, een nederlaag kan hier de noodlottigste gevolgen hebben. Zeker, door Jericho's ongedacht snelle val is „de schrik des Heeren" over de inwoners van Midden-Kanaän gevallen. Maar een enkele tegenslag kan voldoende zijn om hen met nieuwe moed te bezielen en van alle zijden op Israël te doen aanvallen. En zal dit dan kunnen staande blijven?

Jozua. Dat deze mannen zo oordelen is misschien — ge­zien het lage religieuze niveau, waarop het volk des­tijds stond — nog niet zo verbazingwekkend. Maar ontroerend is het te zien, dat Jozua zonder meer hun advies opvolgt. Dit bewijst niet alleen, dat Jozua nog op verre na geen Mozes is, maar bovendien dat de Jozua van het begin van de veldtocht een heel ander man was dan die, welke ons in hfdst. 23 v. tegemoet treedt. Jozua had nog een hele leerschool door te maken! Voor Ai is zijn eigen wijsheid en inzicht hem ruim voldoende. Hij denkt er zelfs niet aan zich om raad te richten tot Hem, die hij toch voor Jericho had leren kennen als „de Vorst van het leger des Heeren".

Joz. 7:5

Joz 7:5  En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen [van] voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water. (SV)

Israël wordt verslagen. Smadelijk verslagen. De drie­ duizend man slaan zonder meer op de vlucht, zodra enigen het leven laten. En de mannen van Ai hebben niet anders te doen dan hen weg te jagen in het veld buiten de poort tot bij Schebarim.

Schebarim. D.i. Steengroeven. Sommigen ver­moeden er rotsen in de Wadi es-snésil onder. Het is echter ook mogelijk de medeklinkers hsjbrm, door de Masoreten gelezen als ha-sjebarim (de steengroeven) te lezen als hisjaberam, „tot vernietigens toe". Dat lijkt een uitlegger[2] waarschijnlijker. Daartegen pleit echter dat slechts 36 mannen gedood werden, niet de hele of een groot deel van de troep.

Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water. Gelijk zo dikwijls raken ook hier de uitersten elkander. Eerst was er een onbe­grijpelijke overmoed. Nu is er een totale inzinking. De realiteiten van de zichtbare wereld spreken hun donderende taal en ze horen ze in nog versterkte mate. De realiteit van de onzichtbare wereld, vanwaar God bestuurt, is nu buiten het geestesoog van het volk.

Joz. 7:6

Joz 7:6  Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd. (SV)

De indruk, die deze nederlaag op Jozua en de zijnen maakt, is verpletterend. Eerst dan gaat Jozua doen wat hij had moeten doen vóór hij die legerafdeling tegen Ai zond: hij wendt zich tot zijn God.

Joz. 7:7

Joz 7:7  En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan! (SV)

Omdat Jozua eerst God vraagt, vraagt hij niet om raad, komt hij niet met een „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?" Neen, nu komt hij met een vertwijfeld „waarom toch?". Hij ziet zich en zijn volk reeds in de macht der Amorieten. Vergeten schijnt de wondere doortocht door de Jordaan. Vergeten schijnt ook de wondere val van Jericho.

Joz. 7:11

Joz 7:11  Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, hetwelk Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd. (SV)

Israël heeft gezondigd. Israël, niet iemand uit Israël; neen, heel het volk, want dat bestaat niet als een verzameling van individuen, maar als eenheid.

Gestolen. Door iets weg te nemen van wat onder de ban lag, derhalve God toe­behoorde.

Joz. 7:12

Joz 7:12  Daarom zullen de kinderen Israëls niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt. (SV)

En nu kan die eenheid alleen van de ondergang worden gered, doordat ze uit haar midden wegdoet wie Israël heeft doen zondigen.

Joz. 7:13

Joz 7:13  Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u. (SV)

Heiligt u. Het hele volk moet zich hei­ligen, d.w.z. zich door het wassen van de kleren en het zich onthouden van de vrouw (Exod. 19 :10, 14v.) in die staat van reinheid stellen, dat het voor het aangezicht van God kan verschijnen.

Joz. 7:14

Joz 7:14  Gij zult dan in den morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal geschieden, de stam, welken de HEERE geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man. (SV)

Geraakt. Aangewezen. God zelf zal volksschouw houden en — op een wijze, die niet nader wordt aangeduid, misschien door het lot (Spr. 16 :33) — de schuldige aanwijzen. Het godsoordeel zal dus uitspraak doen, wat zeker wel gepaard zal zijn gegaan met godsdienstige cere­moniën en dus door priesters zal zijn uitgevoerd.

Joz. 7:19

Joz 7:19  Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet. (SV)

Mijn zoon! Zo begint Jozua's vaderlijk vermaan.

Joz. 7:21

Joz 7:21  Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder. (SV)

Ik zag. Door de oogpoort is de zonde zijn hart binnengeslopen (vgl. Gen. 3 :6, 2 Sam. 11:2, Job 31 : 1) en zijn begeerte is uit­gegaan naar de kostbare dingen die hij zag liggen.

Een schoon sierlijk Babylonisch overkleed. Zeker een­zelfde prachtkleed als de afbeeldingen van Mesopo­tamische koningen te zien geven.

Een gouden tong. Dit staat er letterlijk in het Hebreeuws. Wat is dit? De NBG51-vertaling vertaalt: 'een staaf goud'. De Nieuw Bijbelvertaling en de Herziene Statenvertaling hebben 'goudstaaf'. De Naardense vertaling: 'één tong goud'. Het is een gouden voorwerp in de vorm van een tong, mogelijk een gouden versiersel[3].

Vijftig sikkelen. Dat is 50 x 11,4 gram = 570 gram. Zie Sikkel.

Joz. 7:24-25 Steniging en verbranding

Joz 7:24  Toen nam Jozua, en gans Israël met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. Joz 7:25  En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen. (SV)

Omdat dit alles onder de ban lag en dus God toe­behoorde, heeft Achan zijn leven verbeurd en tevens het leven van alles, wat hij heeft. Wat hij heeft: dus het hele gezin, al zijn vee, al zijn goed. Mens en dier wordt dus gestenigd (vgl. Levit. 24 :16, Num. 15 : 35, Deut. 13 :10; 17 : 5; 21: 21) en daarna, omdat het zulk een zwaar vergrijp gold, met vuur ver­brand (vgl. Gen. 38:24, Levit. 20:14; 21:9).

Wat de inwoners van Jericho trof, dood en verderf, valt nu neer op Achans gezin dat zich vergrepen heeft aan goederen van Jericho. Mogelijk hebben gezinsgenoten afgeweten van de diefstal (vgl. het meervoud in vers 10). Laat ons ook bedenken dat de dood van de 36 'onschuldige' mannen (die niets van Jericho hadden gestolen) bij Ai verscheidene gezinnen in rouw had gedompeld.

Zij overwierpen hen met stenen. Dan wordt het geheel, natuurlijk met het aan de ban onttrokkene, overdekt met een grote steenhoop, die wellicht de herinnering aan Achans schanddaad levendig moet houden. Eerst dan laat 's Heeren toorn af en is de rechte bondsverhouding hersteld.

Ananias en Safira. De geschiedenis van Achan, kort na aankomst in het Beloofde Land, doet denken aan de geschiedenis van Ananias en Safira. De gemeente is pas gevormd. Ook hier is sprake van liegen. Ook hier volgt de doodstraf.

Hnd 5:3  Petrus echter zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest en van de opbrengst van het land achter te houden?  Hnd 5:4  Als het onverkocht was gebleven, bleef het niet van u en was na de verkoop de opbrengst niet in uw macht? Waarom hebt u zich deze daad in uw hart voorgenomen? U hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. Hnd 5:5  Toen nu Ananias deze woorden hoorde, viel hij neer en stierf. En er kwam grote vrees over allen die het hoorden. (Telos)

Bron

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Enige tekst van blz. 18-20 is onder wijziging verwerkt op 2 en 4 dec. 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Enige tekst van blz. 18 is onder wijziging verwerkt op 2 dec. 2020.
  2. A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 20.
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).