Jozua (boek)/14

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 14 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Verdeling van het land Kanaän aan deze zijde van de Jordaan (1-5). Aan Kaleb wordt de stad Hebron ten erfdeel gegeven (6-15).

Joz. 14:6

Joz 14:6  Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zeide tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot Mozes, den man Gods, gesproken heeft te Kades-barnea, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u. (SV)
Kaleb spreekt tot Jozua

Dit vers wekt licht de gedachte dat Kaleb tot de stam van Juda behoorde. Sommige uitleggers houden het ervoor[1]. Een anders vers doet weer het tegendeel vermoeden.

Joz 15:13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron. (SV)

Uit dit laatste vers hebben sommigen opgemaakt dat Kaleb niet tot de stam van Juda behoorde. Het punt echter is dat aan Kaleb, hoewel hij geen stamhoofd was, een bijzonder gedeelte van dat land werd gegeven.

Onduidelijk is tot welke stam Kaleb behoorde.

Joz. 14:10

Joz 14:10  En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud. (SV)

Vijf en veertig jaren ... vijf en tachtig jaren. Kaleb was 40 jaar oud, toen hij Kanaän verspiedde (vers 7). Nadat de belofte door God aan de 40-jarige Kaleb was gedaan, zwierf het volk Israël 38 jaar in de woestijn. Bij de intocht in Kanaän was Kaleb 40 + 30 = 78 jaar oud. Thans is hij 85 jaar oud, dus zeven jaar na de intocht.

Joz. 14:11

Joz 14:11  Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan. (SV)

Vgl. wat van Mozes gezegd wordt:

De 34:7  Mozes nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan. (SV)

Ps 103:5  Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends. (SV)

Vergelijk:

De 8:4  Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren. (SV)

De 29:5  En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet. (SV)

Ne 9:21  Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen. (SV)

Voetnoot

  1. Zoals Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).