Jozua (boek)/9

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 9 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De koningen van Kanaän besluiten eenparig Israël te beoorlogen (1-2). De Gibeonieten zenden - tot lijfsbehoud - een gezantschap dat veinst uit een ver land te komen. Zij sluiten een verdrag met Israël. Hun bedrog wordt naderhand ontdekt, maar het verdrag blijft om des eeds wil. Wel worden zij tot hun straf dienstknechten van de Israëlieten gemaakt.

Joz. 9:1-2 Samenvergadering tegen Israël

Joz 9:1 En het geschiedde, toen [dit] hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens der grote zee, tegenover den Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten; Joz 9:2  Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israël te krijgen, eenmoediglijk. (SV)

Onder Kanaäns koningen was een be­weging gaande ten einde tot meerdere eenheid te geraken. Reeds leefde in het hart van Kanaäns beheersers de overtuiging, dat nauwe aaneensluiting en innige samenwerking geboden was tegenover dat volk, dat in eerste stormloop eeuwenoude vestingen onder de voet had gelopen en zich zelfs van Sichem, Kanaäns ongekroonde koningin, had weten meester te maken, hoewel dit laatste niet in de Schrift wordt vermeld. Tegenover Jozua en de zijnen moesten onderlinge veten worden vergeten, moest aan jaloezie en eigenbaat het zwijgen worden opgelegd. Een vast aaneengesloten falanx van vastberaden legerscharen moest aan Israël het „Halt!" toeroepen en Jozua en de zijnen tot over de Jordaan terugwerpen, zo mogelijk hen terugslingeren in de steppen van de Arabische woestijn, van waaruit ze hun stormloop te kwader ure waren begonnen.

Gezanten uit een ver land

Niet lang heeft de oplaaiende vlam van gods­verheerlijking en godsvertrouwen, die de bondsvernieuwing op de Ebal tot een nationaal hoogtepunt had gemaakt (Joz. 8), stand gehouden. Jozua zowel als ge­heel Israël, ze mogen dan bij het branden van de offers ten aanhoren van Hem, die op de cherubs woont, hun „Amen" hebben laten weerklinken en daarmee wat in de Naam des Heeren tot hen werd gezegd, als enig richtsnoer van eigen leven hebben erkend. Ze mogen in opgewekte stemming hebben gesproken van levenswijding aan Hem, die op zo wondere wijze een begin had gemaakt met de realisering van Zijn beloften aan de vaderen. Weldra zullen hun daden het bewijzen, dat levenswijding nog heel wat anders is dan danken voor ontvangen zegeningen, heel wat anders dan het brengen van offers en het aanheffen van feestgezangen. Straks zal in het legerkamp van Gilgal het meest sprekende bewijs worden geleverd, dat het „wandelen voor het aangezicht des Heeren" voor de zondige en dientengevolge onevenwichtige mens niet anders is dan een voort­durend struikelen en vallen, dat de mens gul is met woorden, maar karig met daden.

Gezanten. Gezanten komen tot de Israëlieten; gezanten, die niet spreken van dreigende strijd, maar van komende vrede; gezanten, die in welgekozen woorden uiting geven aan de eerbiedige bewondering, die hun zielen heeft vervuld bij het horen van wat Israëls God ten be­hoeve van zijn volk in het midden van Kanaäns in­woners heeft gewrocht; gezanten, die zelfs door een nader te sluiten verbond hun volk in des Heeren dienst willen stellen en met Israël willen strijden tot inbezitname van Kanaän.

Tot dusver hebben Jozua en de zijnen zich geïsoleerd gevoeld. Nog meer dan vreemdelingen waren ze in het land, dat de Heere aan de Vaderen had beloofd. Ze waren aller vijand en aller hand was tegen hen. Niemand kwam tot hen, tenzij dan met vijandelijke bedoelingen. En nu gaat dat ineens veranderen. Gezanten immers zijn tot hen gekomen. Ze hebben in hun land, dat blijkens hun herhaalde betuiging en hun hele voorkomen, veraf moet liggen, gehoord van de geweldige reeks overwin­ningen, door Israël in het Oost-Jordaanland behaald. Ook is daar de mare gegaan van de wondere wijze, waarop Israël ontkomen is aan Egypte's dienstbaar­heid. En dat alles heeft die mannen uit dat verre land de grote reis naar Kanaän doen ondernemen om toch maar dat volk te zien, dat tot zoveel groots en geweldigs in staat was, en als hun „knechten" het grote voorrecht te mogen genieten om een verbond met Israël te sluiten.

Welk een vergezicht opent zich hier voor Jozua en zijn mannen! Aan hun isolement is een einde, en hun militair vermogen wordt verdubbeld door dat volk uit dat verre land! Wat zijn die bondgenoten wel­kom! Want zeker, Jericho en Ai zijn gevallen en hun puinhopen spreken van Israëls onweerstaanbare kracht. Bethel en Sichem hebben (vermoedelijk) het trotse hoofd gebogen en zonder slag of stoot Israëls meerderheid erkend. Maar, al zijn ze dankbaar voor wat in eerste stormloop werd bereikt, Jozua en zijn mannen zijn er zich ten volle van bewust, dat de onderwerping van Kanaän nog nauwelijks is begonnen. Het zwaarste komt nog: de inname van die vele steden in Noord en Zuid, welker zware muren Israël evenveel ontzag inboezemen als ze vertrouwen schenken aan hun bouwers.

Reeds is onder Kanaäns koningen een be­weging gaande om tegen Israël ten strijde te trekken. Stamverwanten van de beheersers van Sichem hebben een stedenbond gevormd onder leiding van Gibeon[1]. Behalve deze zijn het Kefira, Beërot en Kirjat-jéarim. Van deze is Gibeon het sterkst.

Joz. 9:7

Joz 9:7  Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken? (SV)

Geen ogenblik mag er van het sluiten van een verbond met Kanaänieten sprake zijn. Geen gemeenschap met hen: geen huwelijk mag met hen worden aangegaan, geen feest mag met hen worden gevierd, geen handel mag met hen worden gedreven. Waar Israël is, is voor Kanaäns inwoners geen plaats (Exod. 24 : 16, Deut. 7 : 1—8).

Joz. 9:8-9

Joz 9:8  Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zeide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij? Joz 9:9  Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft; (SV)

De gezanten laten de eerste helft van de vraag onbeantwoord. Ze handhaven hun in­ cognito, maar geven met psychologische breedspra­kigheid op de tweede helft een antwoord.

Uit een zeer ver land. Het verre land, waarvan eerst sprake was (Joz. 9 : 6), is nu ineens geworden tot een „zéér ver land".

Joz. 9:9-10

Joz 9:9  Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;  Joz 9:10  En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharoth [woonde]. (SV)

Overeenkomstig hun beweerde herkomst "uit een zeer ver land" (vers 9) wordt wel gesproken van wat reeds lang achter Israël ligt: de plagen in Egypte en de daarop volgende uitredding; ook de strijd met Sihon en Og in het Overjordaanse, maar natuurlijk niet over wat pas onlangs is geschied: de ondergang van Jericho en Ai, (vermoedelijk) ook de overgave van Sichem. Daarvan mogen die mannen uit „een zéér ver land" natuur­lijk geen kennis hebben. Dat kan hun nog niet ter ore zijn gekomen.

Daarbij schrijven ze — psycho­logen als ze zijn — dat alles niet toe aan Israël zelf, maar aan Israëls God. Niet Israël, maar Hem willen ze eren, want van Hem hebben ze horen spreken in hun „zeer ver land". En wat ze van Hem hebben gehoord heeft op hun gehele volk zulk een diepe indruk gemaakt, dat geen hunner tegen de bezwaren en vermoeienissen van een reis uit dat „zéér verre land" heeft opgezien.

Joz. 9:11

Joz 9:11  Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons. (SV)

Op reis zijn ze gegaan, uitsluitend ge­dreven door de begeerte om met het volk van zulk een grote God, die zó zijn macht heeft geopenbaard en die met zo geweldige snelheid zijn vijanden verpletterd heeft, een verbond te sluiten. Een verbond, zodat hun eigen volk en het volk van die grote God als het ware een eenheid worden en niet anders weten dan dit ene: „Uw vrienden zijn de mijne; uw vijanden zijn de mijne". Een verbond, niet maar een afspraak; neen, een eenheidsdaad, gesteld onder de bescherming van de wederzijdse goden, een reli­gieus-politieke handeling, gewijd door offer en offer­maaltijd en waarvan dus de verbreking automatisch de toorn der godheid doet neerdalen op hem, die de bondssluiting ongedaan wil maken. Een verbond sluiten; dat is de opdracht, die aan deze mannen was gegeven, toen ze door de leiders van hun volk naar Jozua en de zijnen werden gezonden.

Omdat het sluiten van een verbond de begeerte van hun eigen ziel was, zijn deze gezanten niet omgekeerd, toen de afstand, die hen van het volk van die grote God scheidde, zó groot bleek, dat hun brood droog en kruimelig en bijna oneetbaar werd, de nieuwe wijnzakken gingen scheu­ren, de kleren en sandalen oud en versleten werden. En ze zijn blij, dat ze eindelijk, eindelijk het zo vurig begeerde doel hebben bereikt, dat ze aangeko­men zijn bij het volk van die grote God. Ver­geten zijn nu de vermoeienissen van de reis; verge­ten de bezwaren, die moesten worden overwonnen; vergeten de ellenden, die moesten worden doorstaan. Dat alles is nu voorbij. Nu kan „het verbond" worden gesloten, dat hen tot knechten maken zal; tot Israëls knechten, zeer zeker, maar tevens tot knechten van die grote God.

Joz. 9:12

Joz 9:12  Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld; Joz 9:13  En deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze klederen, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis. (SV)

De woordenstroom is ten einde en de laatste geste — de laatste; eerst moeten de woorden hun invloed hebben geoefend, dan eerst komen de „bewijzen" van hun lange reis! — is een wijzen op de versleten kleren en sandalen, op de gescheurde wijnzakken en op het uitgedroogde, kruimelige brood. Die bewijzen toch wel de waarheid van hun woord: „uit een zéér ver land zijn uw knechten gekomen". Daarbij rekenen ze erop, dat deze bewijzen, gesteund door hun woordenstroom, Jozua en de zijnen zullen doen ver­geten, dat de eerste helft van de vraag (vers 8) onbeantwoord is gebleven. De mannen hebben niet gezegd wie ze toch eigenlijk wel zijn. Het onmiddellijk bij hun aankomst opgeworpen be­zwaar: „Misschien woont u dicht bij ons; hoe kan ik dan een verbond met U sluiten?" had dus door Jozua en de zijnen onverzwakt moeten zijn gehand­haafd. In ieder geval hadden ze de Heere moeten vragen wat ze in dezen hadden te doen. Maar daarvoor hebben de woorden van die vreem­delingen een te diepe indruk op hen gemaakt. Daar­voor heeft de lof, hun God toegezwaaid, te veel hun nationale trots gevleid. Daarvoor is in hun den­ken aan politieke en militaire overwegingen een te grote plaats ingeruimd.

Joz 9:12  Dit brood van ons hebben wij warm als voedsel voor onderweg uit onze huizen meegenomen op de dag dat wij vertrokken om naar u toe te gaan. Maar zie, nu is het droog en kruimelig. (HSV)

Joz. 9:14

Joz 9:14  Toen namen de mannen van hun reiskost; en zij vraagden het den mond des HEEREN niet. (SV)

Zo gaan Jozua en de zijnen er dan ook zonder meer toe over om nader met die vreemdelingen in contact te treden. Gemeenschappelijk eten ze iets van de meegebrachte proviand. Daardoor worden de eerste vriendschapsbanden gelegd. Daardoor wordt de eerste stap gedaan op de weg, die voeren moet naar het nu door allen gewenste doel: het sluiten van een verbond. Immers, het gezamenlijk eten onderstelt zielsgemeenschap. Het nemen van voedsel schenkt leven en sterkt de ziel, en een gemeen­schappelijke zielsversterking wekt gemeenschappelijk leven. Met een vijand eet men niet, want wie eigen kracht wil bewaren mag die niet verzwakken door te eten met een ander, die men vrezen moet (1 Kon. 13). Gemeenschappelijke maaltijd onderstelt de vrede tussen hen, die er aan deelnemen (Gen. 26 : 3a; 31 : 54; 2 Sam. 3 : 23; Ps. 41 : 10, waar schan­delijk wordt geacht het betonen van vijandschap tegen een disgenoot).

Joz. 9:15

Joz 9:15  En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten der vergadering zwoeren hun. (CP[2])

Hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou. Na de gezamenlijke maaltijd volgt de tweede stap: het verbond wordt ge­sloten. Dat wil niet zeggen, dat daardoor beide par­tijen elkaar als gelijke beschouwen. Het zegt alleen, dat bepaalde, nader omschreven rechten en verplichtingen door beide partijen worden erkend en voor het aangezicht van de God van Israël (of misschien van de wederzijdse goden) de nakoming zowel van rechten als verplichtingen door beiden op zich wordt genomen. Zo wil Nahas, de Ammoniet, in later dagen een verbond sluiten met de mannen van Jabes, die slechts onder hem zullen blijven leven, mits ze een bepaalde schande over zich laten komen (1 Sam. 11 : 2). En de Aramese bondgenoten van de Ammonieten, door David verslagen, zijn blij een vredebond met hem te kunnen maken op voorwaarde hun macht voortaan in dienst van Israël te zullen stellen (2 Sam. 10 : 19). Zo wil ook Jozua die vreemde mannen niet behandelen op voet van gelijkheid. Het gesloten verbond waarborgt hun niet anders dan dat ze in het leven zullen wor­den gelaten.

Intussen, dit moge voor die gezanten de hoofdzaak zijn, voor Jozua en de zijnen had het zo niet mogen zijn. Geen verbond! Dat was het goddelijk bevel. Het is het leven sparen van hen, voor wie in Kanaän geen plaats meer is, nu God over dit land heeft beschikt ten behoeve van Zijn eigen volk. Geen verbond!

Maar Jozua heeft zich door overwegingen van zuiver menselijke aard laten overhalen om een verbond te sluiten met die vreemde mannen, van wie hij zelfs niet weet wie ze zijn. En nog minder weet hij, of hij daarmee niet in flagrante strijd komt met des Heeren uitdrukkelijk bevel: geen verbond met de inwoners van Kanaan!

De oversten der vergadering zwoeren hun. En Jozua's bondssluiting wordt door „de oversten der vergadering" bevestigd door een eed. Door een eed. De hand wordt dus „opgeheven tot de Heere, de Allerhoogste God" (Gen. 14 : 22, ook Exod. 6 : 7, Deut. 32 : 40) en het „Zo waarachtig als de Heere leeft" wordt uitgesproken (Ruth 3 : 13, 1 Sam. 20 : 3, 2 Sam. 15 : 21) of misschien deze andere formule wordt gebruikt: „Bij de Heere, de God der goden" (Joz. 22 : 22) of ook deze: „de Heere zij toehoorder tussen ons" (Richt. 11 : 10) of deze: „Zo doe ons de Heere en zo doe Hij daartoe" (Ruth 1 : 17).

Maar welke woorden ook mogen zijn uitge­sproken, Israëls leiders hebben de pas gesloten bond met de vreemde mannen gesteld onder des Heeren bijzondere bescherming. Des Heeren toorn wordt dus over hen ontketend, zodra ze een daad verrichten, die het karakter van het verbond aantast en in strijd is met de verplichtingen, die ze tegenover hen op zich hebben genomen. Van nu af aan zijn Israël en die vreemden met elkaar verbonden. Geen mens kan ooit tussen hen scheiding maken, want mein­eed is ontheiliging van des Heeren naam (Exod. 20 : 7, Levit. 19 : 12).

Joz. 9:17

Joz 9:17  Want toen de kinderen Israëls voorttrokken, zo kwamen zij ten derden dage aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beëroth, en Kirjath-jearim. (CP[2])

Met hun vieren beheersen deze steden der Hevieten, die natuurlijk bovendien op de steun der stam­verwante beheersers van Sichem konden rekenen, de in Jozua's dagen meest belangrijke dalen en wegen, die van de voor de toenmalige handel zo belang­rijke kustvlakte opvoerden naar het gebergte. Van­daar misschien, dat Jozua zich juist hierheen wendt bij zijn poging om zijn positie in het bergland te versterken en ook andere steden tot onderwerping te dwingen.

De Gibeonieten waren tot Israël gekomen, dat gelegerd was in Gilgal.

Joz. 9:18

Joz 9:18  En de kinderen Israëls sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij den HEERE, den God Israëls; daarom murmureerde de ganse vergadering tegen de oversten. (SV)

Daarom murmureerde de gans vergadering tegen de oversten. Doordat nu blijkt, dat Gibeons stedenbond, die nu vlak voor hen ligt, voor hen onaantastbaar is, omdat Jozua en hun oversten een verbond met zijn inwoners hebben aan­gegaan, voelt het volk zich teleurgesteld.

Joz. 9:19

Joz 9:19  Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den HEERE, den God Israëls; daarom kunnen wij hen niet aantasten. (SV)

Het verbond verbreken, de eed herroepen, is niet meer of minder dan des Heeren toorn gaande maken, des Heeren vloek over zich doen komen.

Joz. 9:20

Joz 9:20  Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, om des eeds wil, dien wij hun gezworen hebben. (SV)

Grote toorn over ons. Meineed is ontheiliging van des Heeren Naam en het schenden van de eed ontketent des Heeren brandende toorn.

Joz. 9:21

Joz 9:21  Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn der ganse vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben. (SV)

Het met de Gibeonieten gesloten ver­bond wordt tot de geringste afmetingen terugge­bracht en het woord van Gibeons gezanten: „wij zijn uw knechten" wordt in volle zwaarte aan hen be­vestigd. Met hun gedrag hebben ze wel hun leven gered, maar slavernij gebracht over zichzelf en hun kroost Althans zolang Israël krachtig genoeg was om hen in die toestand van slavernij te hou­den. Dat dit slechts kort het geval is geweest, bewijst wel het verdere verloop van Israëls historie.

Joz. 9:23

Joz 9:23  Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods. (SV)

De Gibeonieten zullen in een verhouding van dienstbaarheid tegenover Israël worden gesteld. Houthakkers zullen ze wezen en waterputters. Slavendiensten zullen ze moeten verlenen. Ja, tempelslaven zullen ze worden, want hun arbeid zal ten goede komen het huis van God. Gibeon is later een priesterstad is geworden (Joz. 21 : 17).

Bronnen

Bijbel (Statenvertaling), uitgave van het Amerikaans Bijbelgenootschap, zonder jaar. De samenvatting is hieraan ontleend en onder wijziging verwerkt op 9 nov. 2020.

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Tekst van blz. 28-35 is onder wijziging verwerkt op 17 dec. 2020

Voetnoten

  1. A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 31.
  2. 2,0 2,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.