Jozua (boek)/10

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 10 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het kort: de verovering van Zuid-Kanaän. — Adonibezek, koning van Jeruzalem, trekt met vier andere koningen van zuidelijk Kanaän op, om Gibeon voor haar afval te tuchtigen (1-5). Jozua komt de Gibeonieten, op hun verzoek, te hulp (6-7); door God bemoedigd, valt hij de vijanden aan en verslaat hen, terwijl God hen door hagelstenen verplettert (8-11). Volgens Jozua’s wens, staat de zon stil totdat de vijanden geheel uiteengedreven zijn; waarna hij met zijn leger naar Gilgal terugkeert (12-15). Als Jozua verneemt dat de vijf koningen zich in een grot hebben verscholen, beveelt hij, hen daar gedurende de vervolging te bewaken (16-19). Als deze geëindigd is, laat hij hen ter dood brengen (20-27). Makkeda, Libna, Lachis, Eglon, Hebron, Debir worden ingenomen en met de banvloek geslagen (28-39). Jozua verovert geheel Zuid-Kanaän en keert naar Gilgal terug (40-43).

Inleiding

De beheersers van Kanaän mogen dan al in meerdere groepen uiteenvallen, hun onderling wantrouwen mag dan al aaneensluiting en samenwerking in de weg staan; ook hier is het „van twee kwaden het beste kiezen" niet ten enenmale onbekend en de koningen van Zuid-Kanaän zijn niet kortzichtig ge­noeg om te wanen, dat de val van Jericho en Ai en het zich-aansluiten van Gibeons stedenbond bij Israël geen gevaar voor hen meebracht. Daarvoor volgen de gebeurtenissen veel te snel op elkander en springt het te veel in het oog, dat hier een kracht werkzaam is, zoals vroeger nooit binnen Kanaäns grenzen werd gezien. De koningen begrijpen, dat ze hier niet staan voor een volk, dat zich met een gedeelte van Kanaän tevreden stelt. Hier is een volk, dat geheel Kanaän voor zich opeist en in zijn strijd gesteund wordt door een goddelijke macht, die hen met schrik en ontzetting vervult.

Zo hebben de koningen van Zuid-Kanaän zich dan aaneengesloten om het verraad van Gibeons stedenbond bloedig te straffen en aan Jozua een gebiedend halt toe te roepen. Straks staan ze voor de muren van Gibeon, en ze zijn er zeker van, dat hun overgrote meerderheid de mannen van Gibeons stedenbond tot ernstig nadenken zal brengen en dat in ieder geval militair geweld hen er van zal overtuigen, dat ze een dwaasheid begingen, toen ze zich van de beheersers van Kanaän afscheidden en gemene zaak maakten met die vreemde indringers.

Gedurende de cam­pagne van Jozua hebben de Israëlieten in tenten (en spelonken) gewoond. Hoe daar het leven van hun aanvoerders was, wordt ons enigszins duidelijk bij de beschouwing van dit reliëf. Het reliëf vertoont Assyrische tenten met kriigers, kamelen, etc. Duidelijk ziet men het betrekkelijk rijke interieur van een tent, waarin iemand bezig is het bed (sofa) op te maken voor zijn vermoeide heer. Aan de hoofdzuil van de tent hangen een hoorn (bazuin?) en een waterkruik.

Joz. 10:5

Joz 10:5  Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar. (SV)

Misschien wilden zij Gibeon dwingen hun zijde te kiezen: eerst dan kan met hoop op succes tegen Jozua's heirscharen worden opgetreden.

Joz. 10:6

Joz 10:6  De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd. (SV)

De mannen van Gibeons stedenbond hebben in de korte tijd, waarin ze in nauw contact met Israël traden, een diepe indruk gekregen van Israëls macht. Wat hun aangaande de gebeurtenissen, zowel aan de Schelfzee als in het Oost-Jordaanland en Kanaän zelf nader is gezegd; vooral het licht, door Jozua en Israëls oudsten daarop geworpen, waardoor dat alles gezien werd als vrucht van het ingrijpen van Hem, die als Israëls God Zijn volk naar het aan de vaderen gegeven land leidde; dat alles heeft het hun duidelijk gemaakt, dat het einde der heerschappij van Kanaäns koningen nabij is, dat dit jonge volk straks Kanaäns beheerser zijn zal. Daarom wordt Gibeon, het hoofd van de stedenbond, niet aan Adoni-Zedek en zijn medestanders overgegeven. Integendeel, onmiddellijk worden boden gezonden naar Israëls legerkamp in Gilgal met de bede: „Trek uw hand niet af van uw knechten; trek snel naar ons op; kom ons te hulp en sta ons bij, want alle koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verenigd".

Voor Jozua en de zijnen breekt een uiterst gewichtig mo­ment aan. ment. Het met de stedenbond van Gibeon gesloten verbond legt hun de verplichting op om zonder ver­wijl te hulp te snellen. Maar grote gevaren dreigen van alle kanten. De geweldige indruk, die Jericho's onverwacht snelle val en Ai's ondergang op de be­heersers van Midden-Kanaän hebben gemaakt en die de opmars naar Sichem mogelijk hebben ge­maakt, is blijkbaar onder de Kanaänieten aan het vervagen. De onderlinge naijver van de Kanaänitische koningen heeft plaats gemaakt voor de begeerte om elkaar zoveel mogelijk te steunen in de gemeenschappelijke strijd tegen die vreemde indringers, en ieder, die het wagen mocht gemene zaak met Israël te maken, aan den lijve te doen ­voelen, dat afval niet zal worden geduld.

Bovendien zal het nu niet meer gaan om de be­legering van een enkele stad, die tevergeefs naar hulp van anderen uitziet. Als Jozua aan de bede der mannen van Gibeon gehoor geeft — en hij kan niet anders! — , bemoedigd door God (zie vers 8), dan zal er een slag moeten geleverd wor­den op het open veld, in een bergland, waarvan Adoni-Zedek en de zijnen alle geheimen kennen. Dan vindt Jozua gewapenden tegenover zich, die zeer zeker noch in uitrusting noch in geoefendheid Israëls minderen zijn. Zo'n open veldslag heeft Israël nog niet geleverd in Kanaän, en Jozua is er zich bewust van, dat een veldslag nog heel wat anders inhoudt dan het bij verrassing innemen van een stad. Dan zal het aankomen op de persoonlijke moed, op het uit­houdingsvermogen van de strijders en op de vaardigheid in het hanteren der wapenen.

En eindelijk, Jozua is er zich van bewust wat hier op het spel staat. Een enkele nederlaag, en Israëls zegeloop eindigt in een ontzettend bloedblad. De vlucht van Israëls leger zal zonder de minste twijfel niet alleen voor de mannen van Gibeons stedenbond het sein zijn om zich aan de zijde van Adoni-Zedek te scharen. Onmiddellijk zal Sichem het hoofd weer opheffen, zal Bethel zich zijn Kanaänitische afkomst herinneren, zullen de andere koningen van het gebergte, die nu aan Jeruzalems oproep geen gehoor hebben gegeven, zich bij Adoni-Zedek voegen. En dan zal het „wee de overwonnene!" in volle zwaarte door Israël worden ervaren. Een paniek zal zich van het vluchtende Israël meester maken, wan­neer het in iedere Kanaäniet een vijand moet zien, in ieder dal een hinderlaag moet vrezen, van iedere bergtop nieuwe tegenstanders zal zien afkomen. En dan zal het legerkamp in Gilgal zeker niet in staat zijn de vluchtelingen nieuwen moed in te boezemen noch aan de vervolging van de zijde der Kanaänieten een einde te maken. Wel verre van een haven van het behoud te zijn, zal Gilgals legerkamp het toneel worden van schrik en ontzetting, wanneer de over­winnende Kanaänieten het van alle zijden zullen be­stormen. Dan zal het Jordaandal weerklinken van de jammerklachten van vrouwen en kinderen, die hun natuurlijke beschermers zullen zien vallen onder de slagen der vijanden. Dan zullen de wateren van de Jordaan rood gekleurd worden van het bloed der verslagenen en ze zullen het graf worden van de velen, die een poging hebben gewaagd om het vege lijf te redden in het Overjordaanse.

Wat wreekt zich ook hier weer het niet-vragen-van-de-Heere-om-raad op ontzaglijke wijze aan Jozua en de zijnen! Want omdat de mannen van Gibeons ste­denbond Israëls bondgenoten zijn, daarom roepen ze nu Israëls hulp in. En omdat Israël onder aan­roeping van de Naam des Heeren een verbond met deze Kanaänieten heeft aangegaan, daarom kan Jozua niet anders doen dan aan hun bede gehoor geven, ook al is hij zich ten volle bewust van het hachelijke der onderneming, van de dreigende gevaren, van het ontzaglijk vele, dat hier op het spel staat. Nog veel meer dan toen Israël voor Gibeons muren morde over het gesloten verbond, is het nu voor Jozua een uur van benauwenis en zielsangst. Aan Gibeons smeek­bede om hulp geen gehoor geven, dat maakt de hun gezworen eed tot meineed en ontketent over Israël de brandende toorn des Heeren. Gibeon te hulp snellen stelt Israël bloot aan gevaren, die Jozua zich nauwelijks durft indenken en die hem met siddering vervullen.

Maar de Jozua van nu is niet meer dezelfde als de Jozua van het uur waarin hij het verbond met Gibeons stedenbond sloot. Daarvoor heeft hij de nalatigheid van het niet-de-Heere-om-raad-vragen te duidelijk gezien, te ernstig beweend en beleden. Zo wordt dan Gibeons smeekbede, naar het schijnt (vers 8), voor het aangezicht des Heeren neergelegd en Zijn beslissing in een ootmoedige smeekbede gevraagd.

En dan wordt de stem van God gehoord, die spreekt van neerbuigende genade en onbezweken trouw, die zijn knecht in het uur van het gevaar niet begeeft noch verlaat, die Zijn verbond gedenkt en Zijn woord gestand doet. „Vrees voor hen niet, want in uw hand geef Ik ze; niemand van hen zal voor U kunnen standhouden" (vers 8)

Met grote snelheid worden nu alle voorbereidingen getroffen, want Jozua weet: hij moet de vijand over­vallen. Van allen zal het uiterste moeten worden ge­vraagd.

Joz. 10:7-8

Joz 10:7  Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden. Joz. 10:8 Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan. (SV)

Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem. Bijna 29 km in vogelvlucht scheiden hem van Gibeon. Maar wat een moeilijkheden en bezwa­ren liggen hier opgestapeld! Tussen Gilgal en Gibeon is er een hoogteverschil van niet minder dan 1216 meter. En de weg daarheen voert door diepe dalen. De weg over Jeruzalem is natuurlijk afgesloten; de weg over Bethel voert te veel naar het Noorden. Jozua zal zijn krijgers door de pas van Michmas moe­ ten leiden en dan met hen over Rama naar Gibeon moeten trekken en trachten Adoni-Zedek in de rug aan te vallen, hem de terugweg naar het zuiden af te snijden en hem in westelijke richting te verslaan. Maar die weg over Michmas en Rama vraagt toch altijd nog een ijlmars van niet minder dan zes á zeven uur. Daarmee is dus in ieder geval een gehele nacht gemoeid. Zal Jozua dan nog met zijn vermoeide troepen een aanval durven wagen? Hij zal het wel moeten doen, want dat Adoni-Zedek hem rustig over Rama het gebergte zal laten bereiken en dan zal afwachten wanneer Jozua hem eindelijk zal willen aanvallen, dat is natuurlijk ten enenmale uit­gesloten. Alleen de grootst mogelijke snelheid van beweging kan met Gods hulp redding brengen.

De HEERE had tot Jozua gezegd. Het schijnt dat Jozua dit keer, anders dan bij de Gibeonieten, God gevraagd had. Des Heeren „vrees niet!" vervult Jozua's ziel met zelfvertrouwen en blijde verwachting. Hoe de Heere zijn belofte, dat niemand voor Israël zal kunnen standhouden, in vervulling zal brengen, dat weet Jozua natuurlijk niet. Maar dát het gebeu­ren zal staat voor hem vast.

En zo verlaat hij dan bij het vallen van de avond met „al het krijgsvolk, alle dappere helden" het legerkamp van Gilgal, ten einde in de vroege morgen de vijand in de rug aan te vallen.

Veldtochten van Jozua in het midden en zuiden van Kanaän

Jozua en zijn leger zijn met de mannen van Gibeon, die hem de smeekbede van de Hevietische stedenbond hebben overgebracht, van Gilgal opgebroken. Weldra slaan ze rechtsaf om langs de voet van de Dsjebel-Karantal naar de pas van Michmas te trek­ken. Voortdurend stijgt de weg, voerend langs steile rotswanden door een wirwar van kloven en spleten, die de grootste oplettendheid vragen. Maar vertrou­wend op zijn God, Wiens „vrees niet!" nog steeds zijn ziel vervult, trekt Jozua verder; terwijl daar boven hen aan de wolkenloze hemel in Oosterse pracht de sterren schitteren en de maan alles overgiet met haar zilverwit licht, dat de omtrekken van de rotswan­den te scherper doet uitkomen.

In Michmas wordt vermoedelijk een korte tijd rust gehouden, waarna het leger af­daalt in het nauwe dal, ten zuiden waarvan Geba ligt. Steile rotspunten rijzen hier omhoog en slechts met de grootste voorzichtigheid kan hier worden ge­marcheerd. Straks wordt Rama bereikt en daarmee is het leger tot op een uur afstand van Gibeon ge­naderd.

Nu komt het er op aan, de vijand zoo mogelijk bij het ochtendkrieken te overvallen en in verwarring te brengen. Wellicht zal een drietal legerafdelingen door de dalen, welke Gibeon aan de Oostzijde omgeven, naderbij sluipen, waarna ze op een afgesproken teken gemeenschappelijk de vijand op het lijf zullen vallen. Tegelijkertijd zullen de verdedigers van de stad dan een uitval moeten doen. Een kort woord nog van Jozua - zo stellen wij ons voor - herinnerend aan het groot gewicht van de te leveren slag en waarschuwend tegen het onderschatten van de vijand, maar tevens verster­kend in het geloof, dat de Heere ook nu Israëls wapenen zal zegenen.... en Israël trekt op ten aanval.

In het Oosten hebben Gibeons bergen zich reeds ge­tooid met de eerste boden van de komende dageraad. Steeds sterker wordende lichtglanzen ver­drijven de nevel, die zich overal had gelegerd, en straks verschijnt de dagvorstin in heerlijke glans, alles overstromend met licht. En dan wordt opeens Israëls krijgsgeschreeuw gehoord en nog voordat de vijand goed begrijpt wat gebeuren gaat, is Jozua de aanval begonnen.

Joz. 10:10

Joz 10:10  En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een groten slag te Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe. (SV)

Tot Azeka en tot Makkeda toe. Zie de kaart hierboven voor de ligging van deze plaatsen.

Door Jozua achtereenvolgens ingenomen steden van Kanaän (Joz. 6, 8, 10-12).

Steden: JerichoAiMakkedaLibnaLachisEglonHebronDebirHazor → en andere steden (Joz. 12)

Slag bij Gibeon. Een gefantaseerde reconstructie van de veldslag[1]: verward lopen de troepen van de vijf koningen dooreen. Slechts hier en daar vormt zich een groep van vastberaden mannen, die aan Jozua het hoofd trachten te bieden. Maar van alle zijden omstuwt hen het krijgsgewoel. Daar komen ook de Gibeonieten de heuvel afstormen, waarop hun stad is gebouwd, en beginnen ook zij de vijand aan te vallen. Slechts met grote moeite gelukt het Adoni-Zedek en de anderen koningen om althans een gedeelte van de troepen ten westen van Gibeon samen te trekken. Allerwege wordt het krijgsgeschreeuw gehoord, en de vrouwen en kinderen op de wallen van Gibeon vuren door hun geroep de moed van de mannen aan. Met blijde jubel hebben ze Israëls keurbenden begroet en met spot en smaad overstelpen ze het leger van Adoni-Zedek.

Waar de strijd het hevigst is, wordt Jozua's fiere gestalte gezien, terwijl hij met zijn kort zwaard de vijand ter aarde doet storten of met zijn langwerpig schild de pijlen van zijn tegen­standers opvangt. „Voor de Heere en voor Jozua!" is de kreet, die allerwege wordt gehoord, terwijl Israël en zijn bondgenoten gebruik maken van alle voordelen, welke het slagveld hun biedt, om de vijand te belagen, op wie ze een regen van pijlen en stenen doen nederdalen.

Reeds verlaat hier en daar een van Adoni-Zedeks mannen het slagveld ten einde zijn heil te zoeken in de vlucht. Jeruzalems koning voelt, dat de over­winning hem dreigt te ontgaan, maar nog wil hij een laatste poging wagen. Terwijl hij zelf met zijn huur­troepen de van alle zijden opdringende mannen van Israël en van de Hevieten zal trachten tegen te hou­den, moeten zijn bondgenoten een achterwaartse beweging maken in de richting van Bet-horon, dat ongeveer 8 km ten noordwesten van Gibeon ligt.

Maar reeds heeft Jozua het plan doorzien. Nu is voor hem het ogenblik daar om een beslissende slag te wagen. Terwijl hij zelf zich op Adoni-Zedek werpt, moeten de Hevieten, versterkt door een deel van Israëls leger, de terugtrekkende vijand verhinde­ren zich opnieuw in slagorde te scharen. „Voor de Heere en voor Jozua!" klinkt het opnieuw op de heuvels ten westen van Gibeon en met onweer­staanbaar geweld dringt Jozua voorwaarts.

Joz. 10:11

Joz 10:11  Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die die kinderen Israëls met het zwaard doodden. (SV)

Slag bij Gibeon (vervolg). Een gefantaseerde reconstructie[1]. Plotseling maakt „een schrik des Heeren" zich van de vijand meester. Van alle zijden bestormen hen Jozua en zijn helden. De terugtrekkende beweging richting Beth-Horon faalt. Aan standhouden valt niet meer te denken. Alleen snelle vlucht kan hier redding geven. Maar waarheen? De weg naar Jeruzalem is afgesneden. Wie naar het Zuid-Westen vlucht in de richting van Ajalon, loopt de mannen van Kefira en Kirjat-jearim in de armen. Alleen de weg, die over Bet-horon naar de kustvlakte loopt, staat nog open. Eenmaal in Filistéa gekomen, kunnen Adoni-Zedek en zijn bond­genoten dan verder zuidwaarts vluchten, ten einde te trachten op die wijze hun koningssteden weer te bereiken. Maar die weg is vooral aan gene zijde van Bet-horon gevaarlijk voor een vluchtend leger. Over een afstand van slechts 45 minuten daalt het pad, dat hier en daar zelfs in de rotsen is uitgehouwen, niet minder dan 310 meter. De vervolger kan hier met de zware bergkeien, die overal verspreid liggen, zware verliezen toebrengen. En ook wanneer de vluchtenden Beneden-Bet-horon eenmaal voorbij zijn, is alle gevaar nog verre van geweken. Hier voert de weg door diepe kloven, waar de dood hen van alle zijden aangrijnst, en over steile heuveltoppen, waar zelfs een klein legertje, dat over Kefira en Ajalon in de vlakte is afgedaald, hun gemakkelijk de terug­weg kan afsnijden.

Maar Adoni-Zédek en de zijnen hebben geen keuze. Geen andere weg dan die van Bet-horon staat voor hen open. Naar Bet-horon dus! Jozua en de Hevieten hebben echter Adoni-Zédeks plan doorzien en met grimmige woede trachten ze hem de weldra in een vlucht ontaardende terugtocht zoveel mogelijk te bemoeilijken.

Intussen hebben zich aan de westelijken hemel zwarte wolken vol dreiging opgestapeld. Plotseling verheft zich een stormwind en met huilend geweld komt het hemelheir aanjagen. Ineens valt uit het donkere zwerk een dichte hagel, die de vluchtelingen in het gezicht slaat en de verwarring vermeerdert. „Grote stenen van de hemel werpt de Heere op hen". Daarin ziet niet alleen Israël, maar zien ook de Kanaänieten met ontzetting het ingrijpen van Hem, die ook over wind en wolken beschikt en de tomelooze krachten der natuur ontketent ten gunste van zijn volk. Ja, zo dicht vallen de zware hagelstenen neer, voortgezweept door de huilen­de en gierende stormwind, dat „er meer door de hagelstenen stierven dan door de kinderen Israëls met het zwaard zijn gedood".

Een ogenblik blijft Jozua staan op de heuveltop van Bet-Horon. Van beneden stijgen de kreten van de strijdenden omhoog. „Voor de Heer en voor Jozua'' is de kreet der vervolgers. Maar de Kanaänieten denken niet meer aan het bieden van tegenstand en Israëls strijdkreet blijft onbeantwoord. In steeds groter haast drijven de achteraankomenden de voorsten naar de vlakte en van boven bezien is het een ver­ward mensenkluwen, dat voorwaarts snelt om aan het zwaard en aan de pijlen der vervolgers te ont­komen. En boven hun hoofden giert de stormwind en ontladen zich de wolken. Al dichter wordt de hagel, al groter worden de hagelstenen. Onheil­spellend rolt de donder; angstwekkend schieten de bliksemschichten. Het schijnt alsof alle natuurkrach­ten ontketend zijn.

De stem des Heeren klinkt over de wateren, de volheerlijke God dondert. De stem des Heeren is krachtig, de stem des Heeren zendt gespleten vuurvlammen uit (Ps. 29)

Joz. 10:12-13

Joz 10:12  Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht der kinderen Israëls overgaf, en zeide voor de ogen der Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon! Joz 10:13  En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag. (SV)

God greep op een zelfs voor de Kanaäniet verstaanbare wijze in de strijd in en streed voor Israël. Bij zulk een machtsopenbaring van de zijde van zijn God heft Jozua, als door hoger macht aangegre­pen, de vlammende blik omhoog en roept hij uit: "Zon, sta stil in Gibeon, en maan, in Ajalons dal". Vernietigd moet worden wie tegen Israël strijdt en daarom voorwaarts, de vluchtende vijand achterna.

Heere, neig uwen hemel en daal neder, raak de bergen aan, dat zij roken. Slinger bliksems en verstrooi hen, schiet uw pijlen af en breng hen in beroering. (Ps. 144 : 5 v.)

Joz. 10:18

Joz 10:18  Zo zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren. (SV)

Wellicht is eerst vastgesteld, dat de grot geen andere uitgang heeft. Jozua wil niet het leven van zijn mannen wagen. Alleen honger kan de vijand tot de over­gave dwingen.

Daarna slaat hij een legerkamp op in de onmiddellijke nabijheid (vers 21), ten einde misschien op alle ge­beurlijkheden voorbereid te zijn. Trouwens, althans enige rust moet aan de uiterst vermoeide troepen worden gegund.

Joz. 10:19

Joz 10:19  Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in den staart; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uw hand gegeven. (SV)

Intussen moeten anderen de vluchtende vijand overal volgen ten einde te voorkomen, dat hij in de steden een schuilplaats zoekt.

Joz. 10:20

Joz 10:20  En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israëls geëindigd hadden hen met een zeer groten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren; (SV)

De Kanaänieten zijn geheel ver­slagen, en al hebben velen zich in de steden kunnen bergen, gevaarlijk zijn ze niet meer.

Joz. 10:21

Joz 10:21  Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen Israëls geroerd. (SV)

Niemand durfde meer de tong tegen Israël uitsteken.

Joz. 10:24

Joz 10:24  En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua, al de mannen van Israël, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen. (SV)

Vernedering, overweldiging, overwinning. Vergelijk:

Ro 16:20  De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u! (NBG51)

Ro 16:20  De God nu van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u! (Telos)

Joz. 10:27

Joz 10:27  En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar zij verborgen geweest waren; en zij leiden grote stenen voor den mond der spelonk, [die] [daar] [zijn] tot op dezen zelven dag. (SV)

Ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname. Zo worden ze naar oud gebruik afgenomen.

De 21:22  Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft [waarop] de doodstraf [staat], en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt, De 21:23  dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag [nog] begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken. (HSV)

Eerst nu kan aan het voortzetten van het krijgsbe­drijf worden gedacht en kan een begin worden ge­maakt met de onderwerping van Zuid-Kanaän, welks voornaamste koningen bij Gibeon zo totaal werden verslagen en bij Makkeda zo jammerlijk het leven lieten. Van een gemeenschappelijk verzet van de zijde der Kanaänieten kan nu geen sprake meer zijn. Daarvoor heeft „de schrik des Heeren" zich te diep in aller ziel genesteld en te zeer aller kracht gebro­ken.

Joz. 10:28

Joz 10:28   Op die dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij haar koning, hen en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed de koning van Makkeda, gelijk als hij de koning van Jericho gedaan had. (CP[2])

Gelijk als hij de koning van Jericho gedaan had. Zie ook vers 30. Wat hij aan de koning van Jericho gedaan had, kunnen wij afleiden uit wat hij aan de koning van Ai deed.

Joz 8:2  Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve. (SV)

De koning van Ai werd omgebracht en aan een hout gehangen tot aan zonsondergang. Daarna werd zijn lichaam weggeworpen.

Joz 8:29  En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. (SV)

Door Jozua achtereenvolgens ingenomen steden van Kanaän (Joz. 6, 8, 10-12).

Steden: JerichoAiMakkedaLibnaLachisEglonHebronDebirHazor → en andere steden (Joz. 12)

Joz. 10:29

Joz 10:29  Toen toog Jozua door, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna. (CP[2])

Daarna wordt de tocht voortgezet. Het schijnt dat Jozua ervoor zorg draagt, het gebied der Filistijnen te vermijden en in het heu­velland te blijven, dat de kustvlakte scheidt van het bergland. Zo nadert hij Libna.

Geheel Israël met hem. Deze betrokkenheid van het hele volk wordt ook vermeld in de verzen 31, 34, 36, 38. Volgens vers 43 keert Jozua met geheel Israël terug naar Gilgal.

In toekomstige strijd volgen wij, die tevoren in het hemel zijn opgenomen, onze aanvoerder Jozua (= Jezus).

Op 19:14 En de legers <die> in de hemel <zijn>, volgden Hem op witte paarden, bekleed met wit, rein, fijn linnen. Opb. 19:15 En uit Zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige. (Telos)

Het aardse volk Israël was één met Jozua, het hemelse volk is één met Jezus.

Joz. 10:37

Joz 10:37  En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was. (SV)

Haar koning. De tweede koning, want de eerste was omgekomen bij Makkeda (vers 23, 26). De tweede moet de opvolger zijn geweest. De tijd van de verovering door Jozua van Kanaän heeft zeven jaar geduurd (zie commentaar bij Joz. 11:17). Tussen de dood van de eerste koning en de inneming van Hebron lag enige tijd.

Joz. 10:40

Joz 10:40  Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israëls, geboden had. (SV)

In een geweldige stormloop wordt geheel het latere gebied van Juda gedwongen zich te onderwerpen: „het ge­bergte, het Zuiderland, de Laagte en de hellingen".

Hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israëls, geboden had. Zie ook 11:11, 14, 20. In 11:20 staat een toelichting.

Joz. 10:42

Joz 10:42  En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want de HEERE, de God Israëls, streed voor Israël. (SV)

Al deze koningen en hun land. De steden Jeruzalem en Jarmuth, die deel uitmaakten van het bondgenootschap, waren nog niet ingenomen.

Joz. 10:43

Joz 10:43  Toen keerde Jozua weder, en gans Israël met hem, naar het leger te Gilgal. (SV)

De Israëlieten terugkeren naar de legerplaats te Gilgal, vanwaar ze vertrokken waren (vers 7).

Op grond van militaire overwe­gingen heeft men beweerd, dat het Gilgal van 9 : 6; 10 : 43 en 14 : 6 een ander moet zijn geweest, dat men dan óf tussen Sichem en Jeruzalem óf tussen Sichem en Samaria zoekt. Maar dan had de schrijver dat toch wel gezegd!

In Gilgal had de besnijdenis plaatsgevonden, die voor ons, nieuwtestamentische gelovigen, spreekt van het oordeel over (de zonde in) het vlees.

Lu 17:10  Zo ook u, wanneer u alles hebt gedaan wat u is bevolen, zegt dan: Wij zijn nutteloze slaven; wat wij behoorden te doen, hebben wij gedaan. (Telos)

Joh 6:63  De Geest is het die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut. De woorden die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven. (Telos)

We moeten steeds terug naar de plaats die spreekt van het kruis van Christus, opdat wij niet op het vlees vertrouwen, maar op God. Was Gilgal het uitgangspunt voor de fysieke strijd onder aanvoering van Jozua, Golgotha is het uitgangspunt voor de geestelijke strijd onder aanvoering van Jezus.

Bronnen

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Joz. 10 is onder wijziging verwerkt op 23 dec. 2020.

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Tekst van blz. 36, 38-40, 46 is onder wijziging verwerkt in december 2020.

Ger de Koning, commentaar op Jozua 10, op KingComments.com.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 40.
  2. 2,0 2,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.