Jozua (boek)/3

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 3 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Kort: doortocht door de Jordaan.

Jozua regelt de doortocht door de Jordaan. Tijdens de doortocht staan in het midden van de Jordaan de priesters die de ark van het verbond dragen. God houdt het water van de rivier tegen, zodat het volk over de drooggevallen bedding naar de overkant kan gaan.

Inleiding

Als een voorzichtig man, die bij ervaring weet, dat onderschatting van de vijand de zekerste weg is naar de nederlaag, heeft Jozua in het geheim twee mannen gezonden om „het land en Jericho" te bezien, en eerst wanneer deze teruggekomen zijn en verhaald hebben ook van hun ervaringen en gesproken heb­ben van de vrees, die „alle inwoners van het land" heeft bevangen bij het horen van wat èn bij de Schelfzee èn in het Overjordaanse is gebeurd, eerst dan neemt hij het besluit om de Jordaan over te trekken. Wat de verspieders hem zeggen leeft ook in zijn hart: „De Heere heeft het gehele land in onze hand gegeven, ja alle inwoners van het land vergaan voor ons van angst" (Joz. 2 : 24).

Joz. 3:1

Joz 3:1  Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israëls; en zij vernachtten aldaar, eer zij overtrokken. (SV)

Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op. Na de bemoedigende woorden van de twee verspieders (2:24) neemt Jozua het besluit tot de overtocht. Met een geheel volk, dus ook met vrouwen en kinderen, de rivier over te steken, dat houdt heel wat in. Dat kan slechts gedaan worden door wie niet alleen leeft in de overtuiging, dat gedurende het oversteken der rivier geen vijandelijke macht tot een onverwachte aanval besluit, maar er tevens zeker van is, dat hij straks niet tot een smadelijke terugtocht zal worden gedwongen. Die overtuiging nu leeft in Jozua's ziel. Hij weet, dat „een levende God" (vers 10) in het midden van Israël is; een God, die het doet, die alles doet, die met hem zijn zal zoals Hij was met Mozes en hem niet be­geven noch verlaten zal. Diens woord, tot hem gesproken na Mozes' dood, is in zijn ziel gegrift en sindsdien Jozua's enig richtsnoer. Het zei hem sterk te zijn en vast besloten, niet te sidderen noch te vrezen (Joz. 1 :2—9).

Zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan. De weg van Sittim, van het legerkamp van Abel-Sittim, tot de Jordaan is ongeveer 13 km lang[1].

Excursie: plaats van de overtocht

Dat het volk juist hier Kanaän binnentrok, laat zich ge­makkelijk verstaan. In de eerste plaats bereidt de Jordaan hier de minste hindernis. Stromend door een diepe kloof is de rivier, hoewel nergens breder dan 32 meter, veeleer een hinderpaal dan een verbin­dingsmiddel, begeleid als zij wordt door steile berg­wanden, die soms slechts een uur breedte voor het dal overlaten. Het overtrekken van zulk een rivier bereidt dus vooral voor een grote mensenmassa met vrouwen en kinderen, en bovendien met veel vee, grote moeilijkheden. Eigenlijk zijn er op de gehele lengte tussen het meer van Gennesaret en de Doode zee slechts twee plaatsen, die daarvoor in aanmerking komen.

Noordelijke plaats. De eerste oversteekplaats ligt iets ten noorden van Bet-Sean, ter plaatse waar de eeuwenoude kara­vaanweg, die van Damaskus over Bet-Sean naar Sichem voert, de rivier overschrijdt. Maar wie deze weg kiest, moet, na zich van Bet-Sean te hebben meester gemaakt, de vlakte van Jizreël doortrekken en dan over Dotan het gebergte trachten te be­reiken. Maar hier dreigen, menselijk gezien, grote gevaren van de zijde der beheersers van steden als Taänach, Megiddo, Jibleam, die van de Karmel de gehele vlakte overzien, en niet minder van de zijde van de beheerser van Haroset, in de vlakte aan de Kison gelegen en vandaar de toegang van uit het Westen beheersend, het huidige Harisije. De ge­makkelijke wijze, waarop in later tijd Gideon de langs deze weg binnengedrongen Midianieten tot overhaaste terugtocht heeft gedwongen, spreekt boekdelen. Voor Jozua en de zijnen komt dus de noordelijke plaats van overtocht van de Jordaan eigenlijk niet in aanmerking.

Zuidelijke plaats. Voor hen blijft alleen de zuidelijke oever, gelegen dicht bij de plaats, waar de Wadi el-Kelt in de Jordaan stroomt. Hier zal later ook David tijdens en na de opstand van Absalom met zijn leger over de Jordaan gaan (2 Sam. 17 : 22) en hier trokken sinds eeuwen de scharen pelgrims over de rivier. Hier ter plaatse, waar het dal een breedte heeft van vijf uren gaans, voerde een karavaanweg langs Jericho naar de pas van Michmas, die de toegang geeft naar het gebergte, waarna Sichem, de ongekroonde koningin van het West-Jordaanland, ge­makkelijk kon worden genomen. Wie zich hier van Gilgal en Jericho weet meester te maken, heeft daarmede een vast „bruggehoofd" gekregen, dat hem zelfs bij aanvankelijke tegenslag mogelijk zal maken de aanval te vernieuwen. Vandaar dan ook, dat, wanneer Eglon van Moab in het West-Jordaanland wil doordringen, hij deze weg kiest en zich van Jericho meester maakt (Richt. 3 : 13). Daarbij komt dan ten slotte nog, dat wie over Michmas het gebergte binnendringt, daarmede het plateau bereikt, waarop de stedenbond van Gibeon ligt, deze krachteloos maakt en zo een wig drijft in de falanx van bergbewoners, die nu in een noordelijke en in een zuidelijke groep uiteenvallen. Misschien zelfs kan hij hopen Gibeons stedenbond te dwingen zijn zijde te kiezen.

Joz. 3:4

Joz 3:4  Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren [en] eergisteren. (SV)

Twee duizend ellen. Een voorgeschreven afstand van ongeveer duizend meter.

Zinspeling op 2000 jaren tussen de ingang van de opgestane Heer in de hemel en de ingang van de gemeente in het hemels vaderland (opname van de Gemeente)?[2]

Joz. 3:7

Joz 3:7  Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israël, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben. (SV)

Beginnen U groot te maken voor de ogen van gans Israël. Dat zou gebeuren door de wonderbare doortocht door de Jordaan.

Joz 4:14  Te dienzelven dage maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israël; en zij vreesden hem, gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen zijns levens. (SV)

Joz. 3:12

Joz 3:12  Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israëls, uit iederen stam een man; (SV)

Deze opdracht geeft Jozua aan het volk. In 4:2 geeft God deze opdracht aan Jozua.

Joz. 3:15

Joz 3:15  En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten der priesteren, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen des oogstes aan al haar oevers); (SV)
Doortocht van het volk Israël door de Jordaan. De ark gaat voorop. Het rivierwater wordt tijdelijk door een bovennatuurlijk wonder tegengehouden. De afbeelding geeft de tegenhouding echter foutief weer: deze was zo'n 30 km noordelijker bij de stad Adam.

Kwamen de voeten van de priesters, die de ark droegen, in het water, het volk ging daarop droogvoets door.

Typologie. De ark is een symbool van Christus. De Heer Jezus ging in de wateren des doods, opdat wijzelf de dood niet zouden zien. Zie vers 16.

Joz. 3:16

Joz 3:16  Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt; en die naar de zee des vlakken velds, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. (SV)

Zij rezen op een hoop... zij werden afgesneden. Zodra het volk overgetrokken was, hernam de rivier weer zijn loop. Wonderlijk is de tijdigheid van de tegenhouding en van de doorlating van het water. Ps. 114 herinnert aan de doortocht door de Schelfzee en aan die door de Jordaan:

Jordaan

Ps 114:1 Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had; Ps 114:2  Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israël Zijn volkomene heerschappij. Ps 114:3  De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts. (...) Ps 114:5  Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet? (SV)

Dat feit alleen - dat de wateren werden afgesneden, ophoopten bij Adam - wordt vermeld. Hoe werd het water bij Adam tegengehouden, waardoor het zich ophoogde? Sommigen opperen een natuurlijke verklaring: door een aardverschuiving in de Jordaan, waardoor een deel van de oever instortte[3], vergelijkbaar met de aardverschuivingen die in het meer recente verleden bij Tell ad-Damiyeh zijn gebeurd. Heeft een aardbeving, zoals die daar ter plaatse in het voorjaar meer wordt gevoeld, een of meer mergelheuvels, die daar soms een hoogte van 20 meter hebben[1], in de rivier gestort en deze daardoor voor enige tijd afgedamd? Of zijn een of meer daarvan door het water zelf ondergraven? Zowel voor de ene als voor de andere mogelijkheid is plaats.

Er hebben zich daar vaker oeververzakkingen voorgedaan: in de jaren 1160, 1267, 1534, 1834, 1906 en 1927. "Deze oeverdelen zijn niet erg stabiel en kunnen voor aardverschuivingen zorgen en bij grote grondverplaatsing de Jordaan tijdelijk afdammen."[4] "Uit verslagen is bekend dat de instortende steile oever de rivier voor enkele uren tot een hele dag afdamde. Stroomafwaarts liep de rivier dus leeg, waarna weer herstel van de oude loop optrad als het opgestuwde water over de barrière heen spoelde."[4] In 1267 was de Jordaan 10 uur lang gestremd, nadat een deel van de oever was ingestort[3]. In 1534 duurde de afdamming twee etmalen[4]. In 1927 raakte de rivier afgedamd als gevolg van de zwaarste aardbeving (6.2 op de schaal van Richter) in het land van Israël van de 20e eeuw. Deze stremming duurde 2,5 uur[3] of 21[4] uur.

Deze foto is genomen niet ver van de plek waar de Israëlieten door de Jordaan zijn getrokken. Daar ziin mergelheuvels, die tot twintig meter oprijzen, wel eens in de stroom storten en deze voor enige tijd geheel afdammen. Het is mogelijk, dat even voordat de Israëlieten de doortocht begonnen, een onder- spoelde heuvel in de rivier gestort was; dan zou God zich van een natuurlijke oorzaak bediend hebben om het grote wonder, waarvan Jozua 3 ons verhaalt, mogelijk te maken.

God kan middelijkerwijs natuurlijke zaken als secundaire oorzaken inzetten of onmiddelijkerwijs ingrijpen. De doortocht door de Schelfzee werd mogelijk gemaakt doordat God door een 'sterke oostenwind' de zee droogmaakte.

Ex 14:21  Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. (SV)

Verderop in het boek Jozua lezen we dat God grote hagelstenen doet neerkomen op de vijandelijke legers (Joz. 10:11) die voor Israël vluchtten.

Ligging van Adam

In het geval van de waterophoping bij Adam geeft de Schrift geen uitsluitsel. Een natuurlijke afdamming, door God bewerkt, is mogelijk, niet onwaarschijnlijk. Niet het feit, dát de wateren opgehouden werden, maar het feit, dat het juist toen geschiedde, en dat de wateren weer doorstroomden nadat de priester met de ark uit de bedding van de Jordaan waren gestapt (4:18), dát is het wonder. De neer­stortende mergelgronden - als die de oorzaken waren - dammen de rivier af op het ogenblik, dat Israël er behoefte aan heeft. Alles, alles gehoorzaamt het gebod van God!

Zeer verre van de stad Adam af. Adam lag 28[3] of 30 km[5][4] ten noorden van Jericho.

Typologie. Misschien is de stilstand van de waterloop bij Adam een type[6]. Het rivierwater symboliseert de dood. De "wateren des doods" werden opgehouden bij Adam, de eerste mens. Door Adam immers is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, die tot alle mensen is doorgegaan (Rom. 5:12). Niet allen zullen wij echter ontslapen (1 Cor. 15:51). De poorten van het dodenrijk zullen de gemeente van Christus niet overweldigen (matth. 16:18). Bij de opneming van de gemeente, de invoering van Christus' bruid in de hemel, zullen de levenden in een ondeelbaar ogenblik onsterfelijkheid aandoen (1 Thess. 4:15v). De dood, van Adam af komend, zal ons niet bereiken.

Joz. 3:15

Joz 3:15  En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten der priesteren, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen van de oogst aan al haar oevers); (CP[7])

De dagen van de oogst. Het is in de oogsttijd, in april[1] (zie Maand), op de tiende dag van de eerste maand (Abib)

Joz. 3:16

Joz 3:16  Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan [ligt]; en die naar de zee des vlakken velds, [te] [weten] de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. (SV)

Zoutzee. De Jordaan mondt uit in de Zoutzee oftewel Dode Zee. Tot aan deze zee liep het water weg en droogde de rivier op.

Typologie. De zonde en de dood die door Adam in de wereld zijn gekomen zullen ophouden wanneer wij het Beloofde Hemelland ingaan. Onze zonden gedenkt God niet meer, ze zijn als het ware geworpen in de diepten van de zee.[8]

Mic 7:19  Hij zal Zich weer over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen, ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee. (HSV)

Excursie: Tijdsklimaat van de overtocht

Dat Israël juist tegen het einde der 15de eeuw v. Chr. (vroegere datering) Kanaän binnentrad, bewijst opnieuw, dat de wereldgeschiedenis niet het resultaat is van toevallige machten, maar de ontvouwing van het raadsplan van Hem, die zit boven het rumoer der volken en die zegt: „Ik zal al mijn welbehagen doen". Terwijl in vorige eeuwen zich in het West-Jordaanland althans een tweetal rijkjes had kunnen vormen, die zich rondom Lydda en rondom Sichem groepeerden, is er in Jozua's dagen van een politieke eenheid geen sprake. De stortvloed der Hyksos, die eerst van Syrië naar het zuiden en daarna onder de militairen dwang van de farao's der 18de dynastie na de val van de grensvesting Avaris (± 1560) weer noordwaarts vloeide, had beide echter vernietigd en liet slechts kleine stadsvorsten van Semitische, Klein-Aziatische of zelfs Indo-Germaanse bloede achter, wier heerschappij afhing van de dikte der stadsmuren, waarachter zij zich verscholen, en die ieder voor zich te allen tijde bereid waren eigen macht en aanzien ten koste van de ander te vergroten. Gewoonlijk beperkte zich hun gebied tot de naaste omtrek van hun „koningsstad". Het zijn die mannen, die de Egyptenaren „de groten van Retenoe" noemen en die, wanneer de grote farao Thoetmoses III (1479—1425 v. Chr.) in tal van veldtochten geheel Kanaän en Syrië aan zich heeft onderworpen en zijn macht tot aan de Eufraat heeft uitgebreid, zich heel deemoedig „man van de stad " noemen en hem eren als hun „zonnegod", voor wie zij zich zeven en zeven­ maal neerbuigen. Zij noemen zich „uw zoon, uw slaaf, uw paardeknecht, het stof van uw voet, het stof onder de sandalen van uw voet, de grond, waar­op u treedt" en zelfs „uw hond".

Zodra echter de hand van de farao zich minder krachtig kan doen gevoelen, treden ze in onderlinge strijd Egypte's belangen met de voeten en grijpen iedere gelegen­heid aan om hun zelfstandigheid te herwinnen. Van een gemeenschappelijk optreden van deze „groten van Retenoe" is intussen geen ogenblik sprake. Hoog­stens kan dreigend gevaar brengen tot een kort­stondige coalitie van belanghebbenden.

Toen Israël Kanaän binnentrok, stond Egypte stond in mi­litair opzicht niet meer op de hoogte, waarop de roem­rijke regering van Thoetmozes III het had gebracht. Al is het farao Amenhotep II (1427-1400) gelukt door een snelle tocht naar de Eufraat iedere poging van de Kanaänitisch-Syrische vorsten om zich vrij te vechten (een oude gewoonte bij iedere troonswisseling van de overheerser!) in bloed te smoren, zijn regering is toch een tijd van inzinking, volkomen begrijpelijk trouwens na de geweldige militaire inspanning, waartoe zijn vader Thoetmoses III Egypte gedwongen had. En al wordt de zoon van Amenhotep II, genaamd Thoetmoses IV (1420—1411 v. Chr.), door zijn vleien­de hovelingen „de overwinnaar van Syrië" genoemd, het hoogtepunt van Egypte's macht en roem was on­herroepelijk voorbij. De vorsten van de Kanaänitisch-Sy­rische landen lieten zich steeds minder aan de bevelen van de farao in het verre Thebe gelegen liggen. Steeds meer verteerden ze in onderlinge strijd hun krachten en steeds meer ligt het land open voor stropende benden (waaronder ook de Chabiri), die naar het getuigenis van een koning van Jeruzalem „alle landen van de koning verwoesten", „de steden van de koning in­ nemen".

Een nationale eenheid vormden Kanaäns inwoners niet. Daarvoor was in de loop der eeuwen de brug, die de Eufraat-Tigris-vlakte met het Nijldal verbindt, door te veel volken betreden. Daarvoor was de aan­trekkingskracht, die deze strook land tussen Jordaan en zeekust op de in Arabië's woestijn rond­zwervende stammen uitoefende, veel te groot ge­weest. Ieder van hen had met min of meer succes altijd weer getracht zich van een kleiner of groter gedeelte daarvan meester te maken. Het Kanaän van Jozua's dagen vertoonde dan ook een wondere men­geling van inwoners, waaraan ieder van de drie na-Noachitische groepen, Sem, Cham en Jafet, hun aan­deel hadden geleverd. En die Kanaänitische groepen, waarvan de Kanaänieten, Hethieten, Amorieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten de voornaamste zijn, ze woonden wel naast, maar niet met elkaar. In aller oog scheen de ondergang van de een de op­gang van de ander te waarborgen. Wederzijds wantrouwen heerste allerwege. En als hun steden tot de hemel toe versterkt waren, was dit niet zozeer uit vrees voor de buitenlandse dan wel voor de binnenlandse vijand.

Bij zijn betreden van Kanaäns grond stond Israël dan ook niet voor een aaneengesloten falanx van tegen­standers, die besloten waren onder alle omstandig­heden elkaar trouw te zijn en de aangevallene met alle macht te hulp te komen. Veeleer kon het er zeker van zijn, dat de val van menige stad met vreugde zou worden begroet juist door haar naaste buren, en dat eerst in een veel latere fase met het gevaar van coalities zou moeten worden rekening ge­houden. Wel verre ervan dat de veelheid van Ka­naäns steden Kanaäns kracht zou zijn, was zij Ka­naäns zwakheid, want geen van haar beheersers had oog voor het gevaar, dat voor hem uit de ondergang van anderen zou kunnen voortvloeien. Veel te lang waren zij er aan gewoon geweest in het een of andere gedeelte van het land nieuwe beheersers te zien bin­nenstromen, die zich met het bezit daarvan tevreden stelden, dan dat nu de gedachte bij hen kon opko­men, dat nu aan Kanaäns poorten een volk was ver­schenen, dat het gehele land voor zich zou opeisen. In deze tijd van verwording, waarin van een krach­tig centraal gezag in Kanaän geen sprake is, over­schrijdt Israël onder Jozua's leiding de Jordaan, gereed zich meester te maken van de „erfenis", die Jahweh, de God van hun voorvaders, hun geven zou.

Bron

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Enige tekst van blz. 8-12 is onder wijziging verwerkt op 22 en 29 en 30 okt. 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Blz. 10.
  2. Michael Samuel Smith gelooft dat de 2000 ellen de 2000 jaren symboliseren tussen Jezus' kruisiging en Zijn wederkomst: Type-And-Shadow. Youtube.com: Prophecy in the News, 14 juli 2020. Vanaf 2 min 45 sec.
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 J.J. Bimson, Encyclopedie van Bijbelse plaatsen (Kampen: Kok, 2007), s.v. Adam
  4. 4,0 4,1 4,2 4,3 4,4 Anne Rutger Fortuin, 'Aardbevingen in het Jordaandal: geologische en archeologische getuigenissen', in: Gea, juni 2015, vol. 48, nr. 2, pag. 35-61.
  5. https://he.wikipedia.org/wiki/%D7%90%D7%93%D7%9D_(%D7%A2%D7%99%D7%A8). Hebreeuws artikel over de stad Adam.
  6. A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Adam: "The waters of death were heaped at Adam as if to teach the death of the first man at the passage of the Jordan".
  7. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  8. Crossing Jordan To Reach Jericho! Youtube.com: Prophecy in the News, 9 juli 2020. Vanaf 23 min 41 sec.