Jozua (boek)/21

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 21 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

In het kort: steden van de priesters en van de Levieten. De Israëlieten geven de Levieten, door het lot, steden om in te wonen, en ook de bijbehorende voorsteden (1-7). Daarna worden in het bijzonder genoemd de steden die de priesters, de kinderen van Aäron, zijn ten deel gevallen (8-19). Namen van de steden die aan de Kahathieten gegeven zijn (20-26), alsook aan de Gersonieten (27-33), en Merarieten (34-40). Al de steden die de Levieten gegeven zijn, waren 48 met hun voorsteden (41-42). De Israëlieten bezitten in rust het land Kanaän, aan hun vaderen door God toegezegd (43-45).

Bron

Bijbel. Amsterdam: Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Joz. 21 is onder wijziging verwerkt op 7 dec. 2020