Jozua (boek)/5

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb
Jozua (boek), hoofdstuk: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24

Hoofdstuk 5 van Jozua (boek) wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Het wonder van de doortocht door de Jordaan doet de koningen der Amorieten en der Kanaänieten de moed verliezen (1). Besnijdenis van Israël te Gilgal (2-9). Viering van het pascha. Het manna houdt op. (10-12). Jozua ontmoet een engel met een getrokken zwaard, die het leger van Jahweh aanvoert (13-15).

Inleiding

Voordat Jozua's bevel kan weerklinken om met het leger van Gilgal tegen Jericho op te trekken, moet eerst tweeërlei gebeuren: de bondswijding van de besnijdenis moet in ere worden hersteld en, gezien de tijd van het jaar, het Paasfeest moet worden gevierd. Beide gebeurtenissen staan in verband met een nieuw begin in het leven van het volk.

Besnijdenis van Israël te Gilgal (2-9)

Waarom gedurende de woestijnreis de bondswijding van de besnijdenis binnen de kring van Israël in on­bruik is geraakt, wordt in de Heilige Schrift niet ont­huld. Zelfs weten we niet, of Israël in het begin, zoals het met Mozes Egypte verliet, de besnijdenis in ere hield. Uit Exod. 4 :24 v.v. schijnt veeleer het tegendeel te volgen.

Hoe dat laatste echter ook zij, nu Israël als „de legerscharen van Jahweh" Kanaän binnentreedt en als vol­trekker van Gods oordeel over de zondeschuld van de Amorieten (vgl. Gen. 15 : 16) het zwaard zal trekken, moet het eerst door de bondswijding van de be­snijdenis metterdaad bewijzen, dat het in het ver­bond wil staan, dat het God dienen en Zijn oorlogen voeren wil.

En als het de besnijdenis aan zich voltrekken wil in het gezicht van de vijand, dan is dit tevens een daad van het geloof, omdat blijkens Gen. 35 : 25 de besnedene gedurende enige dagen tot machteloosheid gedoemd was. Het moet bewijzen te geloven in het woord van de verspieders (Joz. 2 :24) en in de onwrikbaarheid van Gods belofte.

Joz. 5:2

Joz 5:2  Te dien tijde sprak de HEERE tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israëls ten tweeden maal. (CP[1])

Te dien tijde. De datum van deze besnijdenis is niet overgeleverd. Indien echter in Joz. 5 de historische orde van de gebeurtenissen gegeven is en derhalve de besnijdenis aan het paasfeest is voorafgegaan, dan staan we hier voor een moeilijkheid. Immers in Joz. 4 : 19 wordt gezegd, dat de overtocht over de Jordaan plaats vond op de 10de van de eerste maand (Abib). In Joz. 5 : 10 wordt verzekerd dat het paasfeest gevierd werd „op de veertiende dag der maand" (Abib) in overeenstemming met Exod. 12 : 6, 18. Maar dan schijnt er geen tijd over voor het voltrekken van de besnijdenis. Daarom houden sommige uitleggers[2] het ervoor, dat het voltrekken van de besnijdenis historisch volgde op de viering van het paasfeest.

Besnijd wederom de kinderen Israëls ten tweeden male. De eerste maal was in de woestijn, na de uittocht uit Egypte.

Joz. 5:9

Joz 5:9  Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men de naam dier plaats Gilgal, tot op deze dag. (CP[1])

De smaad van Egypte. In Egypte waren de Israëlieten niet besneden. Hun onbesnedenheid herinnerde aan Egypte, dat een type van de boze wereld is.

1Jo 5:19  Wij weten dat wij uit God zijn en de hele wereld in het boze ligt. (Telos)

Gilgal. D.i. 'afwenteling', zie Gilgal.

Joz. 5:10 Viering van het Paasfeest

Joz 5:10  Terwijl de kinderen Israëls te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op den veertienden dag derzelver maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho. (SV)

Niet alleen de bondswijding der besnijdenis moet worden verricht. Ook het paasfeest moet worden gevierd. Israël betoonde gehoorzaamheid aan Gods bevel om de gedachtenis te bewaren aan de dag, waarop het Egypte verliet, en om het zevendaagse feest der ongezuurde broden te vieren. 's Heeren behoudende en reddende genade moet niet als een moment uit het verleden, maar als een immer werkzame realiteit in het heden voor Israëls geestesbewustzijn staan. Israëls toekomst is alleen ver­zekerd, wanneer het in de weg van het verbond blijft wandelen.

Merkwaardig is dat het pascha werd gehouden toen Israël door de Schelfzee, waarvan het water ter plaatse geweken was, uit Egypte zou gaan en dat het werd gehouden toen Israël door de Jordaan, waarvan het water werd tegengehouden, in het beloofde land was gekomen.

Joz. 5:11

Joz 5:11  En zij aten van het overjarige koren des lands, des anderen daags van het pascha, ongezuurde broden en verzengde aren, even op dienzelven dag. (SV)

Ongezuurde broden. Op het Pascha volgde het zevendaagse feest van Ongezuurde Broden.

Overjarige koren. Het oude koren, van het gewas van vorig jaar.

Ontmoeting met de vorst van Gods leger (13-15)

Nu zowel de viering van het Paasfeest als de bondswijding der besnij­denis hebben plaatsgehad, kan Israël de weg betreden, die het voeren moet naar de overwinning. Maar voordat Jozua de nodige maatregelen treft om Jericho aan te vallen, gaat hij zelf de stad opnemen. Hij betreedt „het ge­bied van Jericho". En daar leert hij, de legeraan­voerder, die uiteraard bij de inname van een stad aan wapengeweld denkt, dat God Zijn woord, bij de aanvang aan Jozua's optreden gesproken: „Ik geef het land", „elke plaats die uw voetzool betreden zal" bij Jericho in die volstrekte zin zal waar maken, dat er voor Israël niets anders zal te doen zijn dan wandelen, juichen en binnentrekken. Jozua en Israël moeten weten, dat niet eigen overwicht, maar alleen 's Heeren bondstrouw Kanaän voor hen ontsluit en het aan de vaderen beloofde land in hun hand geeft. Terwijl Jozua de stad bespiedt, treedt hier plotseling „een man met een getrokken zwaard in de hand" hem tegemoet, die zich onthult als „de vorst van des Heeren leger".

Joz. 5:13

Joz 5:13  Voorts geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons, of van onze vijanden? (SV)

Joz 5:14

Joz 5:14 En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht? (SV)

Voorts geschiedde het. Volgens een mening[3][4] gebeurde dat op dezelfde 14e dag van de maand Nissan, na de viering van het pascha in de avond. Jezus stierf op de 14e dag van de eerste maand[4].

Vorst van het heir des HEEREN. Zo staan hier twee aanvoerders tegenover elkaar. Jozua vraagt zich af, of de „man" niet een „vijand" (tsar) is (vers 13), maar deze antwoordt, dat hij „vorst" (sar) is, gekomen om „des Heeren leger" aan te voeren.

Deze vorst is geen engel, want een (goede) engel staat niet toe dat een mens hem aanbidt. De vorst schijnt de Heer Jezus te zijn. Deze aanvaardde aanbidding, omdat Hij God is. Hij zal eens het leger van Jahweh aanvoeren bij zijn wederkomst (Opb. 19).

Ik ben nu gekomen. Nu. Israël staat dicht bij Jericho, een van die „tot den hemel versterkte" steden met haar in de strijd geoefende inwoners. Dreigend verheffen zich voor Israëls blik die geweldige muren, versterkt door zeven torens. De enige poort, die toegang geeft, is gesloten (6:1) en gewapende krijgers zijn in voldoende getale aanwezig om iedere aanval tot een hachelijke onderneming te maken. Alleen een langdurig, het geduld van de aanvaller op zware proef stellende belegering kan hier tot inname voe­ren. Maar zullen Jericho's naaste buren, zal Jeruza­lem, zal Ai, zal Sichem, zal Gibeons stedenbond werkeloos blijven toezien? En als hun legers afdalen van het gebergte, zal dan Gilgals legerkanmp niet onder de voet worden gelopen en Israëls poging om zich van Kanaän meester te maken, niet eindigen in een ontzettend bloedbad? Wat al vragen, die Jozua's hart bestormen.

„Nu ben Ik gekomen". Ik. De God van de eed en van het verbond, die van Abrahams dagen af sprak van „geven", altijd weer van „geven". Die belofte, van welker vervulling geen der aartsvaders ook maar iets gezien had, naar welker realisering Mozes en Aaron tevergeefs hadden uitgezien, ze zal in ver­vulling gaan. De Heere zelf is gekomen om te „geven" en zal Zich daarom aan het hoofd stellen van Israël, Zijn eigen leger. Jozua moet achteruit treden, de dienstknecht plaats maken voor de Heer. Niet Jozua zal straks het leger de weg wijzen, maar de Heer zelf met zijn priesters. Nu Hij, „de vorst van het leger van Jahweh", er is, is het moment van de opmars gekomen.

Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad. Onmiddellijk herkent Jozua in deze „man" zijn Meerdere, zijn Lastgever, zijn Heer. Daarom valt hij in het diep besef van de grote afstand, die de knecht scheidt van de Heer, in aan­bidding op zijn aangezicht ter aarde. Hier staat niet maar „een man" voor hem, maar God zelf.

Op zijn aangezicht ter aarde vallen en aanbidden deed ook Johannes, voor engel:

Opb 19:10  En ik viel voor zijn voeten neer om hem te aanbidden; en hij zei tot mij: Zie toe, doe dit niet; ik ben een medeslaaf van u en van uw broeders die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God! Want het getuigenis van Jezus is de geest van de profetie. (Telos)

Opb 22:8  En ik, Johannes, ben het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik ze hoorde en zag, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel die mij deze dingen toonde. (Telos)

Joz. 5:15

Joz 5:15  Toen zeide de Vorst van het heir des HEEREN tot Jozua: Trek uw schoen af van uw voet; want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed alzo. (CP[1])

Deze Vorst onthult Zich nu nog meer aan de van eerbiedige vrees ver­vulde Jozua onthult, door deze als weleer Mozes (Exod. 3) er opmerkzaam op te maken, dat Zijn tegenwoordigheid de plaats van hun ontmoeting „hei­lig" maakt, deze verheft boven het gewone, het alledaagse, en aan deze het karakter van geheimenis en bovenmenselijkheid verleent, welke aan des Heeren heiligdom eigen is.

Trek uw schoen af van uw voet. 'Schoen' en 'voet' zijn in het Hebreeuws in het enkelvoud. Een uitlegger meent dat Jozef slechts één schoen (sandaal) uittrok, omdat hij bevoegd was om het beloofde land te betreden[4]. Boaz aanvaardde de uitgetrokken schoen van de losser, die Ruth niet als vrouw wilde hebben en het recht van lossing doorgaf aan Boaz.

Ru 4:7  Nu was dit van ouds [een] [gewoonheid] in Israël, bij de lossing en bij de verwisseling, om de ganse zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël. Ru 4:8  Zo zeide de losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u; en hij trok zijn schoen uit. (SV)

Bij de lossing en bij de verwisseling, wanneer iemand zijn recht van lossing op een ander overdroeg, om de gehele zaak te bevestigen, aan haar kracht van wet te geven; dan trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste om daardoor zinnebeeldig te kennen te geven, dat hij van zijn zijde zijn recht op de ander overdroeg[5].

Beschouwing

Het eerste dat bij binnenkomst in het beloofde land moest gebeuren is de besnijdenis van de mannelijke Israëlieten, te Gilgal. Daarmee werd de smaad van Egypte afgewenteld. De gelovige in Christus is besneden met de besnijdenis van Christus aan het kruis (Kol. 2:11 - 3: 3-5). Dat beseffend kan hij het vleselijke (zondige) leven verzaken en zondige uitwassen 'doden'.

Col 3:3  Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Col 3:5  Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, [namelijk] hoererij, onreinigheid, [schandelijke] beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst. (Telos)

Daarnaast werd het Pascha gehouden, een zinnebeeld van de vredige herinnering bij de gelovige aan die dood die hem in staat heeft gesteld om van het beloofde te genieten.

Zij aten van het oude koren van het land (type van een hemelse Christus), en het manna hield op: vgl. 2 Cor. 5:16.

Dit alles paste bij de Israëlieten om hun rol als leger van de Heer aan te nemen. Daarop werd de Heer aan Jozua geopenbaard als aanvoerder van het leger, met een getrokken zwaard in zijn hand. Jozua viel ter aarde en aanbad.

Bronnen

A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Enige tekst van blz. 14-16 is onder wijziging verwerkt op 12 nov. 2020.

A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Joshua, Book of. Enige tekst hiervan is vertaald en onder wijziging verwerkt op 16 maart 2021.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. A. Noordtzij, Joh. de Groot, Des Heeren heirscharen. Premieboek bij de N.C.R.V.-kalender 1938. Bl. 14.
  3. De mening van Michael Samuel Smith, in: Prophecies In Exodus! Prophecy in the News, 7 juli 2020.
  4. 4,0 4,1 4,2 De mening van Michael Samuel Smith, in: Prophecies of Jericho. Youtube.com: Prophecy in the News, 15 juli 2020. Vanaf 9 min 55 sec.
  5. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Ruth 4:7. Enige tekst hiervan is verwerkt op 26 dec. 2020.