Jeremia 19

Uit Christipedia

Jeremia 19 van het boek Jeremia wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. Op Christipedia samengevat en/of becommentarieerd zijn de hoofdstukken:

Jeremia: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 49.

Samenvatting

1-9 Op last van God gaat Jeremia, vergezeld van enige aanzienlijken, met een aarden kruik Jeruzalem uit naar het Hinnomdal, om hier het strafgericht over de afgodendienaars in zijn hele verschrikkelijkheid aan te kondigen. 10-13 Daarna verbrijzelt hij de kruik: zinnebeeld van het toekomstig lot van volk en hoofdstad. 14-15 Daarop begeeft de profeet zich naar de voorhof van Gods huis, om zijn onheilsboodschap in het kort te herhalen.

11

Jer 19:11  En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Alzo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen [andere] plaats zal zijn om te begraven. (SV)

Zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen [andere] plaats zal zijn om te begraven.

Jer 7:31 En zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons van Hinnom is, om hun zonen en hun dochteren met vuur te verbranden; hetwelk Ik niet heb geboden, noch in Mijn hart is opgekomen. Jer 7:32 Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat het niet meer zal geheten worden Tofeth, noch dal des zoons van Hinnom, maar moorddal; en zij zullen ze in Tofeth begraven, omdat er geen plaats zal zijn. Jer 7:33 En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken. (SV)

Bron

Leidsche Vertaling (1914). Tekst van de samenvatting van Jeremia 19 is onder wijziging verwerkt op 1 april 2022.