Jeremia 30

Uit Christipedia

Jeremia 30 van het boek Jeremia wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. Op Christipedia samengevat en/of becommentarieerd zijn de hoofdstukken:

Jeremia: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 49.

Samenvatting

In het kort: de verlossing en het herstel van Israël in het laatste der dagen. 1-4 Jeremia moet, met het oog op Israëls toekomstig herstel, Gods woorden aangaande Israël en Juda in een boek schrijven. 5-7 Ze luiden aldus: algemene ontsteltenis heerst op de beslissende dag, doch voor het benauwde Israël daagt redding. 8-15 Israël zal bevrijd worden van knechtschap onder vreemde heersers, en de Israëlieten zullen hun God dienen en David, hun koning, die God zal verwekken. Gods knecht Jakob vreze niet, want Israël zal, om zijn zonden, naar billijkheid getuchtigd worden, en uit de ballingschap terugkeren en rust genieten. 16-22 God zal de heidenvolken hun kwaad vergelden, maar Israël zal genezen worden. Stad en paleis zullen herbouwd worden. De bewoners zullen gelukkig zijn, vermeerderen en verheerlijkt worden. Uit hun midden zal een heerlijke Heerser voorkomen; God zal hem doen naderen. 23-24 De grimmigheid van God zal op de goddelozen blijven, tot Hij zijn plannen heeft uitgevoerd in het laatste der dagen.

9

Jer 30:9  Maar zij zullen dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal. (SV)

Hun koning David, dien Ik hun verwekken zal. Namelijk de zoon van David, Christus Jezus. Zie ook vs. 21.

10

Jer 30:10  Gij dan, vrees niet, mijn knecht Jakob, luidt het woord des HEREN, en wees niet verschrikt, Israël, want zie, Ik verlos u uit verre streken, uw nakroost uit het land hunner gevangenschap; Jakob zal terugkeren en rustig en veilig zijn, door niemand opgeschrikt. (SV)

Gij dan, vrees niet... en wees niet verschrikt. Die vrees en schrik zag Jeremia in vs. 5v.

14

Jer 30:14  Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen [met] eens vijands plage, [met] de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheid, [omdat] uw zonden machtig veel zijn. (SV)

Ik heb u geslagen. Zie vs. 11v.

21

Jer 30:21  En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij naderen; want wie is hij, die met zijn hart borg wordt om tot Mij te naderen? spreekt Jahweh. (CP[1])

Zijn Heerlijke ... zijn Heerser uit het midden van hem. Dat is de Messias, de zoon van David, onze Heer Jezus. Zie ook vs. 9.

Ik zal hem doen naderen en hij zal tot Mij naderen.

Da 7:13  [Verder] zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen. Da 7:14  En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden. (SV)

22

Jer 30:22  En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. (SV)

Enkele verzen verderop:

Jer 31:1  Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israëls tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. (SV)

23

Jer 30:23  Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen. (SV)

Onweder. In de zin van een storm. HSV: storm. NBG51: stormwind.

Voetnoot

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.