Jeremia 6

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jeremia 6 van het boek Jeremia wordt hieronder samengevat en/of becommentarieerd. Samengevat en/of becommentarieerd zijn de hoofdstukken:

Jeremia: 12345678949.

Samenvatting

1-3 Vlucht uit Jeruzalem; gevaar uit het noorden. 4-5 Heiligt de krijg tegen haar. 6-11. In het midden van Jeruzalem is enkel verdrukking en boosheid. 12-16 Jeruzalem zal verwoest worden. 17-21. Naar door God gestelde wachters wordt niet geluisterd, noch naar Gods woord. 22-26 Waarschuwing voor de komende invasie door de Chaldeeën. 27 Jeremia's rol door God toegewezen. 28-30 Jahweh heeft Israël verworpen.

1

Jer 6:1 Vlucht met hopen, gij kinderen van Benjamin! uit het midden van Jeruzalem, en blaast de bazuin te Thekoa, en heft een vuurteken op te Beth-cherem; want er kijkt een kwaad uit van het noorden, en een grote breuk. (SV)

Heft een vuurteken op. Om daarmee een signaal ter waarschuwing te geven.

3

Jer 6:3  [Maar] er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een ieder zijn ruimte afweiden. (CP[1])

Herders. Fig. gezegd van de geduchte vijanden uit het noorden (vs. 1).

Zijn ruimte. Zijn stuk van de grond.

4

Jer 6:4  Heiligt de krijg tegen haar, maakt u op, en laat ons optrekken op de middag; o, wee ons! want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich. (CP[1])

Heiligt de krijg tegen haar. Dit drukt het voornemen van de vijand uit.

Laat ons optrekken. Om Jeruzalem, die wij omsingeld hebben, te bestormen. Zie ook vs. 5.

O, wee ons! want de dag heeft zich gewend. Helaas! want de dag gaat al voorbij.

De avondschaduwen neigen zich. Worden langer, strekken zich uit.

6

Jer 6:6  Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Houwt bomen af, en werpt een wal op tegen Jeruzalem; zij is de stad, die bezocht zal worden; in het midden van haar is enkel verdrukking. (SV)

Die bezocht zal worden. Zie ook 5:29

Jer 5:29  Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?Jer 5:29  En zou Ik dit alles niet straffen: Is de godsspraak van Jahweh; Op zulk een volk Mij niet willen wreken? (SV)

8

Jer 6:8  Laat u tuchtigen, Jeruzalem! opdat Mijn ziel niet van u afgetrokken wordt, opdat Ik u niet stel [tot] een woestheid, [tot] een onbewoond land. (CP[1])

Niet van u afgetrokken wordt. Zich niet met afschuw van u afkeert.

9

Jer 6:9  Zo zegt de HEERE der heirscharen: Zij zullen Israëls overblijfsel vlijtig nalezen, gelijk een wijnstok; breng uw hand weder, gelijk een wijnlezer aan de ranken. (CP[1])

Nebukadnezar zal het ene gedeelte van het volk na het andere in ballingschap naar Babel voeren (52:28).

Israëls overblijfsel. Wat overgelaten is van het reeds getuchtigde Juda

Nalezen, gelijk een wijnstok. Juda’s onbekeerlijkheid heeft dat noodzakelijk gemaakt. Men zal het aflezen gelijk een wijnstok, die men van zijn laatste druiven berooft (2:21; 8:13).

Gelijk een wijnlezer aan de ranken. Gelijk een druivenplukker aan de wijnranken.

10

Jer 6:10  Tot wie zal ik spreken en betuigen, dat zij het horen? Ziet, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; ziet, het woord des HEEREN is hun tot een smaad, zij hebben geen lust daartoe. (SV)

Tot een smaad. Tot een voorwerp van smaad.

11

Jer 6:11  Daarom ben ik vol van des HEEREN grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de man met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien, die vol is van dagen. (SV)

Jong en oud zullen getroffen worden door Gods grimmigheid.

Die vol is van dagen. De hoogbejaarde.

12

Jer 6:12  En hun huizen zullen overgaan tot anderen, met de akkers en vrouwen tezamen; want Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen de inwoners van dit land, spreekt de HEERE. (CP[1])

Overgaan tot anderen. Overgaan in de handen van vreemden.

13

Jer 6:13  Want van hun kleinste aan tot hun grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid. (SV)

Pleegt een ieder van hen gierigheid. Ieder van hen aast op winst, is uit op winstbejag, op eigen voordeel.

Bedrijft een ieder van hen valsheid. Pleegt bedrog, is frauduleus.

14

Jer 6:14  En zij genezen de breuk van de dochter van Mijn volk op het lichtst, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. (SV)

Genezen. Zedelijk en geestelijk genezen.

De breuk. De wond.

Op het lichtste. Oppervlakkig, onbeduidend.

15

Jer 6:15  Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, weten ook niet van schaamte te tonen; daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als Ik hen bezoeken zal, zullen zij struikelen, zegt de HEERE. (CP[1])

Gruwel. Een gruweldaad.

Onder de vallenden. Onder, met de anderen die vallen.

17

Jer 6:17  Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, [zeggende]: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren. (SV)

Het geluid der bazuin. Dat klinkt om het volk te waarschuwen. Zie Bazuin.

20

Jer 6:20  Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmoes uit een ver land? Uw brandoffers zijn [Mij] niet behaaglijk, en uw slachtoffers zijn Mij niet zoet. (CP[1])

Uit een ver land. 'Scheba' en 'een ver land' zijn hier vermoedelijk parallelle uitdrukkingen; vgl. die in vs 22. Uit Scheba werd de beste kalmoes ingevoerd, ten gebruike in reukwerk. Kalmoes werd ook uit Tyrus ingevoerd.

22

Jer 6:22  Zo zegt de HEERE: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde. (SV)

Een volk.... een grote natie. De Babyloniërs.

Uit de zijden der aarde. Voor de Israëlieten waren dat de ver afgelegen streken.

23

Jer 6:23  Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed [volk], en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion! (SV)

Boog en spies. Benevens het zwaard (25).

25

Jer 6:25  Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg; want des vijands zwaard is er, schrik van rondom! (SV)

Des vijands zwaard. Hij voert ook boog en spies (23).

28

Jer 6:28  Zij zijn allen de afvalligsten der afvalligen, wandelend [in] lasterpraat; zij zijn koper en ijzer; zij zijn allemaal verdervers. (CP[1])

Zij zijn koper en ijzer. vs. 30: "een verworpen zilver". Er is geen spoor van goud of zilver in hen.

29

Jer 6:29  De blaasbalg is verbrand, het lood is door het vuur verteerd; te vergeefs heeft [de] [smelter] zo vlijtiglijk gesmolten, daar de bozen niet afgetrokken zijn. (CP[1])

Door het vuur verteerd. Door het vuur vergaan.

Daar de bozen niet afgetrokken zijn. Daar de slechte mensen niet als slakken in de smeltkroes uitgezuiverd zijn.

30

Jer 6:30  Men noemt ze een verworpen zilver; want de HEERE heeft hen verworpen. (SV)

Een verworpen zilver. Zilvererts waar de zilversmid niets aan heeft.

Andere hoofdstukken

Samengevat en/of becommentarieerd zijn de hoofdstukken:

Jeremia: 12345678949.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jer. 6:9, 28. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 5 en 16 okt. 2021.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.