Jeremia 8

Uit Christipedia

Jeremia 8 is een hoofdstuk van het boek Jeremia. Hieronder is een samenvatting en/of commentaar.

Hoofdstukken van Jeremia samengevat en/of passages ervan becommentarieerd: 1 · 2 · 3 · 4 · 5 · 6 · 7 · 8 · 9 · 10 · 11 · 12 · 13 · 14 · 15 · 16 · 17 · 18 · 19 · 20 · 21 · 22 · 23 · 24 · 25 · 26 · 27 · 28 · 29 · 30 · 31 · 32 · 33 · 34 · 35 · 36 · 37 · 38 · 39 · 40 · 41 · 42 · 43 · 44 · 45 · 46 · 47 · 48 · 49 · 50 · 51 · 52.

Samenvatting

1-2 De beenderen van de doden zullen uitgegraven worden en tot mest worden verspreid voor de hemellichamen die ze vereerd hebben. 3 De overgebleven levenden zullen de dood verkiezen boven het leven. 4-5 Gods volk valt van God af. 6 Onbekeerlijkheid. 7-9 Gods woord verwerpen zij en toch menen zij wijs te zijn. 10 Gierigheid en valsheid. 10 God zal hun vrouwen en bezittingen aan anderen geven. 11 Ondanks de breuk wordt ‘vrede’ uitgeroepen. 12 Zij zijn zonder schaamte; daarom zullen zij vallen. 16 Het vijandelijke leger uit het noorden wordt al gehoord. 18v Klacht van de profeet.

3

Jer 8:3  En de dood zal voor het leven verkoren w[1]orden, bij het ganse overblijfsel der overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen der overgeblevenen, waar Ik hen henengedreven zal hebben, spreekt de HEERE der heirscharen.  (SV)

De dood zal voor het leven verkoren worden. Vanwege de ellende waarin men terecht is gekomen.

Opb 9:6  En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken en hem geenszins vinden; en zij zullen begeren te sterven en de dood vlucht van hen weg. (Telos)

6

Jer 8:6  Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich weer tot zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in de strijd. (CP[1])

Een ieder keert zich weer tot zijn loop. Zij allen zetten hun boze plannen voort, zodat zij volstrekt geen berouw hebben over hun zonden.

Gelijk een onbesuisd paard in de strijd. Gelijk een paard, dat onbesuisd, zonder enig gevaar te duchten zich in de strijd werpt.

7

Jer 8:7  Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif en kraanvogel en zwaluw nemen de tijd van hun aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht van Jahweh niet. (CP)

Zelfs een ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden. De ooievaar is een trekvogel, hij trekt heen en komt weer te juister tijd.

Tortelduif. De tortelduif behoort in het Oosten eveneens tot de trekvogels (Hoogl. 2:12)

Maar mijn volk weet het recht van Jahweh niet. Hoewel in Gods woord zo bepaald en duidelijk gezegd is wat goed en nuttig is.

Mic 6:8  Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God. (HSV)

Jes 1:3  Een rund kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn eigenaar, [maar] Israël heeft geen kennis, Mijn volk heeft geen inzicht. (HSV)

God slaat het boek van de natuur open, niet alleen, opdat wij daaruit Zijn wijsheid en almacht zouden leren kennen, maar ook opdat wij daaruit goede lessen zouden trekken tot onze verbetering. Wanneer wij vele voorbeelden in de natuur aanzien, dan moeten wij ons met reden schamen, dat de redeloze schepselen zo gewillig en gehoorzaam zijn, en doen, waartoe zij zijn geschapen; maar wij mensen, die toch naar Zijn evenbeeld zijn geschapen, zijn zo weerspannig, oproerig en ongehoorzaam.

Dit vers 7 wijst de grote domheid van de Judeeërs aan, die minder verstand schenen te hebben dan de vogels van de hemel, omdat zij niet kenden de zomer van voorspoed, om goed gebruik te maken van de Goddelijke gunstbewijzen. noch de winter van tegenspoed, om de toorn van God, die hen boven het hoofd hing, af te keren en te voorkomen. Zij wisten niet de tijd van de omkeer, om hun vrede met God te maken.

Lu 19:42  en zei: Och, mocht op deze uw dag ook u erkennen wat tot uw vrede dient. Nu is het echter verborgen voor uw ogen. (...) Lu 19:44  en u zullen omsingelen en u van alle zijden benauwen; en zij zullen u met de grond gelijkmaken met uw kinderen in u; en zij zullen in u geen steen op de andere steen laten, aangezien u de tijd waarin naar u werd omgezien, niet hebt erkend. (Telos)

11

Jer 8:11  En zij genezen de breuk der dochter van Mijn volk op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede. (CP[1])

De breuk der dochter van Mijn volk. Zie vs. 21.

14

Jer 8:14  Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen; immers heeft ons de HEERE, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den HEERE gezondigd hebben. (SV)

Gallewater. Herziene Statenvertaling: 'galwater'. NBV04: 'giftig water'. Canisius-vertaling: 'gifdrank'. NaB: 'water vol gif'. NBG51: 'gifsap'. De Hebreeuwse grondtekst heet twee woorden, voor respectievelijk water en gal/vergif.

Jer 9:15  Daarom zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, alzo: Ziet, Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater; (SV)

De Heer Jezus kreeg, terwijl hij leed aan het kruis, "wijn met gal gemengd te drinken".

Mt 27:34  gaven zij Hem wijn met gal gemengd te drinken; en toen Hij die had geproefd, wilde Hij niet drinken. (Telos)

Mt 26:39  En Hij ging iets verder, viel op zijn aangezicht en bad aldus: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; echter niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt. (Telos)

16

Jer 8:16  Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen. (SV)

Van Dan af.

Jer 4:15  Want een stem verkondigt van Dan af, en doet ellende horen van het gebergte van Efraïm. (SV)

De vijanden komen uit het noorden.

Jer 6:22  Zo zegt de HEERE: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde. (SV)

Paarden. Waarop de vijand voortgaat.

Sterken. Hengsten.

Jer 47:3  Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke [paarden], vanwege het geraas zijner wagenen, [en] het bulderen zijner raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid der handen; (SV)

Jer 50:11  Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde hebt opgesprongen, gij plunderaars Mijner erfenis! omdat gij geil geworden zijt als een grazige vaars, [en] hebt gebriest als de sterke [paarden]; (SV)

17

Jer 8:17  Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de HEERE. (SV)

Basilisken. De meest gevreesde slangensoorten, het zijn gifslangen. Zie Adder.

18

Jer 8:18  Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij. (SV)

Mijn verkwikking is in droefenis. Mijn klagen en zuchten slechts geven mij lucht.

Mijn hart is flauw in mij. Kwijnt in mij weg. Het ongeluk van zijn gaat de profeet erg aan het hart.

19

Jer 8:19  Ziet, de stem van het geschrei der dochteren mijns volks is uit een zeer ver land: Is dan de HEERE niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met ijdelheden der vreemden? (CP[1])

Uit een zeer ver land. Waarheen zij in ballingschap zijn weggevoerd.

Is dan de HEERE niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Dat is inhoud van de klacht. Haalt de HEERE ons niet terug in het land, waarvan gezegd is, dat het ‘t onze is? De ballingen erkennen hoe goed zij het hadden kunnen in het land van Juda onder hun God wiens huis in Sion was.

Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden ... Dit is het antwoord van God.

Met ijdelheden der vreemden. Nietige afgoden van vreemde volken.

20

Jer 8:20  De oogst is voorbijgaande, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost. (SV)

De Judeeërs klagen hier dat de zomer, de rechte tijd voor de optocht van een leger, ten einde was gelopen, terwijl zich nog niets voordeed van de hulp der Egyptenaren of van hun andere bondgenoten.

21

Jer 8:21  Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter van mijn volk; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen. (CP[1])

De breuk der dochter van mijn volk. Zie vs. 11.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting): met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jer. 8:6-7, 18-20. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 6 en 12 nov. 2021.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.