Genesis/Hoofdstuk 17

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 17 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Als Abram 99 jaar oud is, verschijnt God aan hem. God bekrachtigt het verbond met zijn beloften, verandert daarbij de namen van Abram (wordt Abraham) en Sarai (wordt Sarah) en stelt de besnijdenis in (1-15). Hij belooft Abraham een zoon uit Sarah. Omdat Abraham wegens hun ouderdom hierom lacht, moet de zoon Izak heten. Op Abrahams bede wordt Ismaël gezegend. Daarna vaart God op ten hemel (16-22). Abraham besnijdt zichzelf, Ismaël en al de mannen van zijn huis (23-27).

Gen. 17:1

Ge 17:1  Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht! (SV)

Kort hierna verschijnt God opnieuw (18:1; vgl. 17:21 en 18:10).

Gen. 17:2

Ge 17:2  En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. (SV)

Ik zal mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u. Zie ook vers 4. God had eerder een verbond gemaakt in hoofdstuk 15.

Ge 15:18  Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: (SV)

Het is alsof het verbond hier bekrachtigd wordt. Vergelijk:

Ga 3:17  En dit zeg ik: een verbond dat vroeger door God bekrachtigd is, maakt de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen niet krachteloos om de belofte te niet te doen. (Telos)

Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen. Een herhaling van Gods belofte. Inmiddels was Ismaël geboren en ook Hagar de belofte van een talrijk nageslacht ontvangen (16:10).

Gen. 17:4

Ge 17:4   Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden! (SV)

Mijn verbond. Zie vers 2.

Gij zult tot een vader van menigte der volken worden. Zie vers 2.

Gen. 17:5

Ge 17:5  En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. (SV)

Abram ... Abraham. Abram betekent: 'vader der hoogheid', Abraham: 'vader van een grote menigte'. Deze laatste naam draagt Gods belofte van een talrijk nageslacht.

Want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken. God, 'de Almachtige' (vers 1), kan dat ook bewerkstelligen.

Gen. 17:6

Ge 17:6  En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen. (SV)

Koningen zullen uit u voortkomen. De voornaamste en hoogste van dezen is de Koning der koningen, Jezus Christus, een zoon van Abraham.

Mt 1:1  Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham. (Telos)

Gen. 17:7

Ge 17:7  En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. (Telos)

Het verbond wordt ook genoemd in de verzen 2 en 4. In hoofdstuk 15:18 wordt het verbond gemaakt. Daar gaat het om het land dat Abram wordt toegezegd. Hier wordt duidelijk (1) dat het verbond ook gemaakt wordt met Abrahams nageslacht, (2) dat het verbond eeuwig is, (3) dat God Abraham en zijn nageslacht tot een God is, d.w.z. tot een regerende macht ten zegen, tot hulp en tot verlossing.

En uw zaad na nu. Zie vers 8.

Gen. 17:8

Ge 17:8  En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn. (SV)

De landbelofte wordt hier bevestigd.

Het gehele land Kanaän. En meer dan dat:

Ge 15:18  Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: (SV)

Eeuwige bezitting. Dat is later ook aan Jakob, Abrahams kleinzoon, gezegd.

Ge 48:3  Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend; Ge 48:4  En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven. (SV)

Gen. 17:16

Ge 17:16  Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden! (SV)

Ik zal haar zegenen. Eerder was Abraham gezegend. Tot dusverre was de naam Saraï nog niet in de belofte genoemd. Wel had de Engel Hagar reeds bevolen zich onder de band van haar meesteres te vernederen. Maar nu het verbond van God met Abraham is bekrachtigd, nu treedt ook zij op de voorgrond, die naar het recht van het huwelijk en naar de instelling van God Zelf met Abraham één was geworden.

U ook uit haar een zoon geven. Zoals hiervoor uit Hagar. Hier vindt men de eerste toezegging dat het beloofde zaad uit Sarah zou voortkomen.

Koningen der volken zullen uit haar worden. Uit haar, die vanaf nu Sarah, d.i. Vorstin, heet. Uit haar zal ook worden: dé Koning der Joden, ja, de Koning der koningen, onze Heer Jezus Christus.

Gen. 17:17

Ge 17:17  Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, [een] [kind] geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren? (SV)

Hij lachte. Zijn zoon zou Izak heten (vers 19), d.i. Gelach.

Gen. 17:19

Ge 17:19  En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem. (SV)

Izak. Dat is "Gelach" (vergelijk vers 17), zie Izak.

Een eeuwig verbond. Zie ook vers 13.