Genesis/Hoofdstuk 35

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 35 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Terwijl Jakob bezorgd is over de gevolgen van de moord, door zijn zonen aan de Sichemieten gepleegd (34:30), ontvangt hij bevel van God, om naar Beth-El te gaan, en daar zijn vroegere belofte (Ge 28:19) te vervullen. Hij doet uit zijn huis alle overblijfsels van het heidendom weg, en komt behouden met de zijnen te Beth-El aan. Daar volbrengt hij zijn belofte; begraaft Debóra, de voedster van Rebekka, en ontvangt weer een openbaring van God, die zijn naam Israël vernieuwt, en de drievoudige belofte van de patriarchale zegen bevestigt. (1-15). Jakob reist van Beth-El naar Efratha; op weg daarheen sterft Rachel, bij de geboorte van haar tweede zoon Benjamin. Hij richt zijn tent op aan de overzijde van de toren van Eder; daar bevlekt Ruben het vaderlijk bed. Jakob komt met zijn twaalf zonen te Mamre bij Hebron; daar begraaft hij met Ezau zijn vader Izak. (16-19).

Reizen van Jacob (Access Foundation).jpg

Gen. 35:1

Ge 35:1  Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau. (SV)

Maak u op, trek op naar Beth-el, en woon aldaar. Misschien zegt God dat omdat het voor Jakob, na de slachting te Sichem, niet meer veilig was in deze omgeving.

Gen. 35:2

Ge 35:2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen; (SV)

Die in het midden van u zijn. Waar kwamen die vreemde goden vandaan. Misschien voor een deel uit de geplunderde stad van Sichem (34:27v).

Gen. 35:8

Ge 35:8 En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-el; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-bachuth. (SV)

Allon-bachuth. Dat is "eik van geween".

Gen. 35:9

Ge 35:9  En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem. (SV)

En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was. Dit is een tweede verschijning na zijn komst uit Paddan-Aram in Kanaän. De eerste had te Sichem plaats gehad, te tweede te Beth-El.

Gen. 35:15

Ge 35:15  En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-el. (SV)

Voor de derde maal noemt Jakob deze plaats met die naam, om door die herhaalde naamgeving van zijn zijde het verbond en de verbondszegeningen te aanvaarden.

Gen. 35:16

Ge 35:16  En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. (SV)

En zij reisden van Beth-el. Aan deze plaats had God volgens Zijn bevel hen niet voor altijd willen binden, maar slechts totdat Jakob zijn belofte volbracht had.

Er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen. Ongeveer een uur[1]. Efrath ('Het vruchtbare') is Bethlehem.

Rachel baarde. Rachel was na 16 jaar voor de tweede maal zwanger geworden. De wens die zij bij de geboorte van Jozef had uitgesproken, dat God haar nog een zoon zou schenken, kwam nu, na 16 jaar, in vervulling, maar bracht haar de dood.

Gen. 35:18

Ge 35:18  En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin. (SV)

Zij stierf. Wie kan haar woorden tot Jakob vergeten, toen Lea meer dan eenmaal moeder geworden was: "Geef mij kinderen, of ik sterf! Haar wens werd haar toegestaan; zij baarde een zoon Jozef en nu nog een zoon. Maar aan de voldoening van het eerste deel van haar gezegde; verbond zich nu ook de vervulling van het tweede deel, "of ik sterf!". "Uw wil geschiede" is het voegzaamst gebed.

Gen. 35:26

Ge 35:26  En de zonen van Zilpa, de slavin van Lea: Gad en Aser. Dit zijn de zonen van Jakob, die hem in Paddan-Aram geboren zijn. (SV)

Dit zijn de zonen van Jakob, die hem in Paddan-Aram geboren zijn. Op Benjamin na, die in Kanaän geboren is (vers 18). Omdat de andere zonen verreweg het grootste deel van Jakobs kinderenvormden, wordt dit in het algemeen gezegd; en daar zojuist zo'n bijzonder verslag van de geboorte van Benjamin en van de plaats ervan was gegeven, hoefde de schrijver de laatste zoon niet in het bijzonder uit te sluiten, aangezien de lezer geen gevaar zou lopen zich te vergissen.[2]

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op Gen. 35 is onder wijziging verwerkt op 2 nov. 2020

Voetnoten

  1. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  2. John Gill's Expositor.