Genesis/Hoofdstuk 19

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 19 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De twee engelen die Sodom bezoeken worden door Lot in zijn huis ontvangenis. Zij en Lot worden echter belaagd door de mannen van Sodom. De engelen slaan hen met blindheid en leiden Lot, zijn vrouw en beide dochter uit Sodom (1-16). Lot wordt vergund toevlucht te nemen in Zoar, welke stad om zijnentwil gespaard wordt (17-23). Sodom en Gomorra worden verwoest door zwavel en vuur. Lots vrouw kijkt ondanks de waarschuwing om en wordt een zoutpilaar (24-26). Abraham wordt gewaar dat de steden verbrand zijn (27-29). Lot verlaat Zoar en woont in een spelonk. Teneinde kinderen te krijgen voeren de beide dochters hun vader dronken en plegen incest met hem, waardoor zij zwanger raken en elk een zoon krijgen. Uit dezen zijn de Moabieten en de Ammonieten voortgekomen (30-38).

Gen. 19:1

Ge 19:1   En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde. (SV)

Die twee engelen. De derde persoon, God Zelf, "ging weg", lezen wij in 18:33. Hij had gezegd dat Hij, om het geroep van Sodom en Gomorra (18:20), zou "afgaan en bezien". We lezen niet dat Hij in Sodom is geweest zoals de engelen. Is Hij in de andere genoemde stad, Gomorra, geweest? Of heeft Hij, op enige afstand van Sodom, al gezien dat het daar helemaal mis was. Jahweh is alwetend, zijn ogen doorlopen de hele aarde.

Die twee engelen gingen Lot en de zijnen weghalen. Vergelijk de opdracht die de engelen van de Heer Jezus krijgen:

Mr 13:26  En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in wolken, met grote kracht en heerlijkheid.  Mr 13:27  En dan zal Hij zijn engelen uitzenden en zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken van het einde van de aarde tot het einde van de hemel. (Telos)

Gen. 19:4

Ge 19:4  Eer zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af. (SV)

Het ganse volk. Er waren nog geen tien rechtvaardigen onder de mannen.

Gen. 19:5

Ge 19:5  En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen. (SV)

Hoe anders was de ontvangst van de engelen door Lot. Hij betoonde zich aan hen als een knecht, die hen, vreemden, wilde dienen. De mannen van de stad betoonden zich kwaaddoeners.

Zij riepen Lot toe. Het kwaad dat zij in de zin hadden, maakten zij openlijk bekend.

Jes 3:9  Hun gelaatsuitdrukking getuigt tegen hen. Zoals Sodom maken zij hun zonden [openlijk] bekend, zij verbergen [ze] niet. Wee hun ziel, want zij doen zichzelf kwaad aan. (HSV)

Opdat wij ze bekennen. Intiem kennen, d.w.z. seks met hen hebben. Ze hadden niet genoeg aan het lichaam van hun vrouwen, ze gingen "ander vlees achterna" (Judas 1:7)

Jds 1:7 Zoals Sodom en Gomorra en de steden daaromheen, die op dezelfde wijze als dezen hoereerden en ander vlees achterna gingen, .... (TELOS)

Ge 13:13 De mannen van Sodom waren echter slecht en grote zondaars tegenover de HEERE. (HSV)

Ge 18:20 Verder zei de HEERE: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar. (HSV)

Seksueel wangedrag was niet de enige zonde van de stad, zie Sodom.

Gen. 19:7

Ge 19:7  En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad! (SV)

Mijn broeders! Hij had met rechten kunnen zeggen: "Schoften!". Hij maakte zich echter familiair één met hen. De Heer Jezus noemde Judas "vriend", hoewel Hij wist dat die hem kwam overleveren.

Mt 26:50  Jezus echter zei tot hem: Vriend, waarvoor ben je hier? Toen gingen zij naar Hem toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. (Telos)

Gen. 19:8

Ge 19:8  Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan. (SV)

Jammer dat Lot zijn maagdelijke dochters aanbiedt. Wat had hij anders kunnen doen? Zichzelf aanbieden? Misschien zouden ze hem doden. Had hij hen niet moeten overtuigen van het kwade dat zij in de zin hadden. Maar misschien waren wij niet voor rede vatbaar. Verschrikkelijke situatie!

Gen. 19:10

Ge 19:10  Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe. (SV)

Die mannen. De twee engelen, vgl. vers 12.

Lot had zijn huis gesloten om zijn gasten te beschermen. De engelen vergelden hem gelijk met gelijk: zij trekken hem niet alleen door de geopende deur weer naar binnen, maar verhinderen de goddelozen de toegang. Lot, die de engelen trachtte te redden, wordt nu zelf door hen gered.

Hoeveel kwaad zal nog op de Christgelovigen afkomen, voordat zij weggerukt en Thuis komen?

Gen. 19:11

Ge 19:11  En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden. (SV)

Zij sloegen ... met verblindheden. Nadat Lot in huis getrokken was en de deur gesloten, worden de mannen, die de deur wilden openbreken, verblind, zodat zij als blinden rondtasten.

Dit doet denken aan de toekomstige "werking van de dwaling" (2 Thess. 2:11). Nadat de gemeente van de aarde zal zijn weggerukt (opneming van de gemeente), zal God de achterblijvende mensen op aarde "een werking van de dwaling" zenden.

Gen. 19:13

Ge 19:13  Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar te verderven. (SV)

Haar geroep groot geworden is.

Ge 18:20 Verder zei de HEERE: De roep van Sodom en Gomorra is groot en hun zonde heel zwaar. (HSV)

Gen. 19:14

Ge 19:14  Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochters nemen zouden, en zei: Staat op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen van schoonzonen als een grappenmaker. (CP[1])

Zijn aanstaande schoonzonen namen hem helaas niet serieus. Wie nemen vandaag de dag de boodschap van het komende oordeel serieus?

Gen. 19:16

Ge 19:16  Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad. (SV)

Hand. De engelen hadden samen vier handen. Met elke hand grepen ze de hand van een mens.

Om de verschoning des HEEREN over hem. Omdat God Lot wilde sparen, kregen diens vrouw en twee dochters deel aan de behoudenis. Datzelfde zien wij bij Noach en de zijnen.

Gen. 19:17

Ge 19:17  En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. (SV)

Hij. Dat is Jahweh, die er weer bij was[2]; anders een van de engelen. Waarschijnlijk is het Jahweh, omdat (1) Jahweh naar Sodom wilde gaan (18:21) en (2) Lot in de verzen 19v tot Jahweh lijkt te spreken. Als het Jahweh is, dan ontmoeten de vluchtelingen Hem op weg naar naar hun schuilplaats. Zo zullen wij, de levenden, eenmaal weggerukt van de aarde, de Heer Jezus ontmoeten in de lucht, op weg naar onze hemelse bestemming.

Behoud u om uws levens wil. De vluchtelingen werden behouden door de engelen, die hen bij de handen weggetrokken hadden uit Sodom. Maar de vluchtelingen moesten ook zelf iets doen, zelf iets ondernemen. Ze werden niet passief slechts meegenomen.

Gen. 19:21

Ge 19:21  En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt. (SV)

De stad werd gespaard omwille van Lot, en Lot werd gespaard omwille van Abraham, die voorbede had gedaan.

Gen. 19:22

Ge 19:22  Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar. (SV)

Zoar. Dat is "kleinheid", zie Zoar.

Gen.19:23

Ge 19:23  De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. (SV)

Mal 4:2  Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren. (SV)

Voor Lot was er redding, voor de inwoners van Sodom was God een verterend vuur.

Gen.19:24

Ge 19:24  Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van de HEERE uit de hemel. (CP[1])

Toen deed de HEERE ... van de HEERE uit de hemel. Sommigen[3] zien hier het onderscheid van personen in de Godheid: Gods Zoon deed regenen van God de Vader.

Zwavel en vuur ... uit de hemel. Volgens sommigen[4] had deze brandende zwavel geen natuurlijke oorzaak, maar kwam hij onmiddellijk uit de hand van God. Het is echter mogelijk dat God gesteenten uit het heelal neerzond dat zwavel bevatte en in de atmosfeer van de aarde verbrandde.

Gen 19:26

Ge 19:26   En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar. (SV)

Zag om. Hoewel God gezegd had: "zie niet achter u om" (vers 17).

Gen. 19:30

Ge 19:30  En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters. (SV)

Hij vreesde binnen Zoar te wonen. Hij heeft er een tijd gewoond, maar ondervond kennelijk de ongunst van de bevolking. Omwille van Lot werd Zoar niet omgekeerd (vers 21). Ook daar woonden kennelijk slechte mensen. God had eerder gezegd dat Lot zich moest behouden naar het gebergte heen (vers 17).

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op Gen. 19 is onder wijziging verwerkt op 18 juni 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Zo K.A. Dächsel en F.P.L.C. van Lingen.
  3. Zo Otto van Gerlach, aangehaald in het commentaar van Dächsel. En F.P.L.C. van Lingen in zijn Handboek ter Bijbelverklaring.
  4. K.A. Dächsel in zijn commentaar. En F.P.L.C. van Lingen in zijn Handboek ter Bijbelverklaring.