Genesis/Hoofdstuk 16

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 16 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Gen. 16:1

Ge 16:1  Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar. (SV)

Hagar. Wellicht had zij Hagar verkregen in Egypte, waar zij met Abram enige tijd vertoefd had, daar door Farao genomen was en weer aan Abram teruggegeven was, misschien met Hagar erbij (Gen. 12:14v).

Gen. 16:3

Ge 16:3  Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaän gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw. (SV)

Hem tot een vrouw. Er ontstond een tweede wettige huwelijksverbintenis. Eerst daarna ging Abram tot haar in.

Gen. 16:4

Ge 16:4  En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen. (SV)

Ontvangen had. Zwanger was geworden (vers 11).

Veracht. Jammer dat Hagar dat deed. Hagar zal later door Sarai worden vernederd (16:6).

Gen. 16:6

Ge 16:6  En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht. (SV)

Vernederde haar. Hagars verachting van Sarai werd door de laatste vergolden met vernedering. Het ene kwaad verwekt het andere.

Gen. 16:7

Ge 16:7  En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur. (SV)

De weg van Sur. Hagar vlucht via de weg van Sur naar haar thuisland Egypte. Zie Sur en kaart hieronder.

Weg van Sur

Gen. 16:8

Ge 16:8  En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai! (SV)

De Engel laat blijken dat hij weet wie zij is en wat haar maatschappelijke positie is. Dan stelt hij haar twee vragen. Hij wist de antwoorden, maar geeft haar gelegenheid haar verhaal te doen, haar nood mee te delen.

Gen. 16:9

Ge 16:9  Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen. (SV)

Verneder u onder haar handen. Zij had Sarai veracht (vs. 4-5), als Hagar hoger stond, boven Sarai verheven was, nu moet zij zichzelf verlagen, een nederige plaats geven ten opzichte van de vrouw die zij veracht had.

Gen. 16:10

Ge 16:10  Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden. (SV)

De belofte aan haar is een deels 'overgenomen' van de belofte aan Abram: een ontelbaar nageslacht. Ook Ismaël is zaad van Abram.

Ik zal. De Engel zal dat doen. Deze Engel is een verschijning van God Zelf. Jahweh sprak tot haar (vers 13).

Gen. 16:11

Ge 16:11  Ook zei des HEEREN Engel tot haar: Zie, u bent zwanger, en zult een zoon baren, en u zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft. (CP[1])

U bent zwanger. Zie vers 4.

Gen. 16:11

Ge 16:11  Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft. (SV)

Ismaël. De naam betekent 'God hoort'. Zie Ismaël.

Uw verdrukking. De verdrukking door Sarai, de vernedering door haar meesteres, waarom Hagar gevlucht was (vers 6). God zag om naar haar die verdrukt werd, God zou later naar Israël in Egypte omzien, de nakomelingen van Abraham via Izak, die daar te lande verdrukt zouden worden.

Gen. 16:12

Ge 16:12  En hij zal een woudezel [van] [een] mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen. (SV)

Woudezel. De wilde ezel, die zelden wordt getemd.

Gen. 16:13

Ge 16:13  En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet? (SV)

Des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! De Engel des HEEREN houdt zij voor God Zelf. De Engel van Jahweh in het Oude Testament schijnt God Zelf te zijn, alsook een verschijning van Jezus. Dit is een argument voor de Godheid van de Engel van Jahweh en daarmee voor de Godheid van Jezus Christus.

Gen. 16:14

Ge 16:14  Daarom gaf men die put de naam: de put Lachai-Roï; zie, hij ligt tussen Kades en Bered. (SV)

Lachai-Roï. De naam betekent 'De Levende die naar mij omziet'. God hoort, wat de naam Ismaël uitdrukt, en ziet, wat de naam Lachai-Roï uitdrukt. Over de ligging van de put, zie de kaart hierboven.

Kades. Of Kades-Barnea.

Bered. De ligging is waarschijnlijk zuidwestelijk van Berseba, zie Bered.

God was niet slechts de God van Abram. Hij was ook haar God, de Levende God. Deze ontmoeting met God moet haar levensmoed geschonken hebben en het haar makkelijker hebben gemaakt zich te vernederen voor haar meesteres Sarai.

Gen. 16:15

Ge 16:15  Hagar baarde een zoon bij Abram, en Abram gaf zijn zoon, die Hagar gebaard had, de naam Ismaël. (SV)

Abram gaf zijn zoon ... de naam Ismaël. De Engel had gezegd: U zult zijn naam Ismaël noemen (vers 11). Die tijding had Hagar aan Abram verteld. Abram gaf hem daarom deze naam.

Gen. 16:16

Ge 16:16  En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde. (SV)

Dat was misschien omstreeks de tijd hieronder vermeld.

Israël 2000 - 1500 v.C.[2] > 1750 - 1250 v.C.
Jozef (zoon van Jakob)JakobIzakIsmaëlSarahAbraham

Voetnoot

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009). Ze zijn onzeker.