Genesis/Hoofdstuk 25

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 25 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Abraham neemt Ketura tot vrouw en verwekt zes zonen bij haar, die hij, als zij groot geworden zijn, met geschenken laat heengaan. Hij maakt Izak erfgenaam van al zijn goed. (1-6). Hij bereikt een ouderdom van 175 jaar, en wordt door Izak en Ismaël in de spelonk van Machpéla begraven (7-10). Tot besluit van Abrahams geschiedenis, wordt nog de vervulling van de belofte omtrent Ismaël aangewezen in de 12 van deze zoon afstammende vorsten. Ismaël werd 137 jaar oud. Woonplaats van de Ismaëlieten. (11-18). De onvruchtbare Rebekka wordt in het 20ste jaar van haar huwelijk op Izaks voorbede zwanger. God maakt haar bekend, bij een omstandigheid in haar zwangerschap, dat zij een tweeling zal krijgen en wat de verhouding zal zijn van de beide volken die uit haar zullen voortkomen. Zij baart Ezau ('harig') en Jakob ('hielhouder'), welke laatste bij de geboorte de eerste bij de hiel vasthield (19-26). Met het opgroeien van de knapen gaan zij reeds van elkaar; ieder kiest zich een beroep, overeenkomstig zijn aard. Ezau wordt een ronddwalend jager; Jakob is binnen de tenten bezig. Eens op een dag verkoopt Ezau, vermoeid van de jacht, zijn geboorterecht aan Jakob in ruil voor linzensoep. (27-34)

Gen. 25:16

Ge 25:16  Deze zijn de zonen van Ismaël, en dit [zijn] hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken. (SV)

Twaalf vorsten. De belofte van God aan Abraham aangaande diens eerste zoon Ismaël werd vervuld.

Ge 17:18  En Abraham zei tegen God: Och, zou Ismaël voor Uw aangezicht mogen leven! (...) Ge 17:20  Wat Ismaël betreft, heb Ik u verhoord. Zie, Ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem uitermate talrijk maken: twaalf vorsten zal hij verwekken en Ik zal hem tot een groot volk maken. (HSV)

Hun volken. De stammen der Ismaëlieten.

Gen. 25:23

Ge 25:23  En de HEERE zei tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand vaneen scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen. (CP[1])

Twee volken. Ze was zwanger van een tweeling (vers 24). Ze kregen de namen Ezau en Jakob. Van dezen stammen Edomieten resp. Israëlieten af.

Van een scheiden. Evenals de stamvaders reeds in het lichaam van de moeder tegen elkaar stieten en daarna hoe langer hoe verder van elkaar zich verwijderden

Het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk. Ezau zou in lichaamskracht sterker zijn dan Jakob, maar Edom zou, na lang tegen Israël gestreden te hebben, tenslotte ten ondergebracht worden en zich geheel in Israël oplossen.

De meerdere zal de mindere dienen. Ezau, die het eerst was geboren en in lichamelijk opzicht sterker was, zal Jakob dienen: Edom zal Isräel dienen.

Gen 25:25

Ge 25:25  En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau. (SV)

Ros. Rossig. "Van een kleur tussen rood en geel, al of niet met bijmenging van bruin" (Van Dale)[2]

Ezau. 'Harig' of 'Behaard' betekent de naam. Zie Ezau.

Gen. 25:26

Ge 25:26  En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon. (SV)

Jakob. D.i. 'Hielhouder', iemand die de hiel vasthoudt. Zie Jakob.

Zestig jaren oud. Hij was veertig jaar toen hij Rebekka huwde (vers 20). Twintig jaren heeft hij op kinderen moeten wachten.

Israël 2000 - 1500 v.C.[3] > 1750 - 1250 v.C.
Jozef (zoon van Jakob)JakobIzakIsmaëlSarahAbraham

Gen. 25:30

Ge 25:30  En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik [ben] moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom. (SV)

Edom. D.i. 'rood'. Zie Edom.

Gen. 25:31

Ge 25:31  Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte. (SV)

Voor de tweede keer, als het ware, houdt hier Jakob zijn broeder bij de hiel. Zeer velen hebben in dat woord van Jakob een bewijs willen zien van een sluw karakter, alsof hij van de moede toestand van Ezau heeft willen gebruik maken, om het eerstgeboorterecht te verkrijgen. Dit is echter niet zo. Hoogstwaarschijnlijk is dit woord enigszins op half schertsende wijze op half geraakte wijze gesproken. Ezau had toch niet de macht om zijn eerstgeboorterecht te verkopen. Die macht had alleen de vader. Later heeft Jakob zelf Juda gezet in de plaats van de eerstgeborene, Ruben. Al kon Jakob vermoeden, dat Ezau hem dat recht verkopen zou, en al kocht Jakob het, de eindbeslissing lag toch altijd bij Izak, hun vader. Met die vraag, of met dat woord, heeft Jakob Ezau willen wijzen op zijn gemakkelijk leven dat hij leidde. Hij, de eerstgeborene, zwierf vrij dag aan dag in het veld rond, terwijl Jakob het meer zwaardere leven leidde van in tenten te wonen. Als een eerstgeborene zo mag leven, als jij doet, dan wil ik ook wel eerstgeborene zijn; dit ligt in dit woord. In later tijden ontving de eerstgeborene een dubbel erfdeel (Deut.21:17). Dat Jakob bij deze vraag reeds dacht om de zegeningen van de belofte, aan Abraham gegeven, kan men niet met zekerheid zeggen.[4]

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 25. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 29 aug. 2020.

Voetnoten

  1. Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  3. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009). Ze zijn onzeker.
  4. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 25.