Genesis/Hoofdstuk 15

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 15 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

God belooft Abram opnieuw een talrijk nageslacht en het bezit van het land (1-7), voorzegt dat Abrams nageslacht verdrukt zal worden en sluit een verbond met hem (8-21).

Gen. 15:1

Ge 15:1  Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik [ben] u een Schild, uw Loon zeer groot. (SV)

Een gezicht. Een visioen. Het schijnt dat Abram niet slechts de stem hoorde, maar ook God zag, want God zal hem naar buiten leiden (vers 5).

Een Schild. Dat is een wapen. God is Abrams schild. Hiervóór had Abram met Gods hulp de vier koningen verslagen.

Uw Loon. God is Abrams loon. Hiervóór had Abram geschenken van, de beloning door Sodoms koning afgewezen.

Gen. 15:3

Ge 15:3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn! (SV)

De zoon van mijn huis. Een huisgeboren slaaf, dus niet met geld gekocht.

Gen. 15:5

Ge 15:5  Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn! (SV)

Tel de sterren. Die ontelbaar zijn. Eerder had God gezegd: "als iemand het stof der aarde zal kunnen tellen".

Ge 13:16  En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden. (SV)

Talrijk, ja ontelbaar als de sterren, ontelbaar als de stofdeeltjes. God had al in Ur beloofd hem tot "een groot volk" maken (12:2).

Stelt het stof de lijfelijke nakomelingen voor, de sterren stellen de geestelijke nakomelingen voor. Immers, gelovigen in Christus zijn de talrijke geestelijke nakomelingen van Abraham.

Gen. 15:6

Ge 15:6  En hij geloofde in de HEERE; en Hij rekende het hem [tot] gerechtigheid. (CP[1]

Geloofde in de HEERE. God had meerder malen een belofte aan Abram gedaan. Deze beloften waren nog niet vervuld. Hij geloofde de wonderbaarlijke belofte van God, wonderbaarlijk doordat Abram oud en kinderloos was en doordat hem ontelbare nakomelingen worden beloofd.

Tot gerechtigheid. Ook zij die in de Heer Jezus geloven wordt hun geloof tot gerechtigheid gerekend. Door hun geloof zijn zij geestelijke kinderen van Abram.

Gen. 15:7

Ge 15:7  Voorts zeide Hij tot hem: Ik [ben] de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten. (SV) 

Ge 12:1  De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal. (SV)

Toen Abram bij Sichem in Kanaän was, zei God hem dit land aan zijn "zaad" te zullen geven.

Ge 12:7  Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem verschenen was. (SV)

Gen. 15:8

Ge 15:8 En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal? (SV)

Abram “verzoekt Hem om een teken, een garantiebewijs, een bezegeling van Gods beloften”[2].

Gen. 15:9

Ge 15:9  En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif. (SV)

Nu wil Jahweh, in vaderlijk neerbuigen, op plechtige wijze zich verbinden tot het houden van Zijn belofte en een verbond met Abram aangaan.

God zegt niet: Mijn woord is u genoeg. Abram verzoekt om een teken, God doet een tegenverzoek en verzoekt om een offer. Het is een verbondsoffer. Merk op dat het verbondsoffer een bloedig offer is: de dieren worden gedood, er vloeit bloed. Door dit offer en de handeling die God verricht, wordt Gods belofte bevestigt, het verbond gesloten en krijgt Abram zekerheid. God laat ons hier kennismaken met de grondslag van Zijn zegen voor Abram en diens nageslacht.

Dieren. Het bloedige verbondsoffer bestaat uit vijf verschillende dieren. De dieren, waarom God vraagt, maken vier verschillende soorten uit. De eerste drie zijn gedomesticeerde dieren, tamme dieren die bij de mensen leven. De vijf dieren kunnen, overeenkomstig de oorspronkelijke schepping van de dieren in de scheppingsweek, in twee groepen ingedeeld worden: dieren die zich op de aarde bewegen en dieren (vogels) die zich in de hemel bewegen. De dieren van de aarde werden op de zesde dag geschapen. De dieren van de hemel werden op de vierde dag geschapen. Aarde en hemel verbonden, aarde en hemel samenkomend in dit verbondsoffer.

De hier genoemde dieren behoren tot de Levitische offerdienst. Ze zijn voorboden van de offeranden, die door Abrams nageslacht in datzelfde land aan God gebracht zullen worden. De vaars staat voor het brandoffer, de geit voor het zondoffer, de ram voor het schuldoffer.

Driejarige. Drie van de vijf dieren zijn driejarige dieren. Op de leeftijd van 3 jaar beschouwde men deze dieren als volwassen. Het gaat om volwassen dieren, in de kracht van hun leven. Het gaat tevens om landdieren.

Vaars. Het eerstgenoemde dier is een dierjarige vaars, dat is een jonge koe, een wijfje dus. Het rund is een dier dat de mens dient door onder meer de ploeg te trekken en het graan te dorsen.

Geit. Het tweede dier is een driejarige geit, eveneens een wijfje (Hebr. Ez). De geit is het meest gebrachte zondofferdier in de Levitische offerdienst.

Ram. Het derde dier is een driejarige ram, een volwassen mannelijk schaap. Deze vertegenwoordigt het schuldoffer.

Tortelduif, en een jonge duif. Twee dieren die de lucht, de hemel als leefruimte hebben. Volgens de Levitische offerdienst mocht de arme Israëliet volstaan met een offer van jonge duiven brengen (Luc. 2:24).

Christus. De Heer Jezus is ongeveer van zijn 30e tot zijn 33e levensjaar, in de kracht van zijn leven, 3 ½ jaar openbaar opgetreden in het land Israel. Het bloedige verbondsoffer wijst heen naar het bloedige offer van Christus, die voor ons geslacht werd; wijst in symboliek heen naar de grondslag waarop al Gods beloften rusten: de Zoon van God, in wie het Ja en door wie het Amen is (2 Cor 1:20). Door Gods beloften en door te zien op het offerwerk aan het kruis van Golgotha krijgt een christen zekerheid. De vijf verschillende dieren hebben ons ook iets te zeggen over vijf verschillende zijden van het offer van Christus.

De vaars als offerdier schijnt te wijzen op de dienst van Hem die de Knecht des HEEREN wordt genoemd. Hij kwam naar eigen zeggen om te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen. De driejarige vaars wordt als eerste van de vijf verschillende offerdieren genoemd. Waarom? Ten eerste misschien om de volgorde. Een leven van dienst ging vooraf aan en vond zijn hoogtepunt in Jezus' zelfovergave aan het Kruis. Ten tweede misschien omdat God de liefde en toewijding van de Zoon tot de Vader als het belangrijkste op de voorgrond wenst te stellen. “Het is dit aspect van het kruis, waarop ongetwijfeld door de koe wordt heengewezen.” [2]

De driejarige geit verzinnebeeldt het offer van Hem, die voor ons tot zonde (= zondoffer) is gemaakt.

2Co 5:21  Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem. (Telos)

De driejarige ram beeldt Jezus als schuldoffer af.

Efe 1:7  in Wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van zijn genade, (Telos)

De tortelduif en de jonge duif, deze vogels spreken vreedzaamheid en oprechtheid (Mt. 10:16), De tortelduif spreekt van zang en roep, kwetsbaarheid (Ps. 74:19) en het kennen van de tijd van aankomst (Jer. 8:7). De jonge duif spreekt van armoede. Uit armoede mocht de Israëliet jonge duiven als offer brengen (Luc. 2:24). De vogel spreekt ons van een hemels wezen. De vogels van dit offer spreken van 's Heren hemelse oorsprong en van zijn vreedzaam karakter.

Gen. 15:10

Ge 15:10  En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij leide elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet. (SV)

Deze handeling was gebruikelijk bij het sluiten van een verbond. Reeds in de vroegste oudheid werden de verbonden op grond van bloedige offers gesloten, niet alleen bij de Israëlieten, maar bij de meeste volken van de oudheid. Bij het sluiten van verbintenissen was men gewoon offerdieren te slachten en in stukken te delen; deze stukken werden dan tegenover elkaar gelegd, en die het verbond sloten, gingen midden tussen de delen door, om zinnebeeldig daardoor aan te duiden, dat zij door dit verbond zich tot een ondeelbare eenheid wilden aansluiten, zoals de stukken bij elkaar behoorden.

Beeldden deze tegenover elkaar liggen stukken oorspronkelijk wel het innige bij elkaar behoren van de verbondenen af, later, zoals uit Jer. 34:18-20 schijnt te blijken, drukken de stukken tevens de stilzwijgende verwensing uit, dat de verbondbreker het lot van het offerdier mocht overkomen.

Jer 34:18  En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, [met] het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jer 34:19  De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.  Jer 34:20  Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn. (SV)

Omdat Israël hier het verbond gebroken had, zou het als het kalf worden, dat doormidden gesneden was, d.w.z. het zou aan het zwaard van de vijanden worden overgegeven.[3]

Opvallend is dat de Schrift vermeld dat de kleren van Jezus, die als 'slachtoffer' aan het kruis hing, verdeeld werden, in vier delen.

Joh 19:23  Toen dan de soldaten Jezus hadden gekruisigd, namen zij zijn kleren en maakten er vier delen van, voor elke soldaat een deel, en het onderkleed. Het onderkleed nu was zonder naad, van boven af in zijn geheel geweven.  Joh 19:24  Zij dan zeiden tot elkaar: Laten wij die niet scheuren, maar erom loten van wie die zal zijn; opdat de Schrift vervuld werd die zegt: ‘Zij hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen’. De soldaten dan hebben dit gedaan; (Telos)

Het gevogelte deelde hij niet. Gelijk dit ook bij de offeranden later evenmin plaats had (Lev. 1:15,17).

Gen. 15:11

Ge 15:11 En het wild gevogelte kwam neer op het aas; maar Abram joeg het weg. (CP[1])

Het wild gevogelte kwam neer op het aas. In Jezus' gelijkenis van de zaaier wordt een deel van het gezaaide zaad opgegeten door de vogels (Luk. 8:5). De Heer verklaart aldus:

Lu 8:12  Zij nu die bij de weg zijn gezaaid, zijn zij die horen; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en behouden worden. (Telos)

Het is alsof zij de grondslag van het verbond trachtten te vernietigen.

Gen. 15:12

Ge 15:12  En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, [en] grote duisternis viel op hem. (SV)

Schrik, grote duisternis viel op hem. Deze symboliseren de ellende en verdrukking die Abrams nakomelingen zou wedervaren in Egypteland. Toen de grote zoon van Abram, onze Heiland (Mt. 1:1 "zoon van Abraham") in ellende aan het kruis hing, kwam er duisternis.

Mt 27:45  Van het zesde uur af nu kwam er duisternis over het hele land tot het negende uur toe. Mt 27:46  Omstreeks het negende uur nu riep Jezus met luider stem de woorden: Eli, Eli, lema sabachthani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Telos)

Gen. 15:13 Vierhonderd jaren

Ge 15:13  Toen zei Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in [een] land, dat het hunne niet [is], en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken, vierhonderd jaren. (CP[1])

Dat is een nieuwe openbaring. God openbaart niet alles ineens, maar stap voor stap.

[Een] land dat het hunne niet [is]. Uit het volgende vers en de rest van Israëls geschiedenis weten wij dat Egypte wordt bedoeld. Opvallend is dat de naam van Egypte niet wordt genoemd.

Wanneer de bloedige grondslag van het verbond is geopenbaard, wordt ook het lijden van het volk Israël geopenbaard. Israël gaat van lijden in een vreemd land tot de heerlijkheid van het beloofde land. Ook de gemeente van Christus gaat een weg van lijden tot heerlijkheid.

Vierhonderd jaren. De kinderen Israëls hebben 430 jaren in Egypte gewoond.

Ex 12:40  De [tijd] nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren. Ex 12:41  En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn. (SV)

Hnd 7:6  En God sprak aldus, dat zijn nageslacht bijwoner zou zijn in een vreemd land en zij zouden het tot slaven maken en mishandelen, vierhonderd jaar. (Telos)

Wat de behelzen de vierhonderd jaren? Er zijn verschillende antwoorden mogelijk: 1. de tijd van Jacobs komst in Egypte tot de Uittocht; 2. de tijd van verdrukking tot de uittocht.

Ad. 1. Gegeven Ex. 12:40 (woning van 430 jaar) en Gal. 3:17 (430 jaren tot de wetgeving), moet deze 400 jaren gezien worden als een afronding, een 'ruwweg 400 jaren'.

Ad. 2. De tijd dat Israël in Egypte woonde was 430 jaren (Ex. 12:40). De bekrachtiging van het verbond (Gal. 3:17) met Abraham door God gebeurde tegenover Jakob, toen Hij hem aanmoedigde om naar Egypte te gaan.

Ge 45:28  En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!  Ge 46:1  En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.  Ge 46:2  En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, [hier] ben ik! Ge 46:3  En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten. Ge 46:4  Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen [weder] optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen. (SV)

God herhaalt in deze bekrachtiging zijn beloften van een groot volk en bezit van het land Kanaän.

Jacob heeft 17 jaar in Egypte gewoond, hij stierf in de ouderdom van 147 jaar. Dertig jaar na de komst van Jakob in Egypte, 13 jaar na diens overlijden, begon - volgens deze tweede opvatting - de verdrukking. Hiertegen kan worden ingebracht dat Jozef 57 jaar was, toen zijn vader stierf. Jozef is 110 jaar geworden. Het is aannemelijk dat pas na Jozefs dood de verdrukking begon. In dat geval komen we niet tot de 400 jaar.

Zie Verblijfsduur van Israël in Egypte voor een nader onderzoek naar de verblijfsduur.

Gen. 15:14 Gericht en uittocht

Ge 15:14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. (SV)

Het volk. Het volk van de Egyptenaren.

Met grote have. Veel Egyptische goederen gingen mee, Ex. 12:35-36.

Ex 12:35  De kinderen Israëls nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geëist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen.  Ex 12:36  Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren. (SV)

Gen. 15:15 Voorzegging overlijden van Mozes

Ge 15:15 En u zult tot uw vaderen gaan met vrede; u zult in goede ouderdom begraven worden. (CP[1])

U zult tot uw vaderen gaan met vrede. Abram had geen deel aan de voorzegde dienstbaarheid en verdrukking van het volk Israël. Overlijden is tot zijn voorgeslacht gaan. Abraham zou tot zijn 'vaderen' (meervoud) gaan. Zijn vaderen waren niet begraven in Kanaän, Abraham is in Kanaän begraven. Zijn vaderen, hun zielen, zijn elders, in het hiernamaals; dáárheen zou Abraham gaan.

Wellicht ging ook de Heer Jezus - die in alles aan de mensen gelijk is geworden, uitgenomen de zonde - bij zijn overlijden naar zijn voorgeslacht, onder andere naar zijn (voor)vader Abraham en naar zijn (voor)vader David. (De Heer wordt in Matth. 1:1 genoemd "Zoon van David, Zoon van Abraham"). Het overlijden van onze Heer was echter allesbehalve vredig, hij ging heen na de grootste ellende en smart doorleden te hebben.

U zult in goede ouderdom begraven worden. Hij bereikte een leeftijd van 175 jaar.

Gen. 15:16

Ge 15:16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. (SV)

Vierde geslacht. Het is niet duidelijk wat met hiermee bedoeld wordt. Is Jacob, die in Egypte ging wonen, het eerste geslacht? Of is het geslacht dat het eerst in Egypte geboren is, het eerste van de vier geslachten?

Neem bijvoorbeeld de afstammingslijn Jacob - Levi - Kahath - Amram - Mozes. Mozes trok uit Egypte. Levi t/m Mozes zijn vier geslachten. Jacob kwam op zijn 130e in het land en heeft er 17 jaar gewoon, waarna hij op zijn 147ste jaar stierf. Na 400 jaar zal het vierde geslacht van hem, dat zou het geslacht van Mozes zijn, terugkeren. Een geslacht moet dan naar de gewone (gemiddelde) leeftijd berekend zijn op 100 jaar[4]. Vier geslachten zijn dus 4 x leeftijd van 100 jaar = 400 jaar. Maar een dergelijke berekening schijnt eerder gekunsteld dan aannemelijk.

Zie Verblijfsduur van Israël in Egypte voor een nader onderzoek naar de verblijfsduur.

Herwaarts. Naar het land Kanaän waar Abram nu was.

De Amorieten stammen van Kanaän af.

Want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. God noemt Kanaän 'het land van de Amoriet' (Amos 2:2). Amorieten zijn ook afstammelingen van Noachs kleinzoon Kanaän.

Abram wist wie Amorieten waren. Zijn bondgenoten Mamré, Eskol en Aner, waren Amorieten. De Amorieten zouden om hun ongerechtigheid worden verdelgd. God zal de intocht in Kanaän derhalve voor tweeërlei doel gebruiken: het vervullen van de belofte aan Abram en het verdelgen van de Amorieten.

Gen. 15:17

Ge 15:17   En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. (SV)

De zon onderging. Zie vers 12, "als de zon was aan het ondergaan".

Het duister werd. In vers 12 was een grote duisternis op Abram gevallen. Dat schijnt daar een andersoortige duisternis te zijn.

Een rokende oven. Misschien ook een teken van de hitte van verdrukking en het vuur van vernietiging (vers 13).

In de 20e werden vele Joden in Duitse concentratiekampen vergast, waarna hun lichamen werden verbrand.

In de toekomst zal een derde deel van het volk Israël in het vuur worden gebracht en gelouterd worden.

Zac 13:9  En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God. (SV)

Gen. 15:18 Verbond

Ge 15:18  Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath: (SV)

Dit land. Een dergelijk omvangrijk gebied, 'Groot-Israël', heeft eens onder de heerschappij en invloedssfeer van de grote koning Salomo gestaan. Het zal zeker het gebied van de toekomstige koning van Israël, de Zoon van David, zijn.

De rivier van Egypte. De Nijl dan wel de Beek van Egypte.

Gen. 15:19

Ge 15:19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet (SV)

Keniet. De Kenieten waren een stam waartoe Jethro, de schoonvader van Mozes, behoorde (Richt. 1:16). Zie Kenieten.

Keniziet. De gelovige Kaleb was een zoon van de Keneziet Jefunne (Num. 32:12). Zie Kenizieten.

Kadmoniet. Zie Kadmonieten.

Gen. 19:20

Ge 15:20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten, (SV) 

Hethiet. De Hethieten waren afstammelingen van Kanaän. Over de Kanaänitische volksstam, zie Hethieten.

Fereziet. Zie Perizzieten.

Refaieten. Een geslacht van reuzen, misschien afstammelingen van Sem. Zie Refaïeten.

Gen. 19:21

Ge 15:21  En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet. (SV)

Amoriet. De Amorieten waren afstammelingen van Kanaän. Zie Amorieten.

Kanaäniet. Afstammelingen van Kanaän. Zie Kanaänieten.

Girhaziet. Afstammelingen van Kanaän. Zie Girgasieten.

Jebusiet. Afstammelingen van Kanaän. Van hen was de stad Jebus, het latere Jeruzalem. Zie Jebusieten.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op Gen. 15 is onder wijziging verwerkt op 13 mei 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 Hertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 J. Ph. Fijnvandraat, De Bloedtheologie in Genesis, in: "Bode des Heils in Christus", jaargang 101 (1958).
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jer. 34:18. Tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 13 mei 2020.
  4. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).