Genesis/Hoofdstuk 27

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 27 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Kort: Jakob vóór Ezau gezegend.

Jakob, oud geworden, wil Ezau zegenen met de zegen van de eerstgeborene. Eerst wil hij wildbraad eten dat Ezau voor hem moet jagen en bereiden. (1-4). Rebekka hoort dat en zorgt ervoor dat Jakob door de bedrog die zegen ontvangt (5-29). Ezau komt achter het bedrog, ontvangt een mindere zegen en neemt zich voor zijn broer Jakob te doden na het overlijden van zijn vader (30-41). Rebekka zendt Jakob daarom weg naar haar broer Laban in Haran (42-45). Rebekka heeft verdriet van haar Hethitische schoondochters (46).

Gen. 27:1

Ge 27:1  En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, [hier] ben ik! (SV)

Als Izak oud geworden was. Izak was 137 jaar, Jacob en Ezau 77 jaar.

Gen. 27:9

Ge 27:9 Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft. (SV)

“Men kan geitenbokken zo toebereiden, dat zij als wildbraad smaken." (Michaëlis)[1]

Gen. 27:28-29, 37 Zegen van Jakob

De zegen van Jakob behelst 1. stoffelijke zegeningen (vers 28) en 2. maatschappelijke zegeningen, 2.a. multinationaal (29a) en 2.b. familiair (29b, 40). Deze tweeërlei zegen wordt, in omgekeerde volgorde, genoemd in vers 37. De stoffelijke zegen zal ook het deel van Ezau zijn (37).

Gen. 27:28

Ge 27:28  Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most. (SV)

Een dergelijke stoffelijke zegen zal ook Ezau ontvangen, vers 39.

Gen. 27:29

Ge 27:29  Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u neerbuigen; wees heer over uw broeders en de zonen van uw moeder zullen zich voor u neerbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend! (CP[2])

Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u neerbuigen. Dat zal vervuld worden dankzij en in verbinding met de Messias. Zie Jes. 60:1v. De magiërs uit het Oosten hebben dat voorafgeschaduwd, toen zij de toekomstige koning der Joden bezochten.

Wees heer over uw broeders en de zonen van uw moeder zullen zich voor u neerbuigen. Vergelijk:

Ge 27:37  Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon? (SV)

"Wees heer over uw broeders". In dit woord ligt het opgesloten dat de zegen eigenlijk Jakobs deel zou wezen en anderen slechts deel zouden hebben aan hetgeen hem behoorde. Daarin ligt het wezen van de heerschappij over die hun verwante stammen (Edomieten, Ismaëlieten, Ammonieten, Moabieten), die Israël naar het uitwendig maatschappelijk leven grotendeels uitoefende, vooral ten tijde van David en Salomo, en later in geestelijke zin door de Messias voor eeuwig zal verwerven.

"Broeders," waarvan Jakob er slechts één had in de eigenlijke zin, noemde men dikwijls alle bloedverwanten. Jakob was een neef van zijn oom Laban, die hij 'broeder' noemde.

Ge 29:12  En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen. (SV)

Gen. 27:37

Ge 27:37  Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon? (SV)

ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven. Zie vers 29, 40. "Wees heer over uw broeders en de zonen van uw moeder zullen zich voor u neerbuigen!" (vers 29).

Gen. 27:39

Ge 27:39  Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af [zult] [gij] [gezegend] [zijn]. (SV)

Een dergelijke stoffelijke zegen had Izak ook aan Jakob gegeven, zie vers 28.

Ge 27:28  Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most. (SV)

Gen. 27:40

Ge 27:40  En op uw zwaard zult u leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als u heersen zult, dan zult u zijn juk van uw hals afrukken. (CP[2])

Uw zwaard zult u leven. Niet zozeer van akkerbouw en handel, maar veelmeer van oorlog en roof, zult u leven. Dit komt overeen met Ezau's wilde en ondernemende geest, die in zijn nakomelingen zal toenemen en tot een krijgszuchtige aard worden.

Uw broeder dienen. Zie vers 29, 37.

Na lange onafhankelijkheid werden de Edomieten door Saul overwonnen (1 Sam.14:47), door David onderworpen (2 Sam. 8:14); en bleven, ondanks hun opstand onder Salomo (1 Kon.11:14 vv.), onderdanen van het rijk van Juda tot op Joram, toen zij afvielen; door Amazia werden zij weer onderworpen (2 Kon.14:7, 2 Kron.25:11 vv.) en moesten ook van Uzzia en Jotham afhankelijk blijven (2 Kon.14:22. 2 Kron.26:2); eerst onder Achaz, schudden zij het juk geheel af (2 Kon.16:6, 2 Kron.28:17). Omtrent het jaar 129 voor Christus werden zij door Johannes Hyrkanus op nieuw overweldigd, tot de besnijdenis gedwongen, en bij de Joodse staat ingelijfd; toch stichtten zij eerst later door Antipater en Herodes een Idumeische dynastie over Judea, die tot de ondergang van de Joodse staat zich heeft staande gehouden.

Gen. 27:41

Ge 27:41 En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden. (SV)

Naderen. Iemand, wiens dood aanstaande lijkt, kan nog jaren leven: Izak leefde nog 43 jaar.

Gen. 27:46

Ge 27:46 En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze [zijn], van de dochteren dezes lands, waartoe [zal] mij het leven [zijn]? (SV)

Verdriet. Verdriet van een schoonmoeder over haar schoondochters.

Dochteren Heths. De beide Hethitische vrouwen waarmee Ezau al 37 jaar getrouwd was. .

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 27. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 3 sept. 2020.

Voetnoten

  1. Aangehaald in Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Gen. 27.
  2. 2,0 2,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.