Genesis/Hoofdstuk 48

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 48 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Jakob, ziek geworden, wordt door Jozef bezocht, die zijn beide zonen meebrengt (1-2). Jakob herinnert hem aan Gods beloften (3-4). Hij neemt Jozefs beide zonen voor zijn eigen zonen aan, als vaders van twee bijzondere stammen in Israël (5-7). In het opleggen der handen stelt Jakob met opzet de jongste, Efraïm, boven de oudste, Manasse (8-14). Hij zegent hen en Jozef, en voorzegt hun wederkomst in Kanaän (15-21). Jozef geeft hij een stuk land vooruit (22). [1]

Gen. 48:5-6

Ge 48:5  Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon. Ge 48:6  Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel. (SV)

Ruben en Simeon waren de beide eerstgeborenen van Lea. Manasse en Efraïm waren misschien de eerste kleinkinderen van Rachel. Efraïm en Manasse zijn dan ook twee aparte stammen geworden in het land Kanaän.

Merk op dat Jakob Efraïm als eerste noemt. Hij zal hem later het eerst zegenen.

Gen. 48:8

Ge 48:8  En Israël zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze? (SV)

En Israël zag. Hij zag hun schimmige gestalten, doordat hij niet goed kon zien (vers 10).

Gen. 48:10

Ge 48:10  Doch de ogen van Israël waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen. (SV)

Hij kon niet zien. Hij was niet blind, maar zeer slechtziend, zoals uit vers 8 blijkt. Vermoedelijk had hij staar.

Gen. 48:12

Ge 48:12  Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën; en hij boog zich met zijn aangezicht neer ter aarde. (CP[2])

Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieën. Tussen welke zij gestaan hadden.

En hij boog zich voor zijn aangezicht neer ter aarde. Dat deed Jozef, want Israël wilde een zegen uitspreken en Jozef zag misschien aan het verhelderd aangezicht van de vader, dat deze, van Gods Geest vervuld, nu tot het ogenblik van het plechtig zegenen gekomen was. Hij boog zich neer, wellicht uit eerbied voor zijn vader en misschien ook in aanbidding voor God, die door de mond van zijn vader de zegen zou bekendmaken.

Gen. 48:13

Ge 48:13  En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem. (SV)

Jozef leidde met zijn rechterhand Efraïm tot de linkerhand van Jakob en met zijn linkerhand zijn oudste zoon Manasse tot de rechterhand van Jakob, in de verwachting dat Jakob het eerst de eerstgeborene zou zegenen.

Gen. 48:14

Ge 48:14  Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene. (SV)

Jakob kruiste met opzet zijn armen, zodat zijn rechterhand op het hoofd van de jongste zou liggen.

De minste. De jongste.

Gen. 48:15

Ge 48:15  En hij zegende Jozef, en zei: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op deze dag; (CP[2])

God, Die mij gevoed heeft van dat ik was. Hij beschouwde de zorg van zijn moeder en vader als Gods zorg.

Gen. 48:16

Ge 48:16  Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands! (SV)

Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad. God had zich aan Jakob vertoond als een engel. Met deze Engel had hij geworsteld te Pniël. Die God en Engel heeft hem geleid en verlost van alle kwaad. Die God heeft Jakob op de weg bewaard; Die God belette Laban om Jakob kwaad te doen en die God stemde Ezau goedgunstig tegenover zijn bedrieger-broer Jakob.

Zegene. De zegen van Jakob bevat een zegenwens: dat God zegene!

Dat zijn vermenigvuldigen als vissen in menigte. Zie vers 19.

Gen. 48:18

Ge 48:18  En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd. (SV)

De jongste dreigde de belangrijkste zegen te krijgen, gelijk Jakob - door bedrog - eens de zegen van de eerstgeborene verkreeg.

Gen. 48:19

Ge 48:19  Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden. (SV)

Ik weet het, mijn zoon! ik weet het. Zie ook vers 14: Jakob handelde met verstand.

Hij zal ook groot worden. Zie vers 16. Het erfdeel van Manasse was qua oppervlakte zelfs groter dan dat van Efraïm.

Zijn kleinste broeder groter worden dan hij. Onder Mozes telde de stam Manasse nog 20.000 man meer dan de stam Efraïm (Num.26:34,37).

Nu 26:34  Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd. (...) Nu 26:37  Dat zijn de geslachten der zonen van Efraïm, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten. (SV)

Maar reeds ten tijde van de Richters nam Efraïm zo toe, dat hij aan het hoofd van de noordelijke stammen trad. Later werd hij zelfs het hoofd van de tien stammen, en zijn naam verkreeg gelijke betekenis met de naam Israël.

Gen. 48:20

Ge 48:20 Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse. (SV)

Efraïm werd de derde hoofdbanierdrager. De stam schonk de eerste veldheer van Israël, namelijk Jozua. Silo, na Gilgal de aanvankelijke plaats van het heiligdom, was in Efraïm. De tabernakel en de priesterdienst waren daar 300 jaren lang tot Eli.

Gen. 48:22

Ge 48:22  En ik heb u een bergrug gegeven boven uw broeders; die ik met mijn zwaard en met mijn boog uit de hand der Amorieten heb genomen (SV)

Een bergrug. Wel echter gebruikt Jakob voor "bergrug" een woord dat met de naam "Sichem" in het Hebreeuws gelijkluidend is. Daar bezat hij reeds een stuk land, dat hem een onderpand van het toekomstig bezit van het gehele land was. "Bergrug" is een profetische zinspeling op Sichem. Het stuk land viel later werkelijk aan de kinderen van Jozef ten deel (Joz.21:21). Jozefs gebeente werd op dat stuk begraven (Joz.24:32).

Die ik met mijn zwaard en met mijn boog uit de hand der Amorieten heb genomen. Lett. "neem". Voor de Hebreeër, die in zijn taal een tegenwoordige tijd heeft, komt in profetische, dichterlijk en verheven stijl, de toekomst als verleden voor. Zo heeft ook Jakob hier in profetische geest reeds volbracht, wat eerst na eeuwen door het volk van Israël zou volbracht worden.

Bronnen

Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Gen. 48 is verwerkt op 15 feb. 2021.

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op Gen. 48:12, 19, 22 is onder wijziging verwerkt. 

Voetnoot

  1. Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Gen. 48 is verwerkt op 15 feb. 2021.
  2. 2,0 2,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.