Genesis/Hoofdstuk 14

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Genesis:


Hoofdstuk 14 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Gen. 14:1

Ge 14:1  En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; (SV)

Ellasar. Waarschijnlijk gelijk aan de stad Larsa (zie kaart).

Kedor-laomer. De steden, waartegen deze koningen ten strijde trekken, liggen ter plaatse van de Dode Zee. Ze waren van Kedorlaomer afgevallen, nadat zij hem 12 jaren gediend hadden (14:4). In het 14e jaar kwam Kedorlaomer (14:5).

In vers 9 wordt Kedorlaomer het eerst genoemd:

Ge 14:9  Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. (SV)

Tweestromenland (Wolters).jpg

Gen. 14:2

Ge 14:2  Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zebóïm, en den koning van Bela, dat [is] Zoar. (SV)

In die tijd woonde Lot, de neef van Abram, in Sodom (vers 12), en Abram bij Hebron (vers 13).

Groene lijn = vermoedelijke route van Amrafel, Arjoch, Kedorlaomer en Tideal.

Gen. 14:3

Ge 14:3  Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat [is] de Zoutzee. (SV)

In het dal Siddim. Daar zal de slag geleverd worden.

Ge 14:8  Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zebóïm, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim, (SV)

Zoutzee. Andere naam van de Dode Zee, die een hoog zoutgehalte heeft.

Gen 14:5

Ge 14:5  Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnaïm, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriathaïm; (SV)

Volkeren die waarschijnlijk grotendeels ten oosten van de Jordaan leefden, zie kaart hierboven voor de woonplaats van de Refaïeten (Eng. Rephaim), Zuzieten (Eng. Zuzim) en Emieten (Eng. Emim).

Gen. 14:6

Ge 14:6  En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn [is]. (SV)

Horieten. Woonden ten zuidoosten van wat nu de Dode Zee is, zie kaart hierboven (Eng. Horites)

Gen. 14:10

Ge 14:10  Het dal nu van Siddim [was] vol asfaltputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte. (CP[1])

Asfaltputten. Statenvertaling: "lijmputten". Naardense vertaling: "putten vol pek".

Gen. 14:12

Ge 14:12  Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom. (SV)

Abrams broeder. Dat is Haran.

Gen. 14:13

Ge 14:13  Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, de Hebreeër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamré, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten [waren]. (CP[1])

Mamré. Is ook de oude naam van de stad Hebron.

Mamré, Eskol, Aner. Deze Amorieten Zij zullen met Abraham een veldtocht ondernemen (vers 24) om Lot en de inwoners van Sodom en Gomorra te bevrijden.

Gen. 14:14

Ge 14:14  Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn geoefenden, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe. (SV)

Zijn geoefenden. Geoefende strijdbare mannen, die in zijn huisgezin geboren waren. Een huisgezin omvatte ook de knechten.

Tot Dan toe. Een stad in het noorden, zie kaart hierboven.

Gen. 14:17

Ge 14:17  En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem [waren]), tot het dal Schavé, dat is, het dal des konings. (SV)

Het dal Schavé. Of Sjave. De kaart hierboven plaatst het dal ten noorden van Hebron, waar Abram woonde.

Gen. 14:17

Ge 14:16  En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk. (SV)

Dit is een opzienbarende reddingsactie, gezien het aantal van 318 plus de mannen van zijn Amoritische bondgenoten de broers Mamre, Eskol en Aner (vers 24). Laat het om duizend man in totaal gaan. De vijandige legers waren hoogstwaarschijnlijk veel groter. Ze verslaan meerdere volken. Na afloop zal Melchizedek de overwinning aan God te danken geven (vers 20). Deze koning van Salem en priester van God zegent Abram èn God (verzen 19 en 20).

Gen. 14:18

Ge 14:18  En Melchizédek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij [was] een priester van de allerhoogste God. (CP[1])

Melchizedek. Deze koning van Salem, een stad in die streek, was blijkbaar ook dankbaar voor de uitredding door Abram.

Salem. Dat is het latere Jeruzalem (Ps. 76:2), zie Salem.

Een priester van de allerhoogste God. Melchizedek noemde God "de allerhoogste God" in vers 20. En Abram duidt hem aldus aan in vers 22.

Gen. 14:19

Ge 14:19  En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! (SV)

De Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit. Abram gebruikt dezelfde woorden

Gen. 14:22

Ge 14:22  Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot de HEERE, de allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit; (CP[1])

De allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit. Melchizedek gebruikt dezelfde woorden (vers 19).

Gen. 14:23

Ge 14:23  Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, [iets] neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt! (SV)

Abram rijk gemaakt. Abram was al rijk, zeker toen hij uit Egypte kwam.

Ge 13:2  En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud. (SV)

Gen. 14:24

Ge 14:24  [Het] [zij] buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen! (SV)

Aner, Eskol en Mamre. Zij waren bondgenoten van Abram (vers 13).

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling