Jesaja (boek)/Hoofdstuk 18

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 18 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Het koninkrijk van Koesj ca. 700 v.C. Napata was de hoofstad van Koesj.

Samenvatting. Dit hoofdstuk is een profetie aangaande het land en volk van Koesj.

Geschiedkundige achtergrond. Jesaja leefde in de 2e helft van de 8e eeuw v.C. en profeteerde in de bloeitijd van het koninkrijk Koesj. Van 750 - 666 v.C. waren Koesjitische koningen de farao's van Egypte en Koesjitische prinsessen beheersten als 'Gods Vrouw van Amun' het bestuur van Thebe. Zij regeerden over Egypteland tot de Assyrische invasie door Assurbanipal in 666 v.C. In de tijd van Jesaja waren de Assyriërs in het noordoosten een geduchte macht.

Jes. 18:1

Jes 18:1  Wee het land van vleugelgegons, dat aan de overzijde der rivieren van Koesj is; (CP[1])

Wee. Hier een uiting van medelijden.

Vleugelgegons. Namelijk van de insecten, waarvan het land vanwege de rijkdom van water en het klimaat wemelt.

Jes. 18:2

Jes 18:2  Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat heen, u snelle boden! tot een volk, dat langgerekt is en glanzend, tot een volk, gevreesd van dat het is en voortaan; een volk van regel op regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven. (CP[1])

Gezanten zendt over de zee. Bij het bericht van het naderen van het Assyrische leger zijn de Koesjieten in verschrikking is en zenden zij gezanten over de Rode zee, om op te roepen, dat men zich tegen de Assyrische veroveraar in alle delen van het rijk gereed maakt.

Gaat heen, u snelle boden enz. De gezanten zijn snelle boden van de Koesjitische heerser. De profeet roept hen terug te keren tot hun volk. Ze hoeven zich niet te vermoeien met het overbrengen van de oproep;

Assyrische rijk in de 8e eeuw v.Chr.


Een volk van regel op regel, en van vertreding. Of: van bevel op bevel en van vertreding. Dit ziet op de veroveringszucht van dit volk, zodat het telkens de grenzen uitzette en vertrad, wie tegen hen opstond, of niet onder hun scepter wilde bukken.

Welks land de rivieren beroven. Aangezien het water in verschillende kanalen wordt afgeleid.

Het machtige en hovaardige volk wordt zo uitvoerig omschreven, omdat het zich bij het dreigend gevaar van de Assyriërs zo sterk verontrust, en zich zo machtig inspant, terwijl Jahweh, de God van Israël, de dreigende macht in één nacht zal vernietigen, en dus al het zorgen en het vermoeien van Koesj geheel en al nutteloos is. De profeet weet het zeker, dat de boden naar huis kunnen gaan, om zulk een daad van Jahweh aan de hunnen en aan de gehele wereld bekend te maken.

Jes. 18:3

Jes 18:3  Allen gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten [op] de bergen, zult gijlieden [het] zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden [het] horen. (CP)

Een banier oprichten en op de bazuin blazen zijn gewone tekenen van oorlog. De profeet wil hier zeggen dat God zelf Zich de zaak van Zijn volk Israël zal aantrekken op een merkwaardige wijze, en hij vermaant alle volkeren, om acht te geven op Zijn handelingen.

Jes. 18:4

Jes 18:4  Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte op de regen, als een wolk van de dauw in de hitte van de oogst; (CP[1])

Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning. Tegenover de snelle, gehaaste boden zit God rustig op zijn troon, omdat Hij alles in de hand heeft.

Als de glinsterende ... oogst. Hij zal zijn volk Israël verschonen, verkwikken en weldoen, zoals een zonneschijn na de regen en een dauwige wolk in de oogst lieflijk zijn[2]. Tegenover de rivieren van Morenland (Koesj) stelt God zich hier aan Israël als een stille bron van water, van zegen voor.

Jes. 18:5

Jes 18:5  Want voor de oogst, als de uitbotting volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt [na] de bloesem, dan zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen [en] afkappen. (CP[1])

De vernedering van de Assyriërs in de belegering van Jeruzalem zou juist plaats hebben, als hun plannen tot volkomen rijpheid naderden, en zij welhaast bezitters, voornamelijk van Juda en Egypte, zouden zijn. De voordracht van de profeet is hier wederom zinnebeeldig, maar zeer verstaanbaar. Assyrië is een wijnstok, zijn plannen zijn de vruchten daarvan; deze doen zich eerst voor als knop, die bloeit, de bloesem wordt druif, de druif nadert tot rijpheid, maar zij komt niet tot rijpheid: vóór de oogst rukt God niet alleen de bloesem weg, maar Hij snijdt de ranken met trossen en druiven af, en kapt zelfs de loten weg, al het jong en vruchtdragend hout, zodat van de bloeiende wijnstok nu alleen een dorre verlaten stam overblijft.

Jes. 18:6

Jes 18:6  Zij zullen tezamen gelaten worden voor de roofvogels van de bergen, en voor de dieren van de aarde; en de roofvogels zullen op he overzomeren, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren. (CP[1])

Zij. Zij die hier onder het beeld van ranken en takken (vers 5) bedoeld zijn, namelijk de plotseling en in zo grote menigte omgekomene Assyriërs, die het toppunt van hun macht reeds zo nabij waren.

Voor de roofvogels van de bergen, en voor de dieren van de aarde. Voor de roofvogels ten spijze, en voor de dieren der aarde ten roof, daar men de talloze lichamen van de verslagenen niet eens kan begraven.

Overzomeren ... overwinteren. De roofvogels zullen de gehele zomer daarop doorbrengen, daar zij meer dan genoeg tot hun voedsel vinden, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren en zich daar verzadigen. Al die tijd zullen vogels en wilde beesten op de lijken blijven azen.

Jes. 18:7

Jes 18:7 Te dien tijd zal aan de HEERE der heirscharen een geschenk gebracht worden [door] het volk, dat langgerekt is en glanzend, en door het volk, dat gevreesd is van dat het is en voortaan; een volk van regel [op] regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van de Naam des HEEREN der heirscharen, tot de berg Sion. (CP[1])

De omschrijving van het volk van Koesj in vers 2 wordt hier herhaald. Het zal de God van Israël, de volvoerder van de grote daden, huldigen. Dit zal dus een geestelijke overwinning van buitengewone betekenis zijn. Afgezanten zullen komen tot de plaats van de naam van de HEER der heirscharen, tot de berg van Zion te Jeruzalem.

Later, na het verlossingswerk van Christus, zou de kamerling van de koningin van Koesj in Jeruzalem komen aanbidden (Hand. 8:27). Thans (jaar 2020) behoort tweederde van de bevolking in Ethiopië tot de christenheid.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar bij Jes. 18 is onder wijziging verwerkt op 29 april 2020.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling
  2. Aldus de Statenoverzetters