Jesaja (boek)/Hoofdstuk 51

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 51 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

God wekt de rechtvaardigen op om Abraham en Sarah te aanschouwen, die God gezegend heeft. Zo zal Hij ook het verwoeste Sion tot heerlijkheid brengen (1-3). God zal Zijn recht en heil aan de volken openbaren, een gerechtigheid die hemel en aarde zal overleven (4-6). Vreest daarom niet voor de smaadredenen van vergankelijke mensen (7-8). God openbare zijn macht, gelijk ten dage van de Uittocht! De vrijgekochten van Jahweh zullen zo met blijdschap terugkeren. God zal zijn volk troosten. Het hoeft niet bevreesd voor de benauwer (9-16). Waak op, vernederd Jeruzalem, God zal de beker van Zijn grimmigheid van uw nemen en in de hand van uw verdrukkers zetten (17-23).

Jes. 51:1

Jes 51:1  Hoort naar Mij, u, die de gerechtigheid najaagt, u, die Jahweh zoekt! aanschouwt den rotssteen, [waaruit] ulieden gehouwen bent, en de holligheid van de bornput, [waaruit] u gegraven bent. (CP[1])

U die de gerechtigheid najaagt. Zie vers 5, 6, 7.

De rotssteen, [waaruit] ulieden gehouwen bent, en de holligheid van de bornput, [waaruit] u gegraven bent. Dat zijn Abraham en Sarah (zie vers 2), voorgesteld als dode zaken (rotssteen, bornput). Het ontstaan van Israëls volk was een wonder van Gods Almacht. Bij de mens scheen het een onmogelijkheid, dat uit de 100-jarige Abraham en uit de 90-jarige Sara nog een zoon zou geboren worden. Daarom wordt hier Abraham bij een rotssteen vergeleken, de moederschoot van Sara bij een groeve, waaruit iets te voorschijn wordt gebracht.

Lu 3:8  Brengt dan vruchten voort, de bekering waardig; en begint niet bij uzelf te zeggen: Wij hebben Abraham tot vader! Want ik zeg u, dat God uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken. (Telos)

Jes. 51:2

Jes 51:2  Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, [die] ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij [nog] alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem. (SV)

Toen hij [nog] alleen was. Zonder kind.

Jes. 51:3

Jes 51:3  Want de HEERE zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als den hof des HEEREN; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem des gezangs. (SV)

De HEERE zal Sion troosten. Het bedroefde Sion (49:13-14). Zie ook vers 19, "door wie zal Ik u troosten?".

Jes. 51:5

Jes 51:5  Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen. (SV)

Mijn gerechtigheid. Vers 6: die zal niet verbroken worden. Zie ook vers 1: „Hoort naar Mij, u die de gerechtigheid najaagt". Vers 8: "Mijn gerechtigheid is eeuwig".

Mijn armen zullen de volken richten; ... op Mijn arm zullen zij hopen. Zie vers 9.

Jes. 51:6

Jes 51:6  Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. (SV)

Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden. Zie ook vers 8. Vers 5: Gods gerechtigheid is nabij.

Jes. 51:7

Jes 51:7  Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet. (SV)

Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! Zie vers 1.

Jes. 51:8

Jes 51:8  Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. (SV)

De mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol. Zie ook vers 12.

Schietwormpje. Herziene Statenvertaling: mottenlarve.

Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten. Zie ook vers 6.

Jes. 51:9

Jes 51:9  Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm van Jahweh! ontwaak als in de verleden dagen, [als] [in] de geslachten van ouds; bent U het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? (CP[1])

Arm van Jahweh. Zie vers 5.

Die Rahab uitgehouwen hebt, Die de zeedraak verwond hebt? De Herziene Statenvertaling heeft 'zeemonster' in plaats van 'zeedraak'.

Ps 89:10 (89:11) Ú hebt Rahab als een dodelijk gewonde verbrijzeld, U hebt Uw vijanden verstrooid met Uw sterke arm. (HSV)

God heeft eertijds Rahab, de grote macht van Egypte, verslagen, het zeemonster, de Egyptische farao, verwond. Zie het volgende vers. Voor de farao als zeemonster getypeerd, vergelijk:

Eze 29:3 Spreek, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, farao, koning van Egypte, groot zeemonster, dat in het midden van zijn rivieren ligt, dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij en ik heb die zelf voor mij gemaakt! (HSV)

Jes. 51:10

Jes 51:10  Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen? (SV)

Dat gebeurde bij de uittocht van Israël uit Egypte.

Jes. 51:11

Jes 51:11  Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden. (SV)

De vrijgekochten. Zie vers 14.

Jes. 51:12

Jes 51:12  Ik, Ik ben het, Die u troost; wie bent u, dat u vreest voor de mens, die sterven zal? en voor een mensenkind, [dat] hooi worden zal? (CP[1])

De mens, die sterven zal? en voor een mensenkind, [dat] hooi worden zal? Zie ook vers 8.

Jes. 51:13

Jes 51:13  En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers? (SV)

De aarde gegrond heeft. Zie vers 16.

Jes. 51:14

Jes 51:14  De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal [hem] niet ontbreken. (SV)

De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden. Zie vers 11.

Jes. 51:16

Jes 51:16  En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om den hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk. (SV)

Om de aarde te gronden. Zie vers 13.

Jes. 51:17

Jes 51:17  Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN den beker Zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, [ja], uitgezogen. (SV)

Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! Zie ook 52:1.

Jes 52:1 Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. (SV)

Jes. 51:19

Jes 51:19  Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, [door] wie zal Ik u troosten? (CP[1])

Door wie zal Ik u troosten? Zie vers 3.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 51:1. Enige tekst hiervan is onder wijziging verwerkt op 26 feb. 2020.

Voetnoot

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.