Jesaja (boek)/Hoofdstuk 14

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 14 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Dit hoofdstuk vervolgt de last van Babel. Belofte van herstel en verheffing van Israël (1-3). De hovaardige Koning van Babel zal tot het dodenrijk worden vernederd (4-20). Zijn nageslacht zal uitgeroeid worden (21-22) en Babel verwoest (23). Godsspraak tegen Assur, dat in Gods land verbroken zal worden (24-27). Godsspraak tegen Filistea (28-32).

Jes. 14:1

Jes 14:1  Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israël nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen. (SV)

De volgende verzen sluiten aan op het vorige hoofdstuk. De ondergang van Babel wordt ook hier genoemd (14:4v, 22).

Het onderhavige vers ziet op de verlossing uit de Babylonische ballingschap (vgl. vers 4). Het gedeelte Jes. 14:1v bevat ook elementen die niet vervuld zijn, maar wel een voorvervulling hebben gehad.

En zij... De vreemdelingen, die zich bij hen aansluiten.

Jes. 14:2

Jes 14:2  En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis Israëls zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers. (SV)

De rollen worden omgekeerd. Nu krijgt Gods volk de overhand over de volken. Iets van deze voorzegging is werkelijkheid geworden in de dagen van Esther, na de dood van Haman.

De volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen. Dit is deels vervuld bij de verlossing uit de Babylonische ballingschap en de door Cyrus begunstigde terugkeer naar het land van Israël.

Hun plaats. Dat is ook 'het land van Jahweh'.

Tot knechten en tot maagden. Nadat Israël in 'harde dienstbaarheid' (vers 3) was geweest. Men heeft Israël doen dienen (vers 3), nu wordt Israël gediend.

Drijvers. Zie vers 4.

Jes. 14:3

Jes 14:3  En het zal geschieden ten dage, wanneer u de HEERE rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen; (SV)

De harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen. In de ballingschap zijn Israëlieten ook aan dienstbaarheid onderworpen geweest. Nu zullen, omgekeerd, de volken Israël dienen (vers 2).

Jes. 14:4

Jes 14:4   Dan zult u deze spreuk opnemen tegen de koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? [Hoe] houdt de goudene op? (CP[1])

De koning van Babel. In vers 16 genoemd 'die man'.

Hoe houdt de drijver op? Zie vers 2, 'drijvers'.

De goudene. Het woord staat in het vrouwelijke geslacht en schijnt een toe- en bijnaam van de Babylonische heerschappij te zijn. De ware betekenis is twijfelachtig. Het is dan ook zeer verschillend vertaald; Michaëlis: "de tot arbeid dringende gebiedster"; Dathe: "die alles met geweld ontvoerde." A. Schultens: "de verdelgster"; anderen wederom anders. Moderne vertalingen hebben 'dwingelandij' (Willibrord, NBV2004), 'dwangdienst' (Lei), 'de verdrukking' (NBG51, NaB), 'onderdrukking' (HSV). Het naast aan de letter is de overzetting van de Statenvertaling: "de goudene," dat is de rijke en prachtige.[2]

Jes. 14:7

Jes 14:7  De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich. (SV)

De ganse aarde rust, zij is stil. Nu Babel gevallen is, dat haar in rep en roer stelde

Zij maken groot geschal met gejuich. Alles is in gejubel, omdat de nood voorbij is en de gevaren zijn doorgestaan. Akelig lot van een tiran: bij zijn val is alles verheugd[3].

De val van het toekomstige Babylon wordt eveneens met gejuich begroet en wel in de hemel.

Opb 18:20  Wees vrolijk over haar, hemel, en u, heiligen en apostelen en profeten, omdat God uw rechtszaak tegen haar berecht heeft. (Telos)

Opb 19:1 Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote menigte in de hemel zeggen: Halleluja! De behoudenis en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God! Opb 19:2  Want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde heeft verdorven met haar hoererij, en Hij heeft het bloed van zijn slaven van haar hand gewroken. Opb 19:3  En voor de tweede maal zeiden zij: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheid. (Telos)

Jes. 14:9

Jes 14:9  Het dodenrijk beneden was beroerd om uwentwil, om [u] tegemoet te gaan, als u kwam; het wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan. (CP[1])

Was beroerd. Kwam in beroering of onrust. Het dodenrijk, althans het graf, is normaal een plaats van zwijgen en rust, zoals ook Job aangeeft:

Job 3:13  Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen; (Job)

Het dodenrijk had van de koning van Babel, de onoverwinnelijke wereldbeheerser niet verwacht, dat hij tot haar zou moeten nederdalen, of had hem ten minste niet zo spoedig verwacht.

Vergelijk de onrust van de overleden Samuël:

1Sa 28:15  En Samuël zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft, wat ik doen zal. (SV)

Om [u] tegemoet te gaan, als u kwam.

Hij wekt ... de doden op. Schudt de afgescheiden zielen wakker, doet ze ontwaken en opstaan vanwege de aankomst van de overleden koning van Babel. Om de gevallen koning in zijn midden welkom te heten.

Bokken. Hier figuurlijk gebruikt voor de (woeste) heersers, leiders.

Zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan. Dit heeft geen betrekking op de levende koningen, die het bericht van de dood van de koning van Babel vernemen, maar op de gestorven koningen, die in het dodenrijk ook hun tronen hebben. Zie vers 10.

Jes. 14:10

Jes 14:10  Die allemaal zullen antwoorden, en tot u zeggen: U bent ook zwak geworden, gelijk wij, u bent ons gelijk geworden. (CP[1])

De afgescheiden koningen zullen antwoorden, wellicht met honende spot: u bent ook zwak, ziek geworden, geslagen en van het toppunt van uw onmetelijke macht naar beneden gestort tot de machteloosheid van het dodenrijk, gelijk wij.

Jes. 14:11

Jes 14:11  Uw hovaardij is in het dodenrijk neergestort, [met] het geklank van uw luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. (CP[1])

Met [het] geklank van uw luiten. Sommige vertalingen hebben 'harpen'. De muziek van het hof heeft opgehouden te klinken.

De maden ... de wormen ... Die een lijk aanvreten. Graf en dodenrijk zijn hier één. Van Herodes Agrippa I wordt meegedeeld:

Hnd 12:23  En onmiddellijk sloeg een engel van de Heer hem, omdat hij God niet de heerlijkheid gaf; en hij werd door wormen gegeten en hij stierf. (Telos)

Ook in het dodenrijk zijn ervaringen die als een knagende 'worm' aanvoelen. In de hel, het definitieve rijk van de dood (de Tweede Dood) sterft de worm van de goddelozen niet (Matth. 9:46, 48).

Mr 9:46  waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.

Jes. 14:12

Jes 14:12  Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, o morgenster, u zoon van de dageraad! [hoe] bent u ter aarde neergehouwen, u, die de heidenen krenkte! (CP[1])

Uit de hemel gevallen. Een ster kan uit hemel vallen. Wij spreken van 'vallende sterren'. De koning van Babel is een gevallen ster.

Morgenster .. zoon van de dageraad. De morgenster schittert aan de nachtelijke hemel en kondigt de nieuwe dag aan. De dageraad is het begin van de ochtend. De morgenster (ook avondster genoemd) is, voor het oog van de menselijke waarnemer op aarde, de grootste en meest heldere ster. In vers 4 is de koning van Babel 'de goudene' genoemd. Vers 12 wijst dus opnieuw op de heerlijkheid van Babels monarch.

Ter aarde neergehouwen. Vergelijk 'gevallen' (vers 12), 'neerligt' (8), 'in het dodenrijk neergestort' (11)

Jes. 14:13

Jes 14:13  En zei in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op de berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. (CP[1])

Ik zal ten hemel opklimmen. Vergelijk vers 14, 'boven de hoogten der wolken opklimmen'. Hij nam ik zich voor een hemelhoge stand te bereiken. Hij was nu, gelijk een ster, uit de hemel gevallen (vers 12). Het streven van de koning van Babel doet denken aan de torenbouw van Babel.

Ge 11:4  En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel [zij], en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden! (SV)

Ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen. Hij wilde heerlijker en voornamer zijn dan de sterren die God in de hemel gesteld heeft. De morgenster (vers 12) is de heerlijkste ster.

De berg der samenkomst. De woonplaats (volgens de mening der heidenen) van de goden[2].

Aan de zijden van het noord. Daar namelijk dachten zich de Oosterse volken. Bijna alle oude volken versierden zich zekere hoge gebergten, die hun verbeelding meestal in het verste noorden plaatste, waar goden en godengestalten plechtige vergaderingen hielden, en van waar zij hun opperheerschappij over de aarde uitoefenden. De berg Zaphon was een heilige berg bij de Kanaänieten. Die godenberg is bij de Perzen el-bordsch genaamd[3]. Bekend zijn de Atlas, Ida en Olympus der Grieken en Romeinen.

Jes. 14:14

Jes 14:14  Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. (CP[3])

Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen. Vergelijk vers 13, 'ten hemel opklimmen'.

Ik zal de Allerhoogste gelijk worden. Gelijk worden aan God de Allerhoogste.

Het tegendeel is met de Heer Jezus gebeurd. Hij, die aan God gelijk was, heeft zichzelf (vrijwillig) vernederd tot de dood toe. De koning van Babel heeft zichzelf verheven en wilde Gode gelijk worden, maar werd ongewild vernederd tot de dood. In deze vorst was de gezindheid van de duivel. Ons echter wordt de gezindheid van Jezus tot voorbeeld gegeven:

Flp 2:3  Doet niets uit partijzucht of uit ijdele roem, maar laat elk in nederigheid de ander uitnemender achten dan zichzelf; Flp 2:4  laat ieder niet alleen op zijn eigen belangen, maar ieder ook op die van anderen zien. Flp 2:5  Want laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was, Flp 2:6  die in de gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn, Flp 2:7  maar Zichzelf ontledigd heeft, de gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend. Flp 2:8  En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot de dood, ja, tot de kruisdood. Flp 2:9  Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam geschonken die boven alle naam is, Flp 2:10  opdat in de naam van Jezus elke knie zich buigt van hen die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, Flp 2:11  en elke tong belijdt dat Jezus Christus Heer is, tot heerlijkheid van God de Vader. (Telos)

Jes. 14:15

Jes 14:15  Ja, in het dodenrijk zult u neergestoten worden, aan de zijden van de kuil! (CP[1])

In het dodenrijk zult u neergestoten worden. Vergelijk verzen 9v. Op de zelfverhoging volgt de verlaging, de vernedering van Godswege.

Aan de zijden van de kuil. De kuil van het graf. Een tegenstelling tot de godenberg (vers 13).

Jes. 14:16

Jes 14:16  Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, [en] [zeggen]: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? (SV)

Die man. De koning van Babel (vers 4).

Die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven? Vergelijk vers 7.

Jes. 14:17

Jes 14:17  Die de wereld als een woestijn stelde, en haar steden verwoestte, die zijn gevangenen niet liet los [gaan] naar huis toe? (SV)

Die de wereld als een woestijn stelde, en haar steden verwoestte. Door zijn verwoestende veroveringstochten.

Die zijn gevangenen niet liet los [gaan] naar huis toe? Gevangenen, welke hij van her en der had samengevoerd en niet liet los gaan naar huis toe, gelijk bijvoorbeeld onder de Perzische heerschappij met het volk der Joden geschieden zal.

Jer 50:33  Zo zegt de HEERE der heirscharen: De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn te zamen verdrukt geweest; en allen, die hen gevangen hadden, hebben hen vast gehouden; zij hebben hen geweigerd los te laten. (SV)

Jes. 14:18

Jes 14:18  Al de koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eer, een ieder in zijn huis; (CP[1])

Al de koningen der heidenen. De koning van Babel wordt vergeleken met de andere koningen.

Liggen neder met eer. Zij zijn eervol begraven en rusten in ere. Leidse vertaling:

Jes 14:18  altemaal koningen van natien". Zij allen zijn met ere ter ruste gegaan, ieder in zijn grafstede; (Lei)

De Nieuwe Vertaling (2004) vertaalt omschrijvend aldus:

Jes 14:18  Andere koningen worden eervol begraven, ieder in een eigen praalgraf. (NBV2004)

Jes. 14:19

Jes 14:19  Maar u bent verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, bekleed met gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; [als] die neerdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam. (CP[1])

Verworpen van uw graf. De koning van Babel is niet in zijn eigen grafstede gekomen.

Als een gruwelijke scheut. Als een spruit van de boom, die de snoeier afsnijdt en als iets verfoeilijks wegwerpt, zonder ernaar om te zien. Herziene Statenvertaling: 'verafschuwde loot'.

Bekleed met gedoden. Statenvertaling: 'een kleed der gedoden'. Het eerste woord kan wel betekenen 'een kleed', maar ook 'bekleed' en die laatste betekenis moeten we hier hebben[2]. De profeet, die hier van de toekomst gewag maakt, maakt hier bekend, dat de koning van Babel op het slagveld zal liggen, als bekleed met verslagenen, d.w.z. tussen de verslagenen in liggen en als door hen bedekt. Er zou geen onderscheid zijn tussen die machtige koning en de geringste van zijn soldaten. Zijn graf vindt hij op het slagveld.

Als die neerdalen in een steenkuil. Zonder praal en pracht wordt hij ter aarde besteld, of liever wordt zijn lijk weggeworpen in de steenkuil.

Toen Babel verrassend werd veroverd werd de koning Belsazar gedood bij nacht. Toen alles in oproer was, is zijn lijk - tenminste, als er hier op Belsazars einde wordt gedoeld - kennelijk weggeworpen en blijven liggen op de aarde, daar niemand tijd en lust had om naar hem om te zien[4].

Jes. 14:20

Jes 14:20  Gij zult bij hen niet gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, [en] uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden. (SV)

Bij hen. BIj de koningen der volken (vers 18).

Jes. 14:24-27 Godsspraak tegen Assur

Jes. 14:24

Jes 14:24 De HEERE der heirscharen heeft gezworen, zeggende: Indien niet, gelijk Ik gedacht heb, het alzo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal! (SV)

De vervulling van Gods raadsbesluit met betrekking tot Assur is niet tegen te houden. Zie vers 27.

Jes. 14:25

Jes 14:25  Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hun schouder wijke.

In Mijn land. Het land dat de Israëlieten als erfenis hebben gekregen en waar zij wonen.

Jes. 14:26

Jes 14:26  Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat ganse land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken. (SV)

Dat ganse land. Dat hele gebied dat thans aan Assur onderworpen is (en later zal zijn aan de koning van Babel) (Jer. 50:17 vv.)

Alle volken. Die mede deel hebben aan de catastrofe die over beide rijken Assur (en Babel) komt.

Jes. 14:27

Jes 14:27  Want de HEERE der heirscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan verbreken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren? (SV)

Gods raad zal vervuld worden aan beide machten, eerst aan Assur (Jes. 37:6 vv.) en in de volgende eeuwen aan Babel.

Jes. 14:28-32 Godsspraak tegen Filistea

Jes. 14:28

Jes 14:28  In het jaar, toen de koning Achaz stierf, geschiedde deze last. (SV)

Zie onderstaand schema:

800 — 700 v.C. < Israël 750 — 650 v.C.[5] > 700 — 600 v.C.
EsarhaddonTirhakaManasseBerodach-BaladanSanheribBerodach-BaladanSargon IISalmaneserHizkiaHosea (koning)AchazPekahPekahiaJesaja (profeet)https://nl.wikipedia.org/wiki/PiyePulMichaJothamMenahemSallumZachariaRezinUzzia

Jesaja profeteerde in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia.

Jes. 14:29

Jes 14:29  Verheug u niet, u gans Filistea! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel der slang zal een adder voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn. (CP[1])

Filistea. De Statenvertaling heeft 'Palestina', dat hetzelfde land van de Filistijnen aanduidt (zie Filistea).

De roede die u sloeg. Achaz' grootvader, de koning Uzzia, had de Filistijnen geslagen.

2Kr 26:6  Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen. 2Kr 26:7  En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-Baäl woonden, en [tegen] de Meunieten. (SV)

De koning van Israël was de Filistijnen een stok die slagen toedeelde.

Gebroken is. Achaz was overleden (vers 28).

Wortel. Hizkia was een tijd co-regent met zijn vader Achaz. Toen deze overleed, zette Hizkia de regering voort.

Slang. Hebr. Nachash, zie Slang. Door slangen werden de Israëlieten in de woestijn gebeten. Een tweede zinnebeeld, behalve de stok, is een gevaarlijke slang.

Adder. Hebr. Tsepha. Statenvertaling: Basilisk. Het gaat om een gifslang, zie Adder.

Vurige vliegende draak. Onduidelijk is om wat voor dier het gaat, misschien om een slang die op korte afstand van boom tot boom kan springen[6]. Het gaat misschien om een giftige slang die zich vliegensvlug kan voortbewegen.

Hizkia versloeg de Filistijnen.

2Kon 18:8 Hij was het die de Filistijnen versloeg, tot Gaza toe, en de bijbehorende gebieden veroverde, van de wachttoren af tot de versterkte steden toe. (HSV)

Jes. 14:30

Jes 14:30  En de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door den honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen. (SV)

Eerstgeborenen der armen. Hier wordt 'eerstgeborene' in de figuurlijke zin van 'voornaamste' of 'meeste' gebezigd: de meest armen, de armsten onder de armen. De profeet wijst hier op de grote tegenstelling, dat Gods volk, zelfs de armsten onder de armen, gerust en veilig zullen neerliggen, terwijl de Filistijnen aan allerlei ellende ten prooi zullen zijn.[2]

Weiden. Onder de scepter van hun toekomstige koning uit het huis van David zullen zij een goed leven genieten.

Ps 23:1  Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Ps 23:2  Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. (SV)

Nooddruftigen. De kinderen Israëls die thans zoveel gebrek lijden

Zeker neerliggen. Als zij die geen ongeluk meer hebben te vrezen.

Ps 23:4  Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. (SV)

Uw wortel. Nadat u tot een wortel, een beginsel vernederd bent. Vergelijk 'overblijfsel' in ditzelfde vers.

Uw overblijfsel. Wat nog in leven mocht gebleven zijn

Hij. De vijand, de Assyriër, van wie in ‘t volgende vers gesproken wordt.

Jes. 14:31

Jes 14:31  Huil, u poort, schreeuw, u stad! u bent zijt gesmolten, gij gans Filistea! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten. (CP[1])

Poort. De poort was de verzamelplaats in iedere stad van het land, waar de oudsten gewoonlijk beraadslaagden.

U stad. Welke u ook onder de Filistijnse steden moogt zijn.

Gesmolten. Verschrikt en ontzet vanwege de naderende ondergang.

Rook. Een rook, ten teken van een verzengend en brandend vuur, dat door de opstijgende rook reeds in de verte gezien wordt. Het Assyrische leger komt als een verterend vuur.

Er is geen eenzame in zijn samenkomsten. 'Samenkomsten' betekent hier: legerscharen. Er is bij het naderend Assyrisch leger geen eenzame, niet een die lafhartig of nalatig of ziek bij de anderen achterblijft; de vijand komt bij ganse drommen aan, om het land der Filistijnen te vernietigen.

Want wel betekent het laatste woord, samenkomst, maar hier heeft het de betekenis van, legerscharen. De profeet wil zeggen dat de vijand bij ganse drommen aankomt, om het land der Filistijnen te vernietigen.

Jes 5:26  Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen [herwaarts] sissen van het einde der aarde; en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen.  Jes 5:27  Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden. (SV)

Jes. 14:32

Jes 14:32  Wat zal men dan antwoorden de boden van het volk? Dat de HEERE Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten van Zijn volks een toevlucht daarin hebben zouden. (CP[1])

De boden van het volk. De boden van de Filistijnen

Een toevlucht. Gods bescherming bleek toen het Assyrische leger, dat Sion (Jeruzalem) bedreigde, vernietigd werd.

2Kon 19:35  Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrie honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. (SV)

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst is onder wijziging verwerkt op 18, 23, 27 en 31 maart 2020.  

Voetnoten

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 1,11 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  3. 3,0 3,1 3,2 Aldus Johannes van der Palm. Zie de aanhaling in Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  4. Patrik, Polus en Wels, de Verklaring van de Geheele Heilige Schrift, door eenigen van de voornaamste Engelsche Godgeleerden (18e eeuw).
  5. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).
  6. Zie bijvoorbeeld: The Amazing Paradise Flying Snake | Wildest Islands Of Indonesia. Youtube.com: Discovery UK, 3 feb. 2018. Duur: 5 min. 29 sec.