Jesaja (boek)/Hoofdstuk 48

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 48 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

God klaagt over de huichelarij van de Israëlieten, hun hardnekkigheid en verachting van Zijn voorzeggingen (1-8). Nochtans verschoont Hij hen om Zijns naams wil, opdat zij Hem recht leren kennen (9-13). God zal de door Hem voorzegde Kores voorspoedig maken op zijn weg (14-15). God moedigt Israël aan Hem tot hun heil te gehoorzamen en uit Babel te gaan (16-22).[1]

Jes. 48:1

Jes 48:1  Hoort dit, u huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israël, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israëls, [maar] niet in waarheid, noch in gerechtigheid. (CP[2])

Hoort dit, u huis van Jakob. Zie vers 12,

Uit de wateren van Juda voortgekomen. Het overgebleven tweestammenrijk werd met de naam 'Juda' aangeduid. Uit de menigte van de stam van Juda was deze rest van Israël voortgekomen. Deze menigte wordt beeldsprakig aangeduid met 'wateren'.[3]

Jes. 48:12

Jes 48:12  Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israël, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste. (SV)

Hoor naar Mij, o Jakob! Zie vers 1.

Jes. 48:14

Jes 48:14  Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal [tegen] de Chaldeën zijn. (SV)

Vergadert u. Om tot het rechtsgeding te komen. God richt zich tot de Israëlieten[4].

Wie onder hen. Wie van de afgoden[4]. Voor dergelijke vragen, zie Jes 41:26 en 43:9.

Heeft hem lief. Dat is Kores[5] (zie vers 15), die Babel zal veroveren (vgl. Jes. 45:1-6, 13; 46:11), of anders[6] Jakob (Israël).

Hij zal. Dat is Kores of God.

Jes. 48:15

Jes 48:15  Ik, Ik heb [het] gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn [op] zijn weg. (SV)

Hem. Dat is Kores. Zie vers 14.

Hij zal voorspoedig zijn [op] zijn weg.

Jes 45:1  Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden: Jes 45:2  Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan. (SV)

Jes. 48:16

Jes 48:16  Nadert ulieden tot Mij, hoort dit: Ik heb van het begin niet in het verborgene gesproken, [maar] van die tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere HEERE heeft Mij gezonden, en Zijn Geest. (CP[2])

Mij. De Messias, onze Heiland.

En Zijn Geest. Na het vertrek van de Heer Jezus naar de hemel, is de Geest naar de aarde gezonden om in de gemeente te wonen en de gelovigen bij te staan en te leiden.

Jes. 48:21

Jes 48:21  En: Zij hadden geen dorst, [toen] Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij de rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarheen. (CP[2])

Als Hij de rotssteen kliefde. Mozes sloeg, God kliefde.

Ex 17:5  Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.  Ex 17:6  Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israël. (SV)

1Co 10:4  en allen dezelfde geestelijke drank dronken. (Want zij dronken uit een geestelijke steenrots die volgde; de steenrots nu was Christus.) (Telos)

Zo vloeiden wateren daarheen. In geestelijke zin: wateren des heils.

Joh 4:14  maar ieder die drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst hebben; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een bron van water dat springt tot in het eeuwige leven. (Telos)

Opb 21:6  En Hij zei tot mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet. (Telos)

Voetnoten

  1. Statenbijbel uitgegeven door het Nederlandsch Bijbelgenootschap, Amsterdam, 1923. Tekst van de samenvatting van Jes. 48 is onder wijziging verwerkt.
  2. 2,0 2,1 2,2 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  3. Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987), verstaat 'die uit de wateren van Juda voortgekomen zijt' door 'die afstamt van Juda'.
  4. 4,0 4,1 Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  5. Volgens K.A. Dächsel, John Gill, en Dr. ir. J. de Graaf e.a. (red.), Tekst voor Tekst; de Heilige Schrift kort verklaard en toegelicht (Boekencentrum, 1987).
  6. Volgens de Joodse Targoem.