Jesaja (boek)/Hoofdstuk 11

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 11 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Jes. 11:1

Jes 11:1  Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen. (SV)

Deze profetische voorzegging vertelt ons over:

  1. het nederig begin van de Messias: 'rijsje', 'scheut'.
  2. zijn oorsprong: een nakomeling van Isaï
  3. de staatkundige toestand van Israël ten tijde van zijn geboorte
  4. de betekenis van zijn leven voor God ('vrucht voortbrengen').

Rijsje. Takje, spruit. Een nederig begin van de Messias. Vergelijk 'scheut'.

Jes 4:2 Te dien dage zal des HEEREN SPRUIT zijn tot sieraad en heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israël.

1Co 1:28  en het zwakke van de wereld heeft God uitverkoren om het sterke te beschamen, en het onaanzienlijke van de wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en wat niets is, om wat iets is te niet te doen, (Telos)

Afgehouwen tronk van Isaï. Isaï is de vader van David. De afgehouwen tronk (of stam, stronk, stamp[1]) staat symbool voor het door vijandelijk geweld verkleinde en onderworpen koninkrijk Israël. Iets dergelijks is in de vorige twee verzen, Jes. 10:33-34, gezegd van Assyrië. Ten tijde van Christus' geboren scheen de stam van Isaï geheel afgehouwen te zijn, daar hij zeer vervallen was en zijn vorige heerlijkheid vrijwel verloren had. Israël had koning noch vorst. Jozef, de ondertrouwde man van Maria, was geen koning, maar een timmerman. Ze hadden weinig geld, wat blijkt uit de gave, die Maria offerde toen de dagen van haar reiniging vervuld waren[2].

Scheut. In het Hebreeuws staat het woord Nezer. Sommige uitleggers menen dat tegelijk wordt te verstaan gegeven dat Christus te Nazareth zou opgevoed worden, en daarvan de naam Nazaréner of Nazoreeër zou bekomen[2]; zie Matth. 2:23.

Mt 2:23  en kwam en woonde in een stad, Nazareth geheten; opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeten dat Hij Nazoreeer zou worden genoemd.

Vrucht voorbrengen. Of groeien[1]. De Heer Jezus heeft vrucht gedragen in zijn leven op aarde. Hij is 'de vrucht der aarde' (Jes. 4:2, boven aangehaald). Hij is de ware wijnstok.

Jes. 11:2

Jes 11:2  En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN. (SV)

Nadat Hij vrucht heeft voortgebracht (vers 1), zal Hij, door God verhoogd, in de Geest van Jahweh de functie van Rechter vervullen (dit en volgende verzen). De zeer wijze koning Salomo is een type, voorafbeelding van Hem.

Het is alsof hier, in dit vers, een kandelaar met een stam ('de Geest des HEEREN') en zes armen - drie paren, met aan beide zijden een arm - uitkomt.

Op Hem zal de Geest des HEEREN rusten. De Geest daalde op Hem neer toen hij gedoopt was en bleef op Hem.

Joh 1:32  En Johannes getuigde en zei: Ik heb de Geest zien neerdalen als een duif uit de hemel, en hij bleef op Hem. Joh 1:33  En ik kende Hem niet; maar Hij die mij heeft gezonden om te dopen met water, die zei mij: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het die met de Heilige Geest doopt. (Telos)

De Geest rustte ook de 70 oudsten van Israël in de woestijn.

Nu 11:25  Toen kwam de HEERE af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer. Nu 11:26  Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger. (SV)

De Geest der wijsheid.

Lu 2:40  Het kind nu groeide op en werd gesterkt, vervuld met wijsheid; en de genade van God was op Hem. (Telos)

De Geest des raads.

Jes 9:6  (9-5) Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; (SV)

De Geest ... der sterkte.

Lu 1:80  Het kind nu groeide op en werd gesterkt in de geest, en was in de woestijnen tot de dag van zijn optreden tegenover Israel. (Telos0

Lu 2:40  Het kind nu groeide op en werd gesterkt, vervuld met wijsheid; en de genade van God was op Hem. (Telos)

Hnd 10:38  met Jezus van Nazareth, hoe God Hem heeft gezalfd met de Heilige Geest en met kracht. Hij is het land doorgegaan, terwijl Hij goeddeed en allen gezond maakte die door de duivel waren overweldigd, want God was met Hem. (Telos)

De Geest der kennis.

Joh 21:17  Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, zoon van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid mijn schapen. (Telos)

De Geest der vreze des HEEREN.

Mt 10:28  En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel. (Telos)

Jes. 11:3

Jes 11:3  En Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. (CP[3])

In dit vers wordt de Heer Jezus voorgesteld als rechter. Zie Jezus Christus, paragraaf Rechter over dit onderwerp.

Zijn ruiken zal zijn in de vreze des HEEREN. 'Ruiken' of (Statenvertaling) 'rieken'. Merk op, ten eerste, dat de Geest van de vreze van Jahweh op hem rust (zie voorafgaande vers); ten tweede, dat hier naar drie zintuigen verwezen wordt: reuk, gezicht, gehoor. Alle zijn op God gericht en worden door God geleid. Iets ruikt voor hem aangenaam als het aangenaam voor God is. Iets 'stinkt' als het voor God 'stinkend' is. "Hij zal ademen, leven, Zich bewegen in de vreze Gods. Het rieken is de fijnste ademing en de fijnste onderscheiding tevens, het is het beeld der zuiverste geestelijke onderscheiding van goed en kwaad." (Isaac Da Costa)[4].

Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten. Hij zal een rechtvaardig oordeel spreken en zich niet laten beïnvloeden door het aanzien (de maatschappelijke status) van een persoon; zonder aanzien des persoons zal hij rechtspreken.

Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen. Hij zal rechtvaardig straffen, niet beïnvloed door de welsprekendheid van een der partijen of omdat een van hen 'een goed verhaal' heeft. Hij zal nader ondervragen, onderzoeken, en tot een gewogen oordeel komen.

Jes. 11:4

Jes 11:4  Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen van het land met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond, en met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden. (CP[3])

De zachtmoedigen van het land.

Sef 2:3  Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN. (SV)

Met rechtmatigheid bestraffen. Overeenkomstig de wetten (van God), of het recht (van God). Zie Rechtmatig voor het hoofdartikel over dit begrip.

Hij zal de aarde slaan met de roede van Zijn mond. Zijn scheppen van de aarde was door het Woord, zijn oordelen zal het eveneens zijn.

Een voorafschaduwing hiervan zien wij in de hof van Gethsémané.

Joh 18:6  Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond. (Telos)

Ps 2:9  Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

Mal 4:6  En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla. (SV)

Met de adem van Zijn lippen zal Hij de goddeloze doden.

Job 4:9  Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan. (SV)

Jes 30:33  Want Tofeth is van gisteren bereid; ja, hij is ook voor den koning bereid; Hij heeft hem diep en wijd gemaakt, het vuur en hout van zijn brandstapel is veel; de adem des HEEREN zal hem aansteken als een zwavelstroom. (SV)

Dé vooraanstaande goddeloze in de eindtijd is het Beest. De Heer Jezus zal hem verteren door de adem van zijn mond.

2Th 2:8  En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en ten niet doen door de verschijning van zijn komst; (Telos)

Opb 2:16  Bekeer u dan; maar zo niet, Ik kom spoedig naar u toe en Ik zal oorlog tegen hen voeren met het zwaard van mijn mond. (Telos)

Opb 19:15  En uit zijn mond komt een scherp zwaard, opdat Hij daarmee de naties slaat. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hij treedt de wijnpersbak van de wijn van de grimmigheid van de toorn van God de Almachtige. (Telos)

Jes. 11:5

Jes 11:5  Want gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel van Zijn lendenen zijn. (CP[3])

Zijn optreden zal gekenmerkt zijn door gerechtigheid en waarheid.

Efe 6:14  Houdt dan stand, uw lendenen omgord met de waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid, (Telos)

Opb 1:13  en in het midden van de kandelaars iemand, de Zoon des mensen gelijk, bekleed met een gewaad tot de voeten en aan de borst omgord met een gouden gordel, (Telos)

Zie Gordel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Jes. 11:6

Jes 11:6  En de wolf zal met het lam verkeren, en de panter bij de geitenbok neerliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee tezamen, en een kleine jongen zal ze drijven. (CP[3])

Hier worden roofdieren en veedieren genoemd. Dieren van het vee zijn een prooi voor roofdieren. De roofdieren (wolf, panter, leeuw) zullen, in tegenstelling tot de tegenwoordige toestand, nergens leed doen noch verderven op de berg Sion (vers 9), de berg van Gods heiligheid.

De wolf met het lam. De wolf is een wild dier, dat schapen en lammeren doodt.

Joh 10:12  wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit de schapen. (Telos)

Dat het lam als eerste prooidier wordt genoemd, treft als men bedenkt dat de Heer Jezus als een lam ter slachting is geleid. Johannes de Doper noemde hem, in het begin, 'het lam van God' (Joh. 1:29, 36).

Joh 1:36  En toen hij op Jezus zag, die daar wandelde, zei hij: Zie, het Lam van God. (Telos)

Opb 22:3  En er zal geen enkele vervloeking meer zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn slaven zullen Hem dienen, (Telos)

Panter. Of 'luipaard'. Een tweede roofdier, dat ook in Israël voorkwam en misschien nog voorkomt. Zie Luipaard.

Geitenbok. Is een mannelijke geit.

En het kalf, en de jonge leeuw. Beide zijn jonge dieren. Het jong van een rund is evenals het genoemde lam een jong tam dier.

Kleine jongen. Opvallend is dat de jonge mensenkinderen en jonge dieren worden genoemd in dit en de volgende verzen. Wat kwetsbaar en zwak is, zal niet meer in gevaar komen.

Jes. 11:7

Jes 11:7  De vaars en de berin zullen tezamen weiden, haar jongen zullen tezamen neerliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os. (CP[3])

De vaars en de berin. Ook prooidier en roofdier tezamen. Een vaars is een jong vrouwelijk rund. De Naardense vertaling heeft 'jonge koe' in plaats van 'vaars'. Vaars en berin zijn vrouwelijke dieren.

Tezamen weiden. De berin zal ander eetgedrag hebben. Ze zal niet het vlees van prooidieren eten, maar veldgewassen eten.

De leeuw zal stro eten, gelijk de os. 'Os' of 'rund', zie Os. Behalve de berin zal ook de leeuw ander voedsel tot zich nemen.

Jes. 11:8

Jes 11:8  En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van den basilisk. (SV)

Een klein kind (vgl. vers 6, waar een ouder kind wordt genoemd) zal zonder gevaar van gebeten te worden, bij de schuilplaats van een giftige slang spelen.

Zoogkind. Zuigeling, een kind dat nog gezoogd wordt. Zie Zoogkind voor het hoofdartikel.

Adder ... basilisk. vertaling van twee Hebreeuwse woorden, die vergiftige slangen aanduiden. Zie Adder.

Gespeend kind. Een kind van een jaar of drie, dat niet meer van de moederborst drinkt, een peuter dus. De Herziene Statenvertaling heeft 'peuter'.

Jes. 11:9

Jes 11:9  Men zal nergens leed doen noch verderven op de hele berg van Mijn heiligheid; want het land zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. (CP[3])

De hele berg van Mijn heiligheid. Dat is de berg Sion, een van de bergen van Jeruzalem waar God woonde.

Het land. Of de aarde. Hebreeuws erets, dat 'land' of 'aarde' kan betekenen. Indien 'land', dan is het land van Israël bedoeld. Statenvertaling, Herziene Statenvertaling, de NBG51-vertaling en de NBV2004-vertaling hebben 'aarde', de vertaling van Luther, de Leidse vertaling, de Canisiusvertaling, de Willibrordvertaling en de Naardense Bijbelvertaling zetten over met 'land'.

In de gelijkende plaats Hab. 2:14 vertalen alle vertalingen met 'aarde'. Voorbeelden:

Hab 2:14  Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. (SV)

Hab 2:14  Want de aarde zal vol worden met de kennis van de heerlijkheid van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt. (HSV)

Hab 2:14  Want de aarde moet worden vervuld van kennis van glorie van de ENE,- zoals wateren de zee overdekken. (NaB)

Jes. 11:10

Jes 11:10  En het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn. (CP[3])

De wortel van Isaï. Een uitspruitsel, een twijgje uit de afgehouwen tronk van Isaï, de vader van David. Een loot uit de wortels van deze tronk. De nieuwe David is onze Heer Jezus Christus, een nakomeling van Isaï en van David.

Jes 11:1  Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï, en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen. (SV)

De trotse boom van het Davidische koningschap is omgehouwen en nog is er slechts de wortel van overgebleven. De nieuwe David is de Spruit uit de wortel van Isaï en in zekeren zin de wortel zelf, omdat deze sedert lange tijd ten onder zou zijn gegaan, wanneer zij niet Hem, die van het begin is, in zich droeg, die nu uit haar voortspruit.[5]

De apostel Paulus verwijst naar vers 10.

Ro 15:12 En verder zegt Jesaja: ‘Er zal zijn de wortel van Isai, en Hij die opstaat om over de volken te heersen; op Hem zullen de volken hopen’. (TELOS)

De Heer Jezus wordt ook 'de wortel van David' (Opb. 5:5) genoemd, zie Wortel.

Een banier der volken. Het verzamelpunt, de richtingwijzer voor de volken. Zie Banier voor het hoofdartikel over de banier.

Zijn rust zal heerlijk zijn. Hij zal rust brengen en genieten. De zevende werelddag, de sabbat van het vrederijk, is gekomen. Hij die eens belaagd, bedreigd, met figuurlijke strikken omringd, geslagen, gegeseld, gekruisigd is, zal nu de rust van Zijn rijk genieten.

Jes 32:17  En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid.  Jes 32:18  En mijn volk zal in een woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen. (SV)

Tot Zijn rust mogen wij ingaan.

Heb 4:1  Laten wij dan vrezen, dat niet misschien iemand van u, terwijl een belofte om in zijn rust in te gaan overblijft, schijnt achter te blijven. (...)  Heb 4:9  Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.  Heb 4:10  Want wie in zijn rust ingaat, komt ook zelf tot rust van zijn werken, evenals God van de zijne. Heb 4:11 Laten wij ons dan beijveren in die rust in te gaan, opdat niemand valt volgens hetzelfde voorbeeld van ongehoorzaamheid. (Telos)

Jes. 11:11

Jes 11:11  Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. (SV)

Weder te verwerven. Tot Zich te verzamelen, vergaderen, zie volgende vers.

Overgebleven zal zijn van Assyrië. Vergelijk:

Jes 11:16  En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog. (SV)

Eilanden der zee. Met inbegrip van de kustlanden, zie Eiland.

Jes. 11:12

Jes 11:12  En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks. (SV)

Een banier oprichten onder de heidenen. Een verzamelpunt, waar het overige van het volk Israël zich moet verzamelen. Zie Banier voor het hoofdartikel over de banier.

In vers 10 is Christus een banier der volkeren, een verzamelpunt voor hen. In vers 12 wordt misschien dezelfde banier bedoeld, die tevens van betekenis is voor de verstrooiden van Israël. Of anders een tweede banier, alleen voor de Israëlieten.

Verzamelen ... vergaderen. Sinds de 19e eeuw zien we een hervergadering in het historische thuisland van de Israëlieten.

De vier einden des aardrijks. Van Oosten en Westen, Noorden en Zuiden.

Jes. 11:13

Jes 11:13  En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen. (SV)

De nijd van Efraïm zal wegwijken. De nijd, jaloersheid van Efraïm verdwijnen. Efraïm zal Juda niet meer benijden. Het zal tot Davids koningshuis, onder de Messias, zijn teruggebracht.

De tegenpartijders van Juda. Dat waren de met de Syriërs verbondene Efraïmieten (2 Kon. 15:37; 16:5), zullen uitgeroeid worden. Dergelijke zaken zullen voor altijd onmogelijk gemaakt zijn.

Jes 9:21  (9-20) Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. ...

Vergelijk bij deze plaats (vers 13) Ezech. 37:15 vv., dat ook spreekt van de toekomstige hereniging van Efraïm (tienstammenrijk) en Juda (tweestammenrijk).

Iets van de vervulling is reeds zichtbaar in de omstandigheden na de Babylonische ballingschap.

Jes. 11:14

Jes 11:14  Maar zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen tezamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. (CP[3])

Nadat Israël hervergaderd en herenigd is, of wanneer dat gebeurt, zullen zij hun vijandige buurvolken onderwerpen. "... zij zullen, na die vereniging weer sterk genoeg, om even als in de tijden van David en Salomo de vijandige naburen te onderwerpen en in bedwang te houden, in plaats van zich, gelijk tot hiertoe, door hen te laten verdrukken, ..." (Karl August Dächsel)[4]. Misschien wordt hiermee het gebed van de koorleider en profeet Asaf in Psalm 83 verhoord.

Zij zullen de Filistijnen op de schouder vliegen. Op het hoofd zitten, aldus Karl August Dächsel[4]. Zij zullen hen onderwerpen. Thans bestookt Israël dikwijls, als reactie op beschietingen en met explosieven voorziene ballonen, vanuit de lucht, met vliegtuigen en drones, de Palestijnse terreurgroepen in de Gazastrook.

Tegen het Westen. De Filistijnen bewonen de westelijke kuststreek. Edom is in het zuiden gelegen, Moab en Ammon in het oosten.

Jes. 11:15

Jes 11:15  Ook zal de HEERE de inham der zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte van Zijn wind; en Hij zal haar slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan. (CP[3])

Wonderen van Goddelijke almacht en genade zullen bij het herstel van de natie Israël zich herhalen, wonderen die eens plaats hadden bij de verlossing uit Egypte en bij de intocht in het beloofde land, waardoor de natuurlijke barriëres van het water werden weggenomen.

Vergelijk:

Zac 10:10  Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland, en Ik zal ze vergaderen uit Assyrie; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen. Zac 10:11  En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten der rivieren zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de scepter van Egypte zal wegwijken. Zac 10:12  En Ik zal hen sterken in den HEERE, en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt de HEERE. (SV)

Jes 19:4  En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen. Jes 19:5  En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen. Jes 19:6  Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken. Jes 19:7  Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers der stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn. Jes 19:8  En de vissers zullen treuren, en allen, die den angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen. (SV)

Egypte. God zal uit Egypte het overblijfsel van zijn volk verzamelen (vers 11).

De inham der zee van Egypte. Dat is de tussen Egypte en het aangrenzende Arabië gelegen Schelfzee, aldus Dächsel[5]. De Leidse vertaling echter verwijst in de aantekening naar de Nijlmond.

Verbannen. Met de ban slaan, gelijk Hij dit eenmaal door Mozes deed (Exod. 14:16,21).

Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier. De rivier is, gezien vers 16, vermoedelijk de rivier Eufraat, anders de Nijl. De Eufraat zal in de einddtijd opdrogen.

Door de sterkte van Zijn wind. Of: in de gloed van Zijn adem[5].

Hij zal haar slaan in de zeven stromen. De rivier wordt hiermee verdeeld in zeven waterstromen, in zeven beken. Het slaan van de rivier herinnert aan de vroegere splitsing van de Jordaan bij de intocht in het beloofde land (Joz. 3:14 vv.). De splitsing van de Jordaan heeft dan zijn tegenbeeld in de splitsing van de Eufraat.

Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan. De rivierbedding zal zo droog zijn, zo weinig water bevatten, dat men bij de overtocht geen schoenen hoeft uit te trekken, om te doorwaden.

Jes. 11:16

Jes 11:16  En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog. (SV)

Vergelijk:

Jes 11:11  Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. (SV)

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 11:10. Tekst van Delitzsch is onder wijziging verwerkt op 1 en 11 feb. 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Kanttekeningen bij de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 Enige tekst van de kanttekeningen van de Statenvertaling is onder wijziging verwerkt.
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 3,4 3,5 3,6 3,7 3,8 Vertaling of hertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  4. 4,0 4,1 4,2 Aangehaald in Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 11.
  5. 5,0 5,1 5,2 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 11.