Jesaja (boek)/Hoofdstuk 9

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 9 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Jes. 9:1

Jes 9:1  (8-23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galiléa der heidenen.

In het algemeen wordt de heerlijkheid weer tweezins voorgesteld en als langs een tweeërlei trap. De eerste trap daartoe zou zijn, dat hun beangst land nog niet geheel zou verduisterd worden. De tweede, dat het in plaats van verachtelijk, heerlijk gemaakt zou worden. Bewaring en verheerlijking! Zie ook het volgende vers.

Het land, dat beangstigd was. Zie vers 22.

Jes. 9:12

Jes 9:12  (9-11) De Syriërs van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. (SV)

Om dit alles enz. Dit wordt herhaald in verzen 17 en 21.