Jesaja (boek)/Hoofdstuk 10

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 10 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

God is verbolgen over het onrecht tegen armen, weduwen en wezen, tegen het huichelachtig volk. Daarom zal God bezoeking doen door middel van de Assyriërs, die het volk zullen vertreden en plunderen. (10:1-6). De koning van Assyrië meent dat hij de volken overwonnen heeft door eigen kracht en wijsheid. God zal ook die hoogmoedige koning en zijn land bezoeken als een verterend vuur (10:7-19). Het overblijfsel van Israël, dat na de verdelging is overgebleven, zal niet meer steunen op Assyrië, maar op de Heilige Israëls (10:20-23). Gods volk hoeft niet te vrezen voor Assur, die eens naar Jeruzalem zal optrekken, maar door God neergehouwen zal worden (10:24-34).

Jes. 10:3

Jes 10:3  Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking, en der verwoesting, die van verre komen zal? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten? (SV)

Die van verre komen zal. Van het land der Assyriërs (10:5), het huidige Irak.

Jes. 10:4

Jes 10:4  Dat elkeen zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. (SV)

Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt. Deze woorden komen ook voor in Jes. 5:25; 9:11, 16, 20.

Jes. 10:5

Jes 10:5  Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! (CP[1])

De Assyriër. Dit is de koning van Assyrië, zie vers 19. Assyrië was een 'wereldmacht' in die tijd, zie Assyrische rijk.

De roede van Mijn toorn. De stok waarmee God in zijn verbolgenheid Israël en Juda zal tuchtigen. In vers 15 wordt de koning van Assyrië vergeleken met een bijl en een zaag en een staf en een stok in de hand van God.

Jes 10:15  Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout? (SV)

Jes 10:24  Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren; (SV)

Jes. 10:7

Jes 10:7  Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken. (SV)

Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt. De Assyriër is zich er niet van bewust dat hij een instrument is in de hand van God om Israël te tuchtigen.

Jes. 10:9

Jes 10:8  Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen? (SV)

Mijn vorsten. Vgl. vers 16 'zijn vetten'.

Jes. 10:9

Jes 10:9  Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damaskus? (SV)

Kalno is hem evenzeer onderdanig als Karchemis, Hamath evenzeer onderworpen als Afraf, enz. De trotse koning ven Assyrië noemt hier de hoofdsteden op van de landen en koninkrijken, die door hem veroverd waren.[2]

Jes. 10:10

Jes 10:10  Gelijk als mijn hand gevonden heeft de koninkrijken der afgoden, ofschoon hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria; (SV)

Gesneden beelden. Uit hout gesneden afgodsbeelden, zie vers 11. Ook in de beide hoofdsteden Jeruzalem en Samaria stonden kennelijk dergelijke beelden.

Jes. 10:12

Jes 10:12  Want het zal geschieden, als de HEERE een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op de berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid des harten van de koning van Assyrie, en de pracht van de hoogheid van zijn ogen. (CP[1])

Dan zal ik te huis zoeken. Na Juda getuchtigd te hebben, zal God afrekenen met de koning van Assyrië.

Jes. 10:15

Jes 10:15  Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout? (SV)

Staf.

Jes 10:24  Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren; (SV)

Jes. 10:16

 Jes 10:16  Daarom zal de Heere HEERE der heirscharen onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als den brand des vuurs. (SV)

Onder zijn vetten. Onder zijn rijke, welgedane vorsten, vgl. 15:8.

Zijn heerlijkheid. Zijn hofhouding of mogelijk zijn leger.

Jes. 10:17

Jes 10:17  Want het Licht van Israël zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op een dag. (SV)

Het licht van Israël. Dat is God, de Zoon van God, die het Licht van de wereld is.

Johannes de evangelist schrijft:

Joh 1:9 Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en iedere mens verlicht. (TELOS)

Zacharias, de vader van Johannes de Doper, had geprofeteerd en gesproken van 'de Opgang uit de hoogte' - de zon gelijk - die het volk Israël zou bezoeken om te schijnen voor hen die in duisternis en schaduw van de dood zitten, om onze voeten te richten op de weg van de vrede (Luc. 1:79).

Lu 1:76 En jij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste worden genoemd, want jij zult voor het aangezicht van de Heer heengaan om zijn wegen te bereiden, Lu 1:77 om zijn volk kennis van de behoudenis te geven in de vergeving van hun zonden, Lu 1:78 door de innerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte ons zal bezoeken, Lu 1:79 om te schijnen voor hen die in duisternis en schaduw van de dood zitten, om onze voeten te richten op de weg van de vrede. (TELOS)

Het doel van Zijn komen en schijnen was om mensen uit de duisternis te doen komen in het licht.

Joh 12:46 Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. (TELOS)

Een vuur zijn. Heb 12:29 Immers onze God is een verterend vuur. (Telos)

Jes. 10:18

Jes 10:18  Ook zal Hij verteren de heerlijkheid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt. (SV)

Herziene Statenvertaling: Jes 10:18 Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden vernietigen met alles wat daar leeft. En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.

Jes. 10:20

Jes 10:20  En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige Israëls, oprecht. (CP[1])

Te dien dage. Dat ziet in de eerste plaats op de dagen wanneer de macht van Assyrië zou verbroken zijn, maar ook op de dagen van de nieuwtestamentische bedeling. De Profeet overziet hier met zijn profetische blik de gehele tijdkring, die er verlopen zou tussen de dagen die na de tuchtoefening van Assyrië zouden komen tot op de dagen, wanneer Israël tot God, de Sterke, dat is tot God in Christus, de toevlucht zou nemen, de messias zou aannemen en een nieuw verbond met God aangaan.[2]

Het overblijfsel van Israël. Zie ook de volgende verzen.

Steunen op dien, die ze geslagen heeft. Dat is Assyrië. Israël (tweestammenrijk) onder koning Achaz had de hulp ingeroepen van Assyrië.

2Kon 16:7  Achaz nu zond boden tot Tiglath-pilezer, den koning van Assyrie, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van den koning van Syrië, en uit de hand van den koning van Israël, die zich tegen mij opmaken. (SV)

Oprecht. Steunen op God en wel niet met een huichelachtig en verdeeld hart, maar oprecht en getrouw. Gelijk koning Hizkia zegt te hebben gedaan:

Jes 38:3  En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer. (SV)

Jes. 10:21

Jes 10:21  Het overblijfsel zal weerkeren, het overblijfsel van Jakob, tot de sterke God! (CP[1])

Het overblijfsel. Dat is van Israël (vs. 20, 22).

Jes 10:22  Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid. (SV)

Zal wederkeren. En zal zich bekeren. Jesaja's oudste zoon heette veelzeggend 'Overblijfsel bekeert zich' (Sjear-Jashub).

De sterke God. Zo wordt ook de Zoon 'ons gegeven', genoemd:

Jes 9:6  (9-5) Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst; (SV)

Jes. 10:22

Jes 10:22  Want ofschoon uw volk, o Israël! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid. Jes 10:23  Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden dezes gansen lands. (SV)

Het overblijfsel. Zie ook de vorige verzen.

Jes. 10:24

Jes 10:24  Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vreest niet, gij Mijn volk, dat te Sion woont! voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijn staf tegen u zal opheffen, naar de wijze der Egyptenaren; (SV)

Mijn volk, dat te Sion woont. Sion is hier Jeruzalem. Dit woord, aldus Christoph Drechsler (1804-1850)[2], komt niet alleen tot Jeruzalem en zijn inwoners als bewoners van Sion; allen, die door jaarlijkse feestreizen naar het heiligdom bekenden dat zij daar werkelijk thuis waren, worden hiermee ingesloten.

Jes 12:6  Juich en zing vrolijk, gij inwoners van Sion! want de Heilige Israëls is groot in het midden van u. (SV)

Met de roede zal slaan.

Jes 10:5 Wee de Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand! (CP[1])

Zijn staf.

Jes 10:15  Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout? (SV)

Naar de wijze der Egyptenaren. Zoals de Egyptenaren tegen uw vaders deden. Israël was in Egypte in 'harde dienstbaarheid' (Ex. 6:9; 1:13-14).

Ex 1:13  En de Egyptenaars deden de kinderen Israëls dienen met hardigheid; Ex 1:14  Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen deden dienen met hardigheid. (SV)

Jes. 10:25

Jes 10:25  Want nog een klein weinig, zo zal volbracht worden de gramschap, en Mijn toorn tot hun vernieling. (SV)

Hun vernieling. In 612 v.C. vallen de Assyrische hoofdsteden Assur en Ninevé. De Meden, Babyloniërs en Perzen veroveren de stad Assur. Babyloniërs en Meden verwoesten de stad Ninevé.

Jes. 10:26

Jes 10:26  Want de HEERE der heirscharen zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, welke Hij verheffen zal, naar de wijze van de Egyptenaren. (CP[1])

De slachting van Midian aan de rots van Oreb. Een grote veldslag tegen de Midianieten, door Israël gewonnen, Richt. 7:24-25

Ri 7:24  Ook zond Gideon boden in het ganse gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af den Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; alzo werd alle man van Efraïm bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan. Ri 7:25  En zij vingen twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, en doodden Oreb op den rotssteen Oreb, en Zeeb doodden zij in de perskuip van Zeeb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeeb tot Gideon, over de Jordaan. (SV)

Gelijk Zijn staf over de zee was, naar de wijze van de Egyptenaren. Zoals Faraö en zijn ruiters geschiedde, die in de zee omkwamen. Daar Assyrië op Egyptische wijs de staf over Israël verheven had (vers 24), zo zal ook God die naar de wijze van de Egyptenaren verheffen over Assyrië.[2]

Jes. 10:27

Jes 10:27  En het zal geschieden te dien dage, dat zijn last zal afglijden van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden door de vettigheid. (CP[1])

Verdorven worden door de vettigheid. Dit zinsdeel is moeilijk te vertalen. De Statenvertaling heeft 'verdorven worden om des Gezalfden wil'. De Herziene Statenvertaling volgt deze vertaling met 'te gronde gericht worden omwille van de Gezalfde'. De NBG51-vertaling heeft 'zal vernietigd worden op uw schouder'. De Naardense vertaling heeft 'weggerot is een juk dan al van vuil en vet!'. De Duitse theoloog en Hebraïcus Umbreit (1795-1860) vertaalde letterlijk aldus: "En het juk wordt verhinderd door de vettigheid."[3]

De vergelijking schijnt genomen te zijn van ossen, zó doorvoed en gemest, dat zij het hun opgelegde juk niet langer verdragen, maar het afwerpen. Het juk is gewoonlijk voor het vlees van de stier door druk en wrijving nadelig, maar hier geschiedt juist het tegenovergestelde, de vetheid van de stier verderft het juk.[2]

Jes. 10:28

De lichtblauwe streep tekent de route van de Assyriërs.
Jes 10:28  Hij komt te Ajath, hij trekt door Migron; te Michmas legt hij zijn gereedschap af. (SV)

Jesaja schetst de trektocht van de Assyrische koning Sanherib vanaf het noorden van Jeruzalem, tegen deze stad, in het 14e jaar van koning Hizkia van Juda. Sanherib zou een divisie onder zijn beste veldheren tegen Jeruzalem zenden, om het tot de overgave te noodzaken (2 Kon. 18:17 vv.; 19:8 vv.)[2].

Hij, d.i. Assur oftewel Assyrië oftewel de Assyrische koning.

Ajath, d.i. Ai[4] (zie kaart).

Migron, ten zuiden van Ai[4].

Michmas, zie kaart.

Legt hij zijn gereedschap af. Laat hij de bagage onder bedekking achter.

Jes. 10:29

Jes 10:29  Zij trekken door den doorgang, te Geba houden zij hun vernachting; Rama beeft, Gibea Sauls vlucht. (SV)

De doorgang, d.i. de enge bergpas tussen Michmas en Geba (1 Sam. 13:23)

Geba. Zie kaart.

Houden zij hun vernachting, daar is hun nachtleger;

Rama, zie kaart. Daar trokken de Assyriërs de volgende morgen door

Gibea Sauls. De woon- en geboorte plaats van koning Saul.

Jes. 10:30

Jes 10:30  Roep luide met uw stem, gij dochter van Gallim! laat ze horen tot Lais toe, o ellendige Anathoth! (SV)

Dochter van Gallim. Burgerij van Gallim. Gallim was een plaats, ten noorden of noordoosten van Jeruzalem, waarlangs of waar in de buurt het Assyrische leger zou komen.

Lais. De oude naam van de stad Dan, in het noorden van Israël. De inwoners van Anathoth worden dus opgeroepen zo hard te roepen, dat hun geluid tot in het hoge noorden van Israël hoorbaar is.

Anathoth. Plaats ten noordoosten van Jeruzalem, zie kaart.

Jes. 10:31

Jes 10:31  Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hopen. (SV)

Madmena ... Gebim. Twee steden of dorpen waarvan de precieze ligging onbekend is, maar gelet op het zinsverband moeten wij de plaatsen waarschijnlijk in Benjamin, in de streek ten noorden van Jeruzalem zoeken.

Jes. 10:32

Jes 10:32  Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal er zijn hand bewegen tegen de berg van de dochter van Sion, de heuvel van Jeruzalem. (CP[1])

Nob. Een stad in Benjamin, een dichtbij, ten noorden van Jeruzalem gelegen priesterstad.

De heuvel van Jeruzalem. De berg Sion is een heuvel.

Jes. 10:33

Jes 10:33  Doch ziet, de Heere HEERE der heirscharen zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn, zullen neergehouwen worden; en de verhevenen zullen vernederd worden. (CP[1])

De God van Israël laat de Assyriërs niet verder dan tot hiertoe komen, want Hij verlaat Zijn stad niet in de hoge nood, gelijk de goden van Kalno en Karchemis (Jes 10:9).

Met geweld de takken afkappen. God zal met geweld de takken van het machtige leger, dat als een trots woud Jeruzalem omringt, afkappen,

Die hoog van gestalte zijn, zullen neergehouwen worden enz. Ook de boven dit trotse woud nog uitstekende bomen zullen vallen; dus zowel de geduchte krijgsmacht als haar fiere aanvoerders, met één slag.

De verhevenen zullen vernederd worden. De verhevenen, die trots op eigen kracht en kloekheid uit de hoogte spreken (Jes 10:13), zullen vernederd worden (Jak. 4:6).

Jak 4:6  Hij geeft echter grotere genade. Daarom zegt Hij: ‘God weerstaat hoogmoedigen, maar nederigen geeft Hij genade’ (Telos)

Jes. 10:34

Jes 10:34  En Hij zal met ijzer de verwarde struiken van het woud omhouwen; en de Libanon zal vallen door de Heerlijke. (CP[1])

Hij zal met ijzer de verwarde struiken van het woud omhouwen. De God van Israël zal met ijzer, met harde hand, de verwarde struiken van het woud, dat mastbos van het reuzenleger (Jes 10.18 ) omhouwen.

Jes 10:18  Ook zal Hij verteren de heerlijkheid van zijn woud en van zijn vruchtbare veld; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt. (CP[1])

De Libanon zal vallen door de Heerlijke. De Libanon, het Assyrische leger, dat tegenover de berg van de dochter Sions en de heuvel van Jeruzalem (vers 32), zich voordeed als ware het reuzengebergte van de Libanon met zijn prachtig cederbos tegen die nietige heuvelen opgekomen, zal vallen door de Heerlijke, die veel heerlijker en machtiger is dan de roofbergen (Ps. 76:4) en de geweldige golven van de zee (Ps 93:4).

Ps 76:4  (76-5) Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen. (SV)

Ps 93:4  Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee. (SV)

De Heerlijke zal komen als een rijsje, een takje, een nederig mens, onze Heiland Jezus Christus, zie volgende hoofdstuk.

Voetnoten

  1. 1,00 1,01 1,02 1,03 1,04 1,05 1,06 1,07 1,08 1,09 1,10 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 2,2 2,3 2,4 2,5 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar is onder wijziging verwerkt.
  3. Aangehaald in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).
  4. 4,0 4,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901).