Jesaja (boek)/Hoofdstuk 46

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 46 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De afgoden van Babel kunnen niet dragen en verlossen, zoals de enige God dat met Israël doet (1-7). Israël gedenke zijn onvergelijkbare God en hore naar Hem, die toekomstige dingen voorzegt en doet komen. Hij zal heil en heerlijkheid zal geven. (8-13).

Jes. 46:1

Jes 46:1 Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide [beesten]. (SV)

De Babylonische afgoden Bel en Nebo moeten onmachtig buigen onder de last van de nood der Babyloniërs (vgl. vers 2). De goden kunnen hen niet redden en dragen (vgl. de tegenstelling met Jahweh in de verzen 3v). De afgodsbeelden moeten door de lastdieren worden meegedragen met de Babyloniërs die in gevangenschap gaan (vgl. vers 2).

Jes. 46:4

Jes 46:4  En tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik [ulieden] dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal [u] opnemen, en Ik zal dragen en redden. (SV)

In tegenstelling tot Ben en Nebo (vers 1), die, in plaats van te dragen, tot een te dragen last zijn geworden, zal God Israël blijven dragen.

Jes. 46:8

Jes 46:8  Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o u overtreders! (CP[1])

U overtreders. De Israëlieten, "die verre van de gerechtigheid" (12) zijn en die tot de verering van andere goden neigen of zich al voor hen gebogen hebben.

Jes. 46:10

Jes 46:10  Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen. (SV)

God kent en voorzegt de zaken en personen die er nog niet zijn. Zo verkondigt hij tevoren het optreden van Kores (vers 11).

Jes. 46:11

Jes 46:11  Die een roofvogel roept van het Oosten, een man van Mijn raad uit een ver land; ja, Ik heb [het] gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb [het] geformeerd, Ik zal het ook doen. (CP[1])

Een roofvogel ... van het oosten, een man van Mijn raad uit een ver land. God doelt op Kores, die eerder is genoemd (44:28; 45:1). Kores wordt vergeleken met een roofvogel. Treffend is dat, volgens de Griekse schrijver Xenophon[2] (5e - 4e eeuw v.C.), het veldteken van deze koning later werkelijk uit een gouden adelaar met uitgebreide vleugels op de staken gedragen, evenals de adelaar van de Romeinen en van Bonaparte, bestond.[3]

Jes. 46:13

Jes 46:13  Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israël Mijn heerlijkheid. (SV)

Ik breng Mijn gerechtigheid nabij. Dat is op het hoogst gebeurd in de persoon van Jezus Christus.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Xenophon, Cyropaedia, VII, 1-4. Dit geschrift handelt over het leven van Kores.
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 46.