Jesaja (boek)/Hoofdstuk 21

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 21 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Jes. 21:1-10 is evenals Jes. 13 een Godsspraak aangaande Babel. De stad zal vallen door de meden en de perzen. De voorzegging dient tot vertroosting en bemoediging van de verdrukte Israëlieten (2, 10). Daarop volgt de last van Duma, dat is Edom, met het oog op het Assyrische leger (11-12). Tenslotte de last tegen Arabië, bijzonder tegen de Dedanieten en de Kedarenen, eveneens in verband met het machtige Assyrische leger (13-17).

Jes. 21:1

Jes 21:1 De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het Zuiderland heen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land. (SV)

Woestijn aan de zee. Het vaste land waarop Babel staat is een grote vlakte, die op zulk een wijze door de Eufraat alsmede door moerassen en meren is doorsneden, dat zij als in een zee zwemt. Babel woont aan vele wateren.

Jer 50:38  Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke [afgoden]. (SV)

Jer 51:13  Gij, die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten! uw einde is gekomen, de maat uwer gierigheid. (SV)

Deze naam Woestijn aan de zee zinspeelt wellicht daarop, dat de grote stad, even als een woestijn, ondanks al haar heerlijkheid, geestelijk onvuchtbaar, eenzaam en verwijderd is, en de zee der volken, een bruisende menigte van opgehitste mensen, haar vervult en omgeeft.

Gelijk de wervelwinden ... zal hij uit de woestijn komen. De aanval op Babel is als een verwoestende windhoos uit de woestijn.

Zuiderland. Dat is de Negev-woestijn in het zuiden van Israël.

De Griekse geschiedkundige Abydenus zegt[1] dat alles in het begin water was en ook "zee" (θαλασσα) heet. De gedenkschriften noemen zuidelijk Babylonië het zeeland, en diens koning, "koning der zee"[2].

Jes. 21:2

Jes 21:2  Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouweloos, en die verdelger verdelgt; trek op, o Elam! beleger ze, o Medië! Ik heb al haar zuchting doen ophouden. (CP[3])

Een hard gezicht. Een visioen met onverdraaglijke dingen, jammervol voor de betrokken personen. Wat Jesaja ziet en hoort (vers 10) grijpt ook hem zeer aan (verzen 3 en 4)

Die trouweloze ... die verdelger. Wie bedoelt wordt of worden is niet duidelijk. Mogelijkheden: 1. Babel zelf, de heersende Chaldeeër. 2. De vijand van Babel, dat zijn Elam en Medië. 3. Babel, de trouweloze, en Elam en Medië, de verdelger van Babel. De eerste uitleg is het meest waarschijnlijk. Babel gaat met andere volken op wrede wijze om, schendt het recht van de volken, verdrukt tegen alle billijkheid de natiën, verdelgt steden, zoals Jeruzalem door Babel is verdelgd.

Trek op, o Elam! beleger ze, o Medië! Beiden zouden tegen Babel optrekken, onder leiding van de pers Kores (Cyrus II de Grote). In 539 v.C. zou de stad vallen.

Persia = Elam

Al haar zuchting. De zuchting van de weggevoerden in Babel, onder wie de Joden aldaar.

Jes. 21:4

Jes 21:4  Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving. (SV)

De schemering, waar ik naar verlangd heb. De lieflijke tijd van de avondschemering, zegt de profeet, is mij door de gezichten, die ik zie, tot een uur van schrik en beven geworden. Daarmee geeft hij zinnebeeldig wellicht te kennen, dat Babel ook juist in de tijd van nachtelijk vermaak de verschrikking van de verovering door de vijand zal ondervinden.

Jes. 21:5

Jes 21:5  Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u gereed, u vorsten, bestrijkt het schild! (SV)

Bereid de tafel toe ... eet, drink. Dit wordt tegen Babel gezegd. Eet, drink en leef voort in zorgeloosheid en gerustheid, zo overdadig en zwelgend als u gewoon bent. Het is vrede, er geen gevaar! Ondertussen moet de wachter op Babels muur wel waken, opdat geen vijand onverhoeds de stad overvalt.

Ziet toe, gij wachter! Deze wachter is in het gezicht van de profeet door de profeet zelf, op bevel van God, gezet.

Jes 21:6  Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet. (SV)

Wat deze wachter vervolgens ziet, deelt verzen 7-8 mee.

In de last van Duma (vs. 11v) is het de profeet zelf, die op de wacht staat (vs. 11); maar hier in het gezicht wordt de profeet onderscheiden van hem, die op de wacht staat.

Maakt u gereed, u vorsten. Dit zal opeens klinken te midden van uw maaltijden en drinkgelagen: maakt u gereed, u vorsten, ten strijde tegen de plotseling ingedrongen vijand.

Bestrijkt het schild! Aangezien u in uw gerustheid verzuimd hebt om uw wapens in orde te brengen, doet het nu het te laat is.

Jer 51:11  Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de HEERE heeft den geest der koningen van Medie opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN, de wraak Zijns tempels. (SV)

Onder "het schild" moet men verstaan alle wapens die tot bescherming dienen.

De ouden waren gewoon hun schilden met olie te bestrijken; eensdeels om ze buiten roest en glad te houden, en anderdeels, om ze glibberig te maken, zodat de pijlen van de vijand daarin niet zouden hechten, maar daar langs afglijden.

Jes. 21:6

Jes 21:6  Want aldus heeft mijn Heer tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet. (CP[3])

Zet een wachter. Vermoedelijk dezelfde wachter als in vers 5.

Jes. 21:7

Jes 21:7  En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen [met] ezels, een wagen [met] kemels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking. (SV)

En hij zag. Wat de wachter ziet, vertelt hij in vers 9.

Een wagen, een paar ruiters. Zie ook vers 9.

Jes. 21:8

Jes 21:8  En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten. (SV)

Een leeuw! Wellicht een woord dat groot gevaar beduidt!

Jes. 21:9

Jes 21:9  En zie nu, daar komt een wagen van een man, [en] een paar ruiters, en hij antwoordde en zei: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden van haar goden heeft Hij verbroken tegen de aarde. (CP[3])

Hij antwoordde. De man op de wagen, die aan de wachter antwoord geeft.

Al de gesneden beelden. Babylonië is "een land van gesneden beelden".

Jer 50:38  Droogte zal zijn over haar wateren, dat zij uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke [afgoden]. (SV)

Jes. 21:10

Jes 21:10  O mijn dorsing en de tarwe van mijn dorsvloer! wat ik gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israëls, dat heb ik ulieden aangezegd. (SV)

Mijn dorsing en de tarwe van mijn dorsvloer! Tijdens het dorsen worden worden de tarwekorrels uit de aren gehaald. Dit kan door slaan met een dorsvlegel. Israël is verdrukt onder de tirannieke overmacht van het Babylonische rijk. Dat voelt voor Jesaja als een dorsing op zijn dorsvloer, de dorsvloer die Israël heet.

Aangezegd. Tot vertroosting en bemoediging. God zal jullie zuchten zal ophouden (vers 2).

Assyrische districten na de val van Samaria.

Jes. 21:11-12 De last van Duma

Jes. 21:11

Jes 21:11  De last van Duma. Men roept tot mij uit Seïr: Wachter! wat is er van de nacht? Wachter! wat is er van de nacht? (CP[3])

Duma. Een stad of streek waarschijnlijk in Seïr = Edom, en misschien verbonden met de gelijknamige zoon van Ismaël. De naam betekent "Stilte". Zie Duma. De LXX neemt voor Duma rechtstreeks Idumea, de naam van Edom.

Men roept tot mij uit Seïr. Uit Edom. De Edomieten waren aan het rijk van Israël schatplichtig. Zij zouden Jakob (Israël) dienen.

Ge 27:40  En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken. (SV)

Zij hadden een lange tijd gehad, om zich de verbintenis met Israël ten nutte te maken en de waarheid ingang te verschaffen. Zij hadden dat nooit gedaan, zij hadden integendeel altijd (nog het laatst onder koning Achaz van Juda, 2 Kron. 28:17) vijandelijkheid op vijandelijkheid gestapeld. Wanneer zij zich nu naar Jeruzalem wenden, dan is dit niet een teken van inwendige omkering, maar alleen een gevolg van uitwendige nood, die op niets anders gegrond is dan op de wens, om van tijdelijke bezoeking bevrijd te worden.

Wachter! De profeet Jesaja is door God op de wacht gesteld - de wacht Gods - om de lotgevallen der volkeren te overzien.

Wat is er van de nacht? In het land van de Edomieten, terwijl de nacht van angst en ellende - door de druk, gewelddadige, alles onder de voeten tredende uitbreiding van het Assyrische rijk - de volkeren bedekt, klinkt een vragen van steeds toenemende aandrang, evenals een zieke naar het einde verlangt van de slapeloze nacht, en aan zijn verzorger gedurig vraagt welk uur het is, hoeveel tijd van de nacht er reeds voorbijgegaan is, of hij spoedig geëindigd zal zijn.

Ook Edom is onder de machtige treden van de veroveraar óf reeds verpletterd, of het heeft geen ander uitzicht dan binnen korte tijd (vgl. vers 16) eveneens verpletterd te worden.

Slechts één volk staat te dien tijd nog onaangeroerd in het midden der volken (tussen het 7de en 14de jaar van Hizkia): het huis van Juda. Tot dit volk wendt zich Edom in zijn hoge nood.

Jes. 21:12

Jes 21:12  De wachter zei: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt ulieden vragen, vraagt; keert weer, komt. (CP[3])

De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht. De morgenstond is wel gekomen, maar is dadelijk weer door de nacht verslonden[4].

Wilt u lieden vragen, vraagt. Vraagt dan mij met een oprecht gemoed en een hart, dat waarlijk belang stelt in de zaak[4].

Keert weer. Voor het overige, keert weer tot de God van uw en onze vader Abraham, bekeert u oprecht, wanneer u gered wilt zijn. Daarom de kortheid van deze uitspraak, een kortheid, die bij de nauwe betrekking van Edom op Juda opmerkelijk zou zijn; daarom ook de gehele, zo hoogst eigenaardige toon, waarin deze profetie is gehouden, dat raadselachtige, in ‘t bijzonder ook het opschrift dat naar een plaats, streek in Edom en/of naar een zoon van Ismaël verwijst.[4]

Midden-Oosten landschap - Access Foundation.jpg

Komt. Komt om God te dienen en pas dan zal een troostvol antwoord op uw vraag gegeven kunnen gegeven[4].

Jes. 12:13-21 De last van Arabië

Jes. 21:13

Jes 21:13  De last tegen Arabië. In het woud van Arabië zult gijlieden vernachten, o gij reizende gezelschappen van Dedanieten! (SV)

De last van Arabië. In 't bijzonder een profetie tegen Dedan (Dedanieten) en Kedar (Kedarenen, vers 16), landstreken in Arabië (zie kaart).

In het woud van Arabië. In de bossen en doornstruiken van uw eigen land. De Dedanieten komen hier voor als verdreven van de Karavanenstraat. Door de oorlog, de gewelddadige uitbreiding van het Assyrische rijk, van het Noorden naar het Zuiden voortgaand, zijn zij verjaagd en moeten nu in een eenzame, akelige wildernis overnachten.

Reizende gezelschappen. Karavanen.

Dedanieten. Nakomelingen van Dedan, de zoon van Koesj. Zij zijn een handeldrijvend volk (zie Dedanieten).

Jes. 21:14

Jes 21:14  Komt de dorstige tegemoet [met] water; de inwoners van het land van Tema zijn de vluchtende met zijn brood bejegend. (CP[3])

Water ... brood. Om tijdens de vlucht te overleven. Tema. Een Ismaëlitische landstreek, zie Tema. In de nabijheid daarvan wordt het toneel voorgesteld.

Jes. 21:15

Jes 21:15  Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor den gespannen boog, en voor de zwarigheid des krijgs. (SV)

Zij vluchten voor de oorlog met het opdoemende Assyrië.

Jes. 21:16

Jes 21:16  Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal al de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan. (SV)

De heerlijkheid van Kedar. De vrijheid en kracht en rijkdom van Kedar, al de heerlijkheid van die hoofdstam onder de Arabische volken van Ismaëlietische afkomst, en van even zo krijgshaftige als handelzoekende aard.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar op dit hoofdstuk is onder wijziging verwerkt op 11 en 15 mei 2020.

Voetnoten

  1. In Eusebius' werk Praeparatio Evangelica, IX, 41.
  2. Aldus Delitzsch, in: Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 21
  3. 3,0 3,1 3,2 3,3 3,4 3,5 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling
  4. 4,0 4,1 4,2 4,3 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Jes. 21