Jesaja (boek)/Hoofdstuk 29

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 29 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

Voorzegging van de diepe vernedering van Jeruzalem door (1) een angstwekkende belegering, (2) de bevrijding en beschaming van Israël door Gods wonderbaar redden en handelen, (3) het geestelijk herstel van Israël.

Jes. 29:1

Jes 29:1 Wee Ariël, Ariël! de stad, [waarin] David gelegerd heeft; voegt jaar bij jaar; laat ze feestoffers slachten. (SV)
Ariël. "Leeuw van God" betekent de naam. Zie Ariël. Het is een zinnebeeldige benaming van de stad Jeruzalem, die belegerd zal worden (vers 7). Jeruzalem was de grootse hoofdstad van het koninkrijk Juda. Jacob zegende zijn zoon Juda en noemde hem een 'jonge leeuw'.
Ge 49:9 Juda is een leeuwenwelp; van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon. Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? Ge 49:10 De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen. (HSV)
De leeuw werd het symbool van de stam Juda. Bij de Sinaï komt de stam Juda aan het hoofd van het leger voor, zij gaan aan de spits, Num. 2 : 3-9; deze stam had het grootste aantal strijdbare mannen, Num. 1 : 27, 26 : 22.

De stad. Uit het zinsverband blijkt dat de sterke stad Jeruzalem bedoeld wordt

[Waarin] David gelegerd heeft. De grote koning David had de stad vroeger belegerd en veroverd op de Jebusieten en daarin gewoond.

Voegt jaar bij jaar; laat ze feestoffers slachten. Leeft (in valse gerustheid) zorgeloos en feestend voort. De godsdienst was een uitwendige (13).

Jes. 29:2

Jes 29:2  Evenwel zal Ik Ariel beangstigen, en er zal treuring en droefheid wezen, en [die] [stad] zal Mij gelijk Ariel zijn. (SV)

Ariël. Benaming van de stad Jeruzalem, de berg Sion (vers 7-8).

Evenwel. Niettegenstaande de zorgeloosheid, vrolijkheid en feesten van Jeruzalem (vers 1b).

Beangstigen. Zie ook vers 7.

Jes. 29:3

Jes 29:3  Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen. (SV)

Een leger. Van heidenen, vers 8.

Jes. 29:4

Jes 29:4  Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen. (SV)

Vernederd worden. Vgl. vers 22.

Jes. 29:5

Jes 29:5  En de menigte van uw vreemden zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der verschrikkelijken als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik plotseling geschieden. (CP[1])

Israël, enerzijds, wordt vernederd. De vijanden van Israël, anderzijds, worden door Gods ingrijpen evenzeer vernederd en vernietigd. De vijanden zullen als dun stof komen, d.i. in ontelbare menigte, en de geweldenaars als voorbijvliegend kaf, evenzeer in grote menigte. Maar er ligt tevens in opgesloten, dat al mocht de vijand als dun stof en als opstuivend kaf, zo ontelbaar velen, tegen Jeruzalem samenspannen, zij ook straks als stof en kaf voor de hand Gods zullen wegstuiven[2].

De menigte der verschrikkelijken als voorbijvliegend kaf. Zie ook vers 20.

Jes. 29:6

Jes 29:6  Gij zult door de HERE der heerscharen bezocht worden met donder, aardbeving en geweldig gedreun, wind, storm en verterende vuurvlam. (SV)

Dit ziet niet op een bezoeken in toorn, maar in genade, want de ontbonden natuurkrachten zullen instrumenten van de Heer zijn om de vijanden van Jeruzalem te vernietigen en Jeruzalem te verlossen. En wat voor u een bezoeking is in genade, dat is voor de vijanden (de Assyriërs?) een bezoeking in toorn.

Vergelijk de toekomstige vernietiging van Gogs internationale leger.

Jes. 29:7

Jes 29:7  En gelijk de droom van een nachtgezicht is, [alzo] zal de veelheid aller heidenen zijn, die tegen Ariel strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar beangstigen zullen. (SV)

En gelijk de droom van een nachtgezicht is, [alzo] zal de veelheid aller heidenen zijn. Zoals de droom van een nachtgezicht in een ogenblik voorbij is, zo zal ook de menigte vijanden spoedig en spoorloos verdwenen zijn.

Beangstigen. Zie vers 2.

Jes. 29: 8

Jes 29:8  En het zal zijn, zoals wanneer een hongerige droomt, dat hij eet, maar als hij ontwaakt, is hij nog onverzadigd; en zoals wanneer een dorstige droomt, dat hij drinkt, maar als hij ontwaakt, is hij nog uitgeput en dorstig; zo zal het zijn met de menigte van alle volken, die tegen de berg Sion ten strijde trekken. (SV)

Al de verwachtingen van de belegerende volken, om Jeruzalem te verslinden, zullen als in één ogenblik vergaan.

Jes. 29:9

Jes 29:9 Wacht en weest verbaasd. Weest vrolijk en roept; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank. (CP[1])

Er schijnt te worden gesproken tot en over de Jeruzalemmers. De geestelijke toestand is beroerd, zie de volgende verzen.

Jes. 29:14

Jes 29:14  Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen. (SV)

Wonderlijk handelen. Hij beangstigt hen (vers 2) en redt hen evengoed weer wonderbaarlijk uit.

De wijsheid zijner wijzen zal vergaan enz. Zie ook verzen 10v, 24.

Jes. 29:18

Jes 29:18  En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien. (SV)

De doven, .... blinden. Zie verzen 10v.

Zullen ... horen ... zien. Zij zullen verstaan en inzien. Er komt een geestelijke herstel voor Israël.

Jes. 29:19

Jes 29:19  En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in den Heilige Israëls verheugen. (SV)

Jahweh zal, eenmaal in de wedergekomen Messias (Jezus van Nazareth), de oorzaak en het voorwerp van hun vreugde zijn.

Jes. 29:20

Jes 29:20  Wanneer de verschrikkelijke een einde zal hebben, en dat het met de bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn; (CP[1])

De verschrikkelijke een einde zal hebben. Vgl. vers 5.

Die tot ongerechtigheid waken. Waarvan in het volgende vers voorbeelden worden genoemd.

Jes. 29:1

Jes 29:21  Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die [hen] bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste. (SV)

Die een mens schuldig maken om een woord. Dat overkwam Jezus.

Mt 26:63  Jezus echter zweeg. En de hogepriester antwoordde en zei tot Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God!  Mt 26:64  Jezus zei tot hem: U hebt het gezegd. Ik zeg u evenwel: van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht en zien komen op de wolken van de hemel. Mt 26:65  Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft gelasterd; waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u de lastering gehoord; wat vindt u ervan? Mt 26:66  Zij nu antwoordden en zeiden: Hij is de dood schuldig. (Telos)

Leggen dien strikken, die [hen] bestraft in de poort. Ook Jezus werden strikken gelegd.

Lu 11:54  terwijl zij Hem een strik spanden, om Hem te vangen op iets dat uit zijn mond kwam. (Telos)

Mt 22:15 Toen gingen de farizeeen beraadslagen om Hem in een woord te verstrikken. (Telos)

Mr 12:13 En zij zonden tot Hem enigen van de farizeeen en de herodianen, opdat zij Hem op een woord zouden vangen. (Telos)

Mt 22:18  Daar Jezus echter hun boosheid kende, zei Hij: Wat verzoekt u Mij, huichelaars? (Telos)

Jes. 29:22

Jes 29:22  Daarom zegt de HEERE, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob alzo: Jakob zal nu niet [meer] beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet [meer] bleek worden; (SV)

Die Abraham verlost heeft. En, in zijn trouw aan Abraham en diens nageslacht, ook Israël zal verlossen.

Beschaamd worden. Zie vers 4. Dit beschaamd en bleek worden ziet misschien op de confrontatie met de ware messias.

Jes. 29:23

Jes 29:23  Want als hij zijn kinderen, het werk Mijner handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen den Heilige Jakobs heiligen, en den God van Israël vrezen. (SV)

Hij. D.i. Jakob (vers 22).

Zijn kinderen.

Jer 31:34  Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken. (HSV)

Jes 60:21  Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn, voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen. Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden. (HSV)

Het werk Mijner handen. In tegenstelling met vers 16.

Jes. 29:24

Jes 29:24  En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de lering aannemen. (SV)

Die dwalende van geest zijn. Vgl. verzen 10-14.

Bron

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901). Enige tekst van het commentaar bij Jes. 29 is onder wijziging verwerkt op 6 aug. 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar bij dit vers.