Jesaja (boek)/Hoofdstuk 22

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 22 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Samenvatting

De verzen 1-14 bevatten een profetie aangaande Jeruzalem. Tussen de gezichten over heidense volken en steden vinden wij hier een gezicht over de stad Jeruzalem. De stad zal worden verwoest en de ongerechtige inwoners worden gedood. De profetie schijnt vervuld door het Babylonische leger, dat van 588-586 v.C. Jeruzalem belegerde en in 586 de stad verwoestte. De verzen 15-25 bevatten de voorzegging dat de hofmeester Sebna verworpen zal worden en Eljakim, de zoon van Hilkia, in zijn plaats verhoogd. Sebna zal uit zijn ambt ontzet en verbannen worden (15-18). Eljakim, Jahweh’s dienaar, zal zijn plaats verkrijgen, maar ook hij zal worden weggenomen (19-25).

Jes. 22:1-14 Profetie aangaande de verwoesting van Jeruzalem

Jes. 22:1

Jes 22:1  De last van het dal des gezichts. Wat is u nu, dat u, allemaal, op de daken klimt? (CP[1])

Het dal des gezichts. Ook genoemd in vers 5. In dit dal zal plaatsvinden:

Jes 22:5  Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het dal des gezichts, [een] [dag] van ontmuring des muurs, en van geschreeuw naar het gebergte toe.

Jeruzalem had meerdere dalen. Vergelijk:

Jes 22:7  En het zal geschieden, dat uw uitgelezen dalen vol wagenen zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorten aan. (SV)

Dalen van Jeruzalem. Eng. valley = dal, vallei.

Het dal van het gezicht schijnt een dal in of nabij Jeruzalem te zijn. Misschien noemt de profeet het zo omdat hij daar de profeet de toekomstige gebeurtenissen heeft geschouwd of omdat daar de geschouwde gebeurtenissen zullen plaatsvinden. Mogelijk duidt de uitdrukking het Mestdal aan, dat midden door de stad liep.

U. In het enkelvoud; Jeruzalem, zie vers 2 en "de dochter van mijn volk" (22:4).

Op de daken klimt? Misschien om het vijandelijke leger te bezien.

Jes. 22:2

Jes 22:2  Gij, die vol van groot gedruis waart, gij woelige stad, gij, vrolijk huppelende stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in den strijd. (SV)

Iets van het Jeruzalemse leven is ook te lezen in vers 13.

Jes 22:13  Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, [en] [te] [zeggen]: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. (SV)

Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard enz. Zij zijn door een of meer andere oorzaken om het leven gekomen.

Jes 22:3

Jes 22:3  Al uw oversten zijn tezamen weggevlucht; zij zijn zonder een boogschot gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, hoever zij ook weggevlucht waren. (CP[1])

Zonder een boogschot. Van Elamitische schutters (vers 6).

Jes. 22:4

Jes 22:4  Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring der dochter mijns volks. (SV)

Laat mij bitterlijk wenen.

Jes 22:12  En te dien dage zal de Heere, de HEERE der heirscharen, roepen tot geween, en tot rouwklage, en tot kaalheid, en tot omgording des zaks.

De Heer Jezus heeft geweend over Jeruzalem, waarvan Hij de belegering en ondergang voorzag.

Jes. 22:5

Jes 22:5  Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het dal des gezichts, [een] [dag] van ontmuring des muurs, en van geschreeuw naar het gebergte toe. (SV)

Ontmuring. De muren worden verwoest, zodat Jeruzalem geen muren meer heeft.

Jes. 22:6

Jes 22:6  Want Elam heeft de pijlkoker genomen, de man is op de wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild. (CP[1])

Zij bereiden zich tot de strijd.

Elam heeft de pijlkoker genomen. Vgl. vers 3, dat zegt dat de oversten van Jeruzalem door de schutters zijn gebonden.

Kir. De ligging is onbekend; vermoedelijk een landstreek in Elam. Zie Kir.

Jes. 22:7

Jes 22:7  En het zal geschieden, dat uw uitgelezen dalen vol wagenen zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorten aan. (SV)

Uw uitgelezen dalen. De voornaamste dalen van Jeruzalem zijn Mestdal, Hinnomdal, Kidrondal. Zie Jeruzalem. Zie ook kaart hierboven.

Jeruzalem dalen.jpg

Jes. 22:8

Jes 22:8  En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult u zien naar de wapens in het huis des wouds. (CP[1])

Hij. De vijand.

Deksel van Juda ontdekken. Doorbreken in de stad, de beschutting, het scherm, het voorhangsel wegnemend. Of: de bedekkende kleding wegnemen en zodoende de schaamte van Juda ontdekken en hem te schande maken. De Arabieren hebben de spreekwijze: "het deksel van een volk ontdekken," wanneer het aan de hoogste smaad van de vijand prijsgegeven is[2].

Zien naar de wapens in het huis des wouds. Het Huis des Wouds of Huis van het Woud of Woudhuis was het tuighuis, dat gebouwd was uit het cederhout van de Libanon. Het zien naar de wapens kan betekenen: omzien naar de wapens om zich ermee te verdedigen tegen de vijand. Maar niet God zoeken en uitzien naar Zijn hulp (vers 11).

Jes. 22:9

Jes 22:9  En ulieden zult bezien de reten van de stad Davids, omdat zij vele zijn; en u zult de wateren van onderste vijver verzamelen. (CP[1])

Bezien de reten van de stad Davids. Om de scheuren in de muren ten spoedigste te herstellen. De stad van David is het zuidelijk deel van Jeruzalem, het Zion in engere zin.

U zult de wateren van onderste vijver verzamelen. De onderste vijver is de oudste vijver van Siloah, de tegenwoordige Birket el-Hamra[2]. Men leidt het water in de stad af, om verzorgd te zijn tegen een langdurige belegering.

Jes. 22:10

Jes 22:10  Gij zult ook de huizen van Jeruzalem tellen; en gij zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen. (SV)

Men breekt de na telling en schatting ontbeerlijke huizen af, om met het verkregen materieel de stadsmuur te verbeteren.

Jes. 22:11

Jes 22:11  Ook zult u een reservoir maken tussen beide de muren, voor de wateren van de Oude Vijver; maar u zult niet opwaarts zien op Dien, Die zulks gedaan heeft, noch kijken naar Hem, Die dat van verre [tijden] geformeerd heeft. (CP[1])

U zult een waterreservoir maken, maar niet uw hulp verwachten van God.

Die zulks gedaan heeft enz. Die al deze gebeurtenissen, welke u door uw maatregelen wilt voorkomen, lang te voren in Zijn raadsbesluiten heeft opgenomen. Of: Die de Oude Vijver geformeerd heeft.

Jes. 22:12

Jes 22:12  En te dien dage zal de Heere, de HEERE der heirscharen, roepen tot geween, en tot rouwklage, en tot kaalheid, en tot omgording met een  zak. (CP[1])

Roepen tot geween.

Een zak omdoen ten teken van rouw.

Jes 22:4  Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring der dochter mijns volks. (SV)

Tot kaalheid enz. Ten teken van rouw.

Jes. 22:13

Jes 22:13  Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, [en] [te] [zeggen]: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven. (SV)

Jesaja ziet naast het rampspoed die Jeruzalem zal treffen een zorgeloos genieten door de Jeruzalemmers. Vgl. vers 2.

Jes 22:2  Gij, die vol van groot gedruis waart, gij woelige stad, gij, vrolijk huppelende stad, Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in den strijd. (SV)

Jes. 22:14

Jes 22:14  Maar de HEERE der heirscharen heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, [zeggende]: Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat u sterft! zegt de Heere, de HEERE der heirscharen. (CP[1])

Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt. En niet integendeel deze misdaad aan u bezocht wordt, totdat u sterft,

Tot u sterft. Met de gedachte aan de dood hebben zij op gruwelijke wijze gespeeld (vers 13) en hebben zich aan de maaltijd gezet. Maar zij, de zwelgers en veelvraten, zullen van honger sterven en door pestilentie worden weggenomen (vers 2).

Jes. 22:15-25 Profetie aangaande Sebna en Eljakim

Voorzegging dat de hofmeester Sebna verworpen zal worden en Eljakim in zijn plaats verhoogd. Sebna zal uit zijn ambt ontzet en verbannen worden (15-18). Eljakim, Jahweh’s dienaar, zal zijn plaats verkrijgen, maar ook hij zal worden weggenomen (19-25).

Deze profetie en de messiaanse profetieën aangaande de knecht des Heeren zijn de enige van Jesaja bewaarde profetieën waarin hij zich met de bijzondere belangen van enkele personen bezighoudt, hier de opeenvolgende hofmeesters Sebna en Eljakim.

De profetie dagtekent waarschijnlijk uit ongeveer dezelfde tijd als de onmiddellijk voorafgaande (vs. 1-14). Allebei betreffen de situatie in Jeruzalem (vgl. vers 21).

Jes. 22:16

Jes 22:16  Wat hebt gij hier, of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt [als] die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen? (SV)

Gij u hier een graf uitgehouwen hebt. In verzen 13 en 14 wordt ook van sterven gesproken. Sebna meende in Jeruzalem te zullen sterven, maar God zal hem in een ander land doen sterven (vers 18).

Jes. 22:17

Jes 22:17  Zie, de HEERE zal u wegslingeren zoals een man wegslingert, en Hij zal u omwinden met omwindsel, (CP[1])

Zoals een man wegslingert. Een wegwerping met mannelijke kracht uitgevoerd.

Hij zal u omwinden met omwindsel. Stevig inwikkelen, zoals mummies in Egypte.

Jes. 22:18

Jes 22:18  voortrollen, Hij zal u voortrollen zoals men een bal rolt, in een wijduitgestrekt land; aldaar zult u sterven, en aldaar zullen uw heerlijke wagens zijn, u schandvlek van het huis van uw heer! (CP[1])

In een wijduitgestrekt land. Buiten Juda, buiten Israël. Welk land is onduidelijk. Egypte? Assyrië? Babylonië?

Heerlijke wagens. Staatsiewagens, praalwagens.

Jes. 22:22

Jes 22:22  En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen. (SV)

De sleutel van het huis van David. De sleutel van het huis van David geeft ambtsbevoegdheid over alle goederen en allen voorraad van dit huis. Met onbeperkte macht zal hij alles aan het koninklijk hof beschikken, zonder dat iemand, behalve de koning, zijn besturingen zal kunnen te niet doen.

Op zijn schouder leggen. Men kan de woorden in de eerste plaats in eigenlijke zin opvatten, in zoverre de sleutel of het insigne als waardigheidsteken, of op het kleed van de hofmeester geborduurd of gedragen werd, afhangend van de schouder.

In hogere, figuurlijke zin is echter van de sleutelmacht sprake, als van die macht en bevoegdheid, welke niet alleen ten opzichte van de koninklijke kamers, maar ook in de beslissing over toelating of niet toelating tot de koninklijke dienst bestaat.

Vergelijk in het Nieuwe Testament de overgave van de sleutel van het rijk der hemelen aan Petrus (Matth. 16:18 v.); een zinverwant beeld.

Mt 16:18  En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen. Mt 16:19  Ik zal je de sleutels van het koninkrijk der hemelen geven, en alles wat jij zult binden op de aarde, zal gebonden zijn in de hemelen, en alles wat jij zult ontbinden op de aarde, zal ontbonden zijn in de hemelen. (Telos)

Opendoen enz. Voortaan zou Eljakim en niet Sebna, de man zijn die er over te beslissen had, wie al dan niet uit de stad Jeruzalem toegang zou krijgen tot het koninklijk verblijf van de vorst, hetzij om in het paleis te dienen en te vertoeven, hetzij om de koning enige zaken te openbaren.

Hierin was Eljakim, de hofmeester die tevens een vader voor het volk zou zijn, een heerlijk voorbeeld van Christus, de Zoon van David, die in het huis van David een onbeperkte macht heeft.

Opb 3:7  En schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel van David heeft, die opent en niemand zal sluiten, en die sluit en niemand opent: (Telos)

Jes. 22:23

Jes 22:23  En Ik zal hem [als] een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel der eer voor het huis zijns vaders. (SV)

Een nagel inslaan in een vaste plaats. Een verzekerde positie. Doch deze is voor een tijd, zie vers 25.

Jes. 22:24

Jes 22:24  En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitelingen en der afkomelingen, [ook] alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flessen. (SV)

Aan hem hangen. Als aan een haak, die nagel van vers 23.

Jes. 22:25

Jes 22:25  Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal die nagel, die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last, die daaraan is, zal afgesneden worden; want de HEERE heeft het gesproken. (SV)

Die nagel. Zie vers 23.

Weggenomen worden. Ook aan zijn macht en bevoegdheid zal een einde komen. Het einde van Sebna echter spreekt van vernedering.

De last, die daaraan is. Die daaraan opgehangen is, zie vers 24.

Bronnen

Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op hoofdstuk 22 is onder wijziging verwerkt op 19 mei 2020.

Aantekeningen bij de Leidse Vertaling. Enige tekst van de aantekeningen bij hoofdstuk 22 van het boek Jesaja is onder wijziging verwerkt op 24 mei 2020.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 1,9 Hertaling of vertaling door Christipedia, uitgaande van de Statenvertaling.
  2. 2,0 2,1 Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901)