Jesaja (boek)/Hoofdstuk 1

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 1 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Jes. 1:2

Jes 1:2  Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden. (SV)

Kinderen groot gemaakt en verhoogd. God ziet zijn volk als zijn kinderen (vgl. vers 4). Hij heeft ze grootgebracht, ja, groot gemaakt en verhoogd. Te denken valt aan de bloeitijd onder de koningen David en Salomo.

Tegen mij overtreden. zie vers 4.

Jes. 1:3

Jes 1:3  Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet. (SV)

Het tamme dier kent zijn eigenaar en de plaats van voedsel dat zijn bezitter heeft opgericht.

Krib. De Heer Jezus werd na zijn geboorte in een krib gelegd. Hij was het geestelijk voedsel dat God zijn volk gaf. Helaas heeft het volk in meerderheid Hem niet gekend.

Jes. 1:4

Jes 1:4  Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, [wijkende] achterwaarts. (SV)

Onwetendheid aangaande God, het gemis van Godskennis, leidt tot overtreden tegen Hem (vers 2).

Het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid. Hun 'handen zijn vol bloed' (1:15). In Jeruzalem wonen doodslagers (1:21). Er wordt afgoderij, natuurverering gepleegd (1:21, 29). Er is afvalligheid, omkoping (1: 23), gemis van recht (1:23).

De verdervende kinderen. God ziet zijn volk als zijn kinderen, vgl. vers 2.

Zij hebben den HEERE verlaten.

Jes 1:28  Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen. (SV)

Zij hebben zich vervreemd, [wijkende] achterwaarts. Vergelijk:

Joh 18:6  Toen Hij dan tot hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond. (Telos)

Jes. 1:5-6

Jes 1:5  Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat. Jes 1:6  Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht. (SV)

Deze verzen schetsen een zieke en geslagen toestand in een figuurlijke betekenis. De fysieke toestand (vers 7) hangt samen met de zedelijke en geestelijke toestand van het volk (vers 2v.). Koning Uzzia van Juda, onder wiens regering Jesaja leefde, moest de laatste jaren van zijn regeerperiode wegens melaatsheid in afzondering leven.

Jes. 1:9

Jes 1:9  Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden. (SV)

Juda en Jeruzalem (vers 1) zouden geheel verwoest en omgekeerd (vgl. vers 7) zijn geworden, gelijk de zondige steden Sodom en Gomorra. Als er tien rechtvaardigen in deze staden geweest waren, zouden ze gespaard zijn gebleven. Juda en Jeruzalem zondigden (vers 2, 4).

Jes. 1:10

Jes 1:10 Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra! (SV)

Juda en Jeruzalem (vers 1) worden geestelijk genoemd Sodom en Gomorra. Het eindtijdse aardse Jeruzalem wordt geestelijk genoemd 'Sodom en Egypte'.

Opb 11:8  En hun lijk zal liggen op de straat van de grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd is. (Telos)

Oversten van Sodom. Oversten van de stad Jeruzalem. Het gezicht van Jesaja zag hij over Juda en Jeruzalem (vers 1). De dochter van Sion (vers 8), Sion (vers 27), is Jeruzalem.

Jes 1:23  Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. (SV)

Hoort des HEEREN woord ...neemt ter ore de wet onzes Gods. Er was gebrek aan kennis van God en van Zijn wegen (vgl. vers 3).

Jes. 1:17

Jes 1:17  Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, behandelt de twistzaak der weduwe. (CP[1])

Doet de wees recht.

Jes 1:23  Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. (CP[1])

Behandelt de twistzaak der weduwe.

Jes 1:23  Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. (CP[1])

Jes. 1:21

Jes 1:21  Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers. (SV)

Getrouwe stad. Dat is Jeruzalem.

Jes 1:26  En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden. (SV)

Jes. 1:22

Jes 1:22  Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water. (SV)

Uw zilver. De goede vorsten, rechters, raadslieden.

Jes 1:26  En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden. (SV)

Schuim.

Jes 1:25  En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen. (SV)

Jes. 1:23

Jes 1:23  Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; de wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet. (CP[1])

De wezen doen zij geen recht.

Jes 1:17  Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, behandelt de twistzaak der weduwe. (CP[1])

De twistzaak der weduwen komt voor hen niet.

Jes 1:17  Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, behandelt de twistzaak der weduwe. (CP[1])

Jes. 1:25

Jes 1:25  En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen. (SV)

Uw schuim.

Jes 1:22  Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water. (SV)

Ik zal al uw tin wegnemen. In plaats van 'tin' (SV, HSV, Lu) vertalen anderen 'looddelen' (Lei, NBG51), 'loodvuil' (NaB), 'afval' (WV95), 'vuil' (NBV2004), 'slakken' (Obbink). Tin is bij ons een bekend zilverachtig-wit metaal. Maar het woord dat hier wordt gebruikt, betekent niet tin, maar een metaal gevormd uit lood gemengd met zilvererts[2]. Het wordt hier figuurlijk toegepast op de ongerechtigen, de ongerechtigheid onder Jeruzalems vorsten. De woorden verschillen in figuurlijke betekenis niet van het vorige deel van het vers.

Jes. 1:27

Jes 1:27  Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid. (SV)

Door recht verlost worden. God doet recht en brengt tevens verlossing aan. Dat is ook gebeurt op Golgotha's heuvel, waar God recht deed door onze zonde te oordelen in het lichaam van de Heer Jezus.

Jes. 1:29

Jes 1:29  Want zij zullen beschaamd worden om der terebinten wil, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, om der hoven wil, die gij verkoren hebt. (CP[1])

Terebinten. Statenvertaling: eiken. Terebinten echter is juister[3]. Het volgende vers spreekt van de terebint (Hebr. elah). Deze sterke bomen waren voorwerpen van afgodische verering.

Hoven. Tuinen waar men om schandelijke afgodendienst pleegde.

Jes. 1:30

Jes 1:30  Want gij zult zijn als een terebint, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft. (CP[1])

Terebint, welks bladeren afvallen. Na verdord te zijn. De altijdgroene boom verliest zijn loof als hij kwijnt of sterft.

Jes. 1:31

Jes 1:31  En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werk tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen. (CP[1])

Grof vlas. Het grove of gebroken deel van vlas. Het kan gemakkelijk en snel worden aangestoken en verbrand.

Een vonk. Dat het grove vlas in brand steekt.

Voetnoten

  1. 1,0 1,1 1,2 1,3 1,4 1,5 1,6 1,7 1,8 Hertaling van de Statenvertaling of andere vertaling uitgaande van de Statenvertaling, op Christipedia.
  2. Albert Barnes, Notes on the Old Testament (jaren '30 van de 19e eeuw).
  3. Zie commentaar van Keil en Delitzsch op dit vers.