Jesaja (boek)/Hoofdstuk 8

Uit Christipedia
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bijbelboeken: GeExLeDeJozRiRu1Sa2Sa1Ko2Ko1Kr2KrEzrNeEstJobPsSpPrHglJesJerKlaEzeDaHosJoëAmObJonMiNaHabZefHagZaMalMtMrLkJhHnRm1Ko2KoGlEfFpCol1Th2Th1Tm2TmTitFmHbJk1Pe2Pe1Jh2Jh3JhJdOpb

Jesaja (boek):


Hoofdstuk 8 wordt hieronder samengevat en/of een of meer passages worden becommentarieerd.

Jes. 8:1

Jes 8:1  Verder zeide de HEERE tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit! (SV)

De woorden behelzen een voorzegging van de ondergang van Syrië en Efraïm, die Juda belaagden (zie vorige hoofdstuk). De woorden worden, eveneens op Gods bevel, ook de naam van de jongste zoon van Jesaja (vers 3).

Jes. 8:2

Jes 8:2  Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria, den priester, en Zacharia, den zoon van Jeberechja. (SV)

Uria. Waarschijnlijk de hogepriester Uria, ten tijde van Achaz (2 Kon. 16:10), zie Uria.

Zacharia. Misschien dezelfde als de Leviet Zecharja genoemd in 2 Kron. 29:13.

Jes. 8:3

Jes 8:3  En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en de HEERE zeide tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZBAZ. (SV)

Profetesse. De vrouw van Jesaja, die ook begiftigd was met de gave van profetie.

Genaderd. Ter huwelijksgemeenschap.

Maher-Schalal, ChazBaz. Deze Hebreeuwse woorden betekenen "haastig roof, spoedig buit!"[1]. Deze woorden moesten ook op de rol geschreven worden (vers 1).

Jes. 8:6

Jes 8:6  Dewijl dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en den zoon van Remalia; SV)

Dit volk. Het volk van Juda.

Siloa. Zie Siloa.

Zachtjes gaan. Deze wateren van de bron Siloa(m) stroomden zacht. Het volgende vers noemt, bij tegenstelling, de 'sterke en geweldige wateren' van de Assyrische legerscharen (vers 7).

Jes. 8:7

Jes 8:7  Daarom ziet, zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrie en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers; SV)

De machtige Assyrische vorsten Tiglath-Pilezer, Salmaneser en daarna Sanherib zouden in Israël en Juda verschijnen om deze landen aan hen schatplichtig te maken of te verwoesten. Salmaneser maakte een eind aan het koninkrijk van Israël (= Tienstammenrijk) in 722 n.C.

800 — 700 v.C. < Israël 750 — 650 v.C.[2] > 700 — 600 v.C.
EsarhaddonTirhakaManasseBerodach-BaladanSanheribBerodach-BaladanSargon IISalmaneserHizkiaHosea (koning)AchazPekahPekahiaJesaja (profeet)https://nl.wikipedia.org/wiki/PiyePulMichaJothamMenahemSallumZachariaRezinUzzia

Jes. 8:8

Jes 8:8  En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken; en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuel! (SV)

Tot aan de hals reiken. Zeer benauwen, maar niet doen ondergaan als in 722 v.C. met Samaria zou gebeuren door de Assyrische koning Salamaneser.

De uitstrekkingen zijn vleugelen. Als een grote roofvogel zou de Assyriër neerstrijken op het land van Israël.

Ook onze goedertieren Heer Jezus heeft grote vleugels, waaronder wij veilig en geborgen zijn:

Mt 23:37  Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die tot u zijn gezonden, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenverzamelen, zoals een hen haar kuikens bijeenverzamelt onder haar vleugels, en u hebt niet gewild. (Telos)

Immanuël. Het kind van de maagd. De naam betekent 'God (is) met ons', zie vers 10.

Jes 7:14  Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten. (SV)

Jes. 8:10

Jes 8:10  Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons! (SV)

God is met ons! Verwijst naar de naam Immanuël, de zoon van een maagd (7:14; 8:8).

Jes. 8:11

Jes 8:11  Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende: (SV)

Onderwees. Een vorm van het werkwoord yacar = onderwijzen, vermanen, kastijden, straffen

Jes. 8:12

Jes 8:12  Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet. (SV)

Gijlieden. Jesaja en, wellicht, zijn leerlingen (vers 16).

Jes. 8:14

Jes 8:14 Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. (SV)

Hij ulieden tot een Heiligdom zijn.

Opb 21:22 En een tempel zag ik in haar niet, want de Heer, God de Almachtige, is haar tempel, en het Lam. (Telos)

Hij ... tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling. Dat is Hij in het bijzonder geworden in de persoon van Zijn Zoon, onze Heiland.

1Pe 2:7 Voor u dan die gelooft, is dit kostbare; maar voor de ongelovigen: ‘De steen die de bouwlieden hebben verworpen, deze is tot een hoeksteen geworden’, en’ een steen des aanstoots en een rots der ergernis’.

Hij ... tot een strik en tot een net den inwoneren te Jeruzalem. Veertig jaar na de verwerping van de messias is Jeruzalem, door Gods strafgericht, door de Romeinen belegerd, uitgehongerd, veroverd en verwoest en de tempel verbrand en verwoest.

Jes. 8:16

Jes 8:16   Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen. (SV)

Bind toe, verzegel. Toebinden en verzegelen doet men dat, wat men bewaren wil en wat ongeschonden moet bewaard blijven. Welnu, Israëls volk, de grote menigte verwierp het Woord en verachtte het Getuigenis, maar de kleine schare van Gods gelovigen zouden het betrachten. Het zou als het ware in hun hart gedeponeerd worden. En daaraan had Israël’s volk het te danken, dat het niet geheel vernietigd werd. Zou er echter een kern overblijven, dan moest de kern bij dit Woord leven en door dat Getuigenis gevoed worden.[3]

Vers 20 zegt dat men wet en getuigenis moet raadplegen, niet de doden of waarzeggers.

De wet. Hebr. torah = onderwijzing, wet.

Mijn leerlingen. Misschien de 'gijlieden' van verzen 12 en 13

Jes. 8:17

Jes 8:17  Daarom zal ik den HEERE verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten. (SV)

Daarom. Om wat God hem gezegd heeft (8:11-16).

Jes. 8:18

Jes 8:18  Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israël, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont. (SV)

Ik en de kinderen. Jesaja (= het heil van Jah) en zijn zonen. Zijn eerste zoon heette Sjear-Jashub (7:3), welke naam bekent "Het overblijfsel bekeert zich". Zijn tweede zoon heette Maher Sjalal Chasj Baz (= "Haastende tot de roof, is hij spoedig tot de buit"). Zie Jesaja (profeet). 'Kinderen' kan ook betrekking hebben op de geestverwanten van Jesaja, de vromen in Israël, die naar zijn stem horen.

Tot tekenen en tot wonderen in Israël. De beide zoonsnamen vormen als het ware een samenvatting van Jesaja's boodschap: de verovering en verwoesting van Jeruzalem, maar ook de hoop op herstel daarna.

Het vers Jes. 8:18 wordt op de Heer Jezus en zijn geestelijk nageslacht, zijn leerlingen, toegepast.

Heb 2:13  En opnieuw: ‘Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’. (Telos)

Trouwens, ook de Heer sprak van Jeruzalems toekomstige verwoesting en het herstel ('wedergeboorte') van Israël.

Jes. 8:19

Jes 8:19  Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen? (SV)

Ulieden. Jesaja's leerlingen (vers 16).

Waarzeggers en duivelskunstenaars. Herziene Statenvertaling: 'de geesten van doden, en waarzeggers'.

Jes. 8:20

Jes 8:20  Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben. (SV)

Tot de wet en tot de getuigenis! Raadpleeg die, welke het woord van God zijn. Zie ook vers 16.

Geen dageraad. Als het ware geen licht aan het eind van de tunnel. Zie vers 22: 'daar zal ... duisternis zijn'.

Jes. 8:22

Jes 8:22  Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. (SV)

Benauwdheid, angst en duisternis heeft ook de Heer Jezus doorgemaakt, niet wegens zijn zonden, maar wegens onze ongehoorzaamheid en zonden.

Voetnoot

  1. Naardense Bijbelvertaling
  2. De jaartallen zijn meerendeels ontleend aan Bijbels ontstaansmodel; tijdbalk Masoreten (Stichting De Oude Wereld, 2009).
  3. Karl August Dächsel; F. P. L. C. van Lingen; H. van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden. (Kampen: Bos, 1893-1901), enige tekst van het commentaar is overgenomen.